Servicios Personalizados
Revista
Articulo
Indicadores
Links relacionados
-
Citado por Google -
Similares en Google
Compartir
Tydskrif vir Geesteswetenskappe
versión On-line ISSN 2224-7912versión impresa ISSN 0041-4751
Tydskr. geesteswet. vol.65 no.3 Pretoria sep. 2025
https://doi.org/10.17159/2224-7912/2025/v65n3a2
RESEARCH AND REVIEW ARTICLES
Een vergeten deelnemer aan het driehoeksgevecht Nederlands, Afrikaans en Engels, begin twintigste eeuw: CJ van Rijn
A forgotten participant in the triangular battle between Dutch, Afrikaans and English, early 20th Century: CJ van Rijn
GJ (Gerrtt) Schutte
Emeritus hoogleraar Geschiedenis,Vrije Universiteit Amsterdam, Amsterdam, Nederland. E-pos: gj.schutte31@gmail.com
SAMENVATTING
Het Engels was na mei 1902 in heel Zuid-Afrika de taal van de overheid. Maar een groot deel van de (blanke) bevolking sprak en schreef Nederlands, en sprak (evenals de zgn. Kaapse Kleurlingen) informeel Afrikaans. De politiek belangrijke taalkwestie verdeelde het onderwijs in voor en tegenstanders van vrij en openbaar onderwijs, van Engels, Nederlands of Afrikaans als medium. In die context vervulde CJ van Rijn (1863-1944) - een Nederlandse onderwijzer, door dr. Mansvelt aangetrokken voor het Transvaalse onderwijs (1898), vanaf 1901 werkzaam in Kaapstad - als onderwijzer, schrijver en uitgever van onderwijsmateriaal en taalkundige een niet onbelangrijke zij omstreden rol. Als propagandist van de Nederlandse taal, na 1905 in vereenvoudigde spelling, en tenslotte van het Afrikaans, dat volgens hem overigens zuiver Nederlands en geen Maleis-Portugees kombuistaal was. Hoe zijn werk en opvattingen ook vergeten zijn, hij is deel van een bredere geschiedenis van taalvorming en politiek-cultureel ontwikkeling en verdient dus een plaatsje in een geschiedschrijving die zich tot taak heeft recht te doen aan de mensen van toen. En dus bestudering van de briefwisseling en uitgaven van de vergeten Van Rijn.
Van Rijn is geboren in een streng Rooms-katholiek boerengezin op Bleiswijk, bij Rotterdam. Zijn jeugd was moeizaam: hij stotterde, voelde zich afgewezen en zijn huwelijk was niet gelukkig. Als onderwijzer ontwikkelde hij zich goed, haalde akten voor alle moderne talen en werd hoofd van een dorpsschool. Zijn kritiek op de Rooms-katholieke kerk en clerus bracht hem echter ermee in conflict en werd in 1898 ontslagen als schoolhoofd; een rechtzaak weerlegde later alle valse beschuldigingen. Het betekende, dat hij de Rooms-katholieke kerk verliet, catechisatie volgde bij de Hervormde predikant van Arnhem en belijdenis aflegde. Het betekende ook een breuk met zijn vrouw en kinderen. Via het Studiefonds ten behoeve van het Hollandsch Onderwijs in Zuid-Afrika emigreerde hij in december 1898 naar Transvaal, waar Superintendent van Onderwijs dr. N Mansvelt Nederlandse orthodoxe protestantse onderwijzers aantrok.
Deze achtergrond is niet alleen biografisch belangrijk, maar vormt ook de voedingsbodem voor Van Rijns intense toewijding aan het idee van spirituele en culturele vrijheid. In Transvaal, zo wist Van Rijn, zou hij vrij zijn om zijn geloof en beroep te belijden zonder onderdrukking. In Wonderfontein vond hij rust, maar de Boerenoorlog bracht hem in 1901 naar Kaapstad. De Engelse overheersing bracht Van Rijn opnieuw in conflictgebied. Zijn werk als leraar werd ondermijnd door Engelse en pro-Britse autoriteiten; hij verloor zijn baan, zijn huis, zelfs zijn boeken - maar niet zijn drang om te schrijven en les te geven. Vanaf 1906 begon Van Rijn aan een indrukwekkend uitgeefproject. Hij publiceerde leesboeken, grammatica's, woordenboeken en geschriften, die hun weg vonden naar scholen en volwassenen, vaak zelf gefinancierd of op de markt gebracht. Hij was een groot voorstander van de vereenvoudigde Kollewijn-spelling en streeft ernaar Nederlands te lezen (via de klankmethode) en aantrekkelijk te maken voor Zuid-Afrikaanse gebruikers - een reactie op de opkomst van zowel het Engels als het Afrikaans. Van Rijns werk was daarom niet alleen taalkundig of educatief, maar ook een vorm van cultureel verzet. Hij streed niet alleen voor het Nederlands onderwijs, maar ook tegen het verlies van een cultuurtaal - en voor wat hij beschouwde als "moedertaalrechten". Zijn visie op het Nederlands als cultureel superieur en zijn wantrouwen jegens het Engels waren niet slechts een persoonlijke ijver; zijn Groot-Nederlandse visie en werk waren ingebed in een Europees cultureel imperialistisch wereldbeeld.
Van Rijns meest typerende, maar ook meest controversiële betoog is zijn boek Het zeer nauwe verband tussen het Afrikaans en het Nederlands (1914). In dit taalkundige betoog betoogt hij dat het Afrikaans geen creoolse of gemengde taal is, maar een puur vereenvoudigde voortzetting van het gesproken Nederlands. Hij verwerpt de invloeden van het Maleis-Portugees of andere talen en interpreteert de grammaticale en fonologische vereenvoudiging als een teken van continuïteit, niet van degeneratie. Het boek is polemisch van toon, typografisch onorthodox en vol overtuiging - en juist daarom een belangrijk document uit zijn tijd. Taalkundigen zoals DC Hesseling verwierpen Van Rijns theorieën als ondoorgrondelijk en onwetenschappelijk. Anderen, zoals de schrijver, dichter en invloedrijke tijdschriftredacteur Herman Robbers, prezen de basisstelling van het boek - dat Afrikaans Nederlands is. Van Rijns boek was inderdaad geen academisch werk; zijn stelling dat Afrikaans een vereenvoudigde Nederlandse spreektaal is (later het onderzoeksgebied van GG Kloeke) was geen academische studie, maar een militant pleidooi - met een duidelijke politieke en culturele agenda. Zijn afwijzing van elke bijdrage van slaven of niet-westerse afkomst aan het Afrikaans weerspiegelt de tijdsgeest, maar kan niet los worden gezien van de racistische ondertonen van die tijd. Maar een simplistische afrekening met Van Rijn als een "apartheidsdenker" is al te gemakkelijk, onhistorisch en zijn drijfveer komt voort uit persoonlijk verlies en het idealisme van die tijd.
Van Rijn kreeg nooit erkenning van academische instellingen - zijn verzoek om een masterdiploma op basis van levenslang werk werd afgewezen. Wat Van Rijn uniek maakt, is niet alleen zijn indrukwekkende productie, maar ook zijn positie als spilfiguur: hij hielp docenten Nederlands zich te vestigen, gaf praktisch advies en trad op als bemiddelaar tussen de belangen van het Nederlands en het Afrikaans in het onderwijs. Zijn invloed was breed en zijn nalatenschap heeft zich voortgezet in de talloze leerlingen en lezers die zijn boeken lazen en bestudeerden, ook al is die in de loop van de tijd ingehaald zijn door sociaal-culturele ontwikkelingen. Hij was tegen de officiële erkenning van het Afrikaans, maar ironisch genoeg droeg zijn werk bij aan de versterking van het zelfbewustzijn van het Afrikaans en de uiteindelijke standaardisatie van de taal. Met al zijn tekortkomingen, verdiensten, ideeën en tegenstrijdigheden liet Van Rijn zien, hoe in een tijd waarin taal nog steeds een terrein van strijd, identiteit en macht is, taal, onderwijs en ideologie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Trefwoorden: Zuid-Afrika, identiteit en moedertaalrecht, cultuurimperialisme, taalideologie, taalcontinuiteit Afrikaans-Nederlands, taalonderwijs, vereenvoudigde spelling van het Nederlands, onderwijsmateriaal, historiografische vergetelheid, CJ van Rijn
ABSTRACT
After 31 May 1902, English was the language of government throughout South Africa. However, large parts of the (white) population spoke and wrote Dutch, and (like among others also the so-called Cape Coloureds) spoke informal Afrikaans. The politically important language issue divided education into proponents and opponents of free and public education, of English, Dutch or Afrikaans as a medium. In that context, CJ van Rijn (1863-1944) - a Dutch teacher, recruited by Dr. Mansvelt for Transvaal education (1898), working in Cape Town from 1901 - fulfilled a not unimportant if controversial role as a teacher, writer and publisher of educational material and as a linguist. He was a propagandist of the Dutch language, after 1905 in simplified spelling, and finally of Afrikaans, which according to him was purely Dutch and not a Malay-Portuguese galley language. Although his work and views may have been forgotten, he is part of a broader history of language formation and political-cultural development and therefore deserves a place in a historiography that has the task of doing justice to the people of that time. This justifies therefore, a study of the correspondence and publications of the forgotten Van Rijn.
Van Rijn was born into a strict Roman Catholic farming family in Bleiswijk, near Rotterdam. His youth was difficult: he stuttered, felt rejected and his marriage was not happy. As a teacher he developed well, obtained certificates for all modern languages and became head of a village school. However, his criticism of the Roman Catholic Church and clergy brought him into conflict with the Church and in 1898 he was dismissed as headmaster. A lawsuit later refuted all false accusations of misconduct. He left the Roman Catholic church, attended catechism classes with the Reformed minister of Arnhem and made a confession of faith. This also meant a break with his wife and children. Through the Study Fund for Dutch Education in South Africa he emigrated to the Transvaal Republic in December 1898, where Superintendent of Education Dr. N Mansvelt attracted Dutch orthodox Protestant teachers.
This background is not just biographically important, but it forms the breeding ground for Van Rijn's intense commitment to the idea of spiritual and cultural freedom. In Transvaal, Van Rijn knew, he would be free to practice his faith and his profession without oppression. He finds peace in Wonderfontein, but the Anglo-Boer War brought him to Cape Town in 1901. The English domination provided Van Rijn with another conflict ground. His work as a teacher was undermined by English and pro-British authorities; he lost his position, his house, even his books - but not his urge to write and teach.
From 1906 Van Rijn started an impressive publishing project. He published reading books, grammar books, dictionaries and exercise books, school and adults, often self-funded or annotated. He was a strong supporter of the simplified Kollewijn spelling of Dutch and his goal was to make the reading of Dutch (through the sound method) attractive to South African users - this was his response to the rise of English and Afrikaans.
Van Rijn's work was therefore not just linguistic or educational, but a form of cultural resistance. As part of what he regarded as "mother tongue rights" he fought for Dutch education, and against the loss of a cultural language. His view of Dutch as culturally superior and his opposition to English was not just a personal view; the Greater Netherlands vision was embedded in a European cultural-imperialist world view.
Van Rijn's most typical, but also most controversial argument is expressed in his book The very close connection between Afrikaans and Dutch (1914). In this linguistic argument he argued that Afrikaans is not a Creole or a mixed language, but a more simplified continuation of Dutch colloquialism. He rejects the influence of Malay-Portuguese or other languages on Afrikaans and interprets grammatical and phonological simplification as a sign of continuity, not degeneracy. The book is polemical in tone, has unorthodox typography, and is full of conviction. This is precisely why it is an important document of its time. Linguists dismissed Van Rijn's theory as unfounded and unscientific. Others, such as the writer, poet and influential editor Herman Robbers, praised the book's basic statement - that Afrikaans is Dutch. Indeed, Van Rijn's book was not an academic work, his view that Afrikaans is a simplified Dutch spoken language (this view formed part of GG Kloeke's research area) was not based on an academic study but was a militant plea with a clear political and cultural agenda.
In his book Van Rijn rejected the view that there were any Asian or non-Western influences on Afrikaans and, as such, cannot be separatedf rom the racial undertones ofthe time. However, to simply label Van Rijn as an "apartheid thinker" is reductive, historically inaccurate, and disregards both his personal context and the idealism of the era.
Van Rijn never received recognition from academic institutions. His request to be awarded an MA degree on the basis of years of work was rejected. What makes Van Rijn unique is not just his impressive production, but his position as a pivotal figure: he helped Dutch teachers to establish themselves, provided practical advice, and acted as a mediator between Dutch and Afrikaans educational interests.
His influence was far-reaching and his legacy lives on in the students and teachers who learned through his books, even though these eventually became outdated due to socio-cultural developments. He opposed the official recognition of Afrikaans, but ironically his work contributed to the strengthening of Afrikaner self-awareness and ultimately the official recognition of Afrikaans.
Despite his shortcomings, Van Rijn, in a time when language is an area of struggle, identity and power, shows how language, education and ideology are inextricably intertwined.
Keywords: South Africa, identity and mother tongue law, cultural imperialism, language ideology, language continuity Afrikaans-Dutch, language education, simplified spelling of Dutch language, educational materials, historiographic forgetfulness, CJ van Rijn
1. Inleiding
CJ van Rijn. Uit zijn boekjes leerden verscheidene later invloedrijke Zuid-Afrikanen hun eerste Nederlands en Afrikaans. Hij was schrijver van 47 schoolboeken, waarvan vele herhaaldelijk herdrukt werden - boekjes voor taalkunde, lezen, stijloefeningen, en een woordenboek Nederlands-Afrikaans-Engels (1908). Ook was hij de auteur van Het nauwe verband tussen het Afrikaans en het Nederlands (1914), 'uit plesier en veglus' geschreven. Met die woorden introduceerde de taalkundige prof. dr. MJ Posthumus in het Suid-Afrikaanse Biografiese Woordeboek I, 1968, Cornelis Johannes van Rijn (19 april 1863-18 september 19441). Maar wie kent hem nog?
Van Rijn, meldde Posthumus, was geboren in Bleiswijk, opgeleid in Rotterdam en onderwijzer (en kerkorganist) in Rotterdam, Haarlem (-Heemskerk), Amsterdam2 en Loo (gemeente Duiven, bij Arnhem). In 1898 ging hij naar Zuid-Afrika. Hij had vier dochters en een zoon uit een eerste huwelijk [naam van partner niet genoemd !], dat ontbonden is, en uit een tweede huwelijk (Kaapstad 21 februari 1907 met Hilke Hartman) nog een zoon.3 Van Rijn deed als onderwijzer, publicist en uitgever waardevol werk in de tijd van de Afrikaanse taalstrijd, al had zijn boek Het nauw verband (het Afrikaans is echt Nederlands en geen bastaardtaal) wetenschappelijk niet veel betekenis.
Jaap Steyn noemde Van Rijns bijdrage, heel kort maar positief, in een artikel over Nederlandstaliges se bydraes tot die behoud en erkenning van Afrikaans. Voor Camiel Hamans was Van Rijn een apartheidsdenker en dus geen goede taalkundige.4 Standaardwerken over de geschiedenis van de posities van Engels/Nederlands/Afrikaans na 1902, als Tuiste in eie taal (1980) en Die Taal is gans die volk (1992), noemen hem niet.5 Een overzichtsartikel over de Nederlands-Afrikaanse lexicografie uit 2016 evenmin.6 Christo van Rensburg plaatste de titel van Van Rijns boek in de literatuurlijst van zijn artikel 'Oor die eerste 50 jaar se maak aan Standaardafrikaans begin 20e eeu' (2015), maar ging er nergens op in.7 Allesweter Karel Schoeman kende Van Rijn, en noemde hem in één adem met de Nederlanders Hubertus Elffers, Omius van Oostrum en de Afrikaner WJ Viljoen onder de verdedigers van het Nederlands (tegen het Afrikaans) door taalvereenvoudiging in de nieuwe spelling.8
Dat iemand nu vergeten is, is geen reden om geen aandacht aan zijn persoon en optreden te geven: de taak van de geschiedschrijving is recht doen aan de mensen van toen. Maar het lijkt zinvol Van Rijn - in zijn tijd duidelijk geen alledaagse persoonlijkheid - en zijn strijd voor het Nederlands in Zuid/Afrika, toch nog eens te bestuderen, want zijn lemma in het SABW is al te sober. Wat betekende zijn werk? Welke (taalkundige) bagage bezat deze schoolmeester, journalist, schrijver en uitgever van schoolboeken en welke rol had zijn werk? Waarom ging deze 35-jarige hoofdonderwijzer naar Zuid-Afrika? Een extra reden om nog eens naar Van Rijns leven en werk te kijken is dat nu vele tientallen brieven van hem raadpleegbaar zijn, die in 1968 niet beschikbaar waren.9
2. Roomse perikelen
Van Rijn werd geboren in een rooms-katholiek boerengezin te Bleiswijk, een dorp onder de rook van Rotterdam met toen zo'n 300 rooms-katholieke en 1000 protestantse inwoners. Heel gelukkig was zijn jeugd volgens een veel latere uitlating van hemzelf niet: 'ik ben mijn leven lang de verstotene geweest, omdat ik in mijn jeugd zwaar hakkelde en dus van iedereen uitgelachen werd'.10 Hij trouwde op 9 februari 1888 te AAmsterdam met [Maria] Cornelia Kaatee (Haarlem 22 december 1857-9.2.1923 Arnhem, dochter van een timmerman); ook zij was rooms-katholiek en ze woonde en werkte sinds haar zestiende in Amsterdam. De bruid was zwanger, op 25 april 1888 kreeg zij een dochter, die echter enkele maanden na de geboorte overleed. In de jaren 1889-1893 werden nog drie dochters en een zoon geboren.11
De benoeming in Loo (1890) was een bevordering: hoofd van een dorpsschool met een tweede onderwijzer en nog een onderwijzeres. Het was een roomse school, bestuurd door dorpelingen die de pastoor gewoonlijk gehoorzaamden. Het schoolgebouw werd echter in 1891 door de inspectie afgekeurd, en bestuur en parochie hadden geen geld om een nieuwe te betalen. Daarom bewerkte de pastoor dat het gemeentebestuur een nieuwe school liet bouwen - een openbare (staats-)school dus. Die werd in maart 1892 geopend, en Van Rijn was nu hoofd van een openbare school. Hij had een vaste betrekking, een traktement van f 800 per jaar en vrij wonen en hij werkte naar eigen verklaring 'genoegelijk en alles volgens nieuwe en gezonde beginselen'. Daarnaast bleef hij studeren en haalde een handvol akten en diploma's; daaronder wiskunde - zijn belangstelling voor natuurkunde toonde in een actief lidmaatschap van het Arnhemse Natuurkundig Genootschap 'Physica'.12 En hij was - het waren zijn eigen woorden uit 1897 - 'Roomsch, erg Roomsch, streng opgevoed en opgeleid - maar in de laatste jaren had hij gedacht ... Hij kwam er toe Luther een groot man te vinden in plaats van een duivels ketter ... Tenslotte werd hij in al zijn doen en denken Protestant - godsdienstig in zijn hart. Niemand weet, wat dat voor ellende geeft!.13
Want zonder gevolgen bleef dat niet. 'Ik lijd nogal aan schrijflust', erkende Van Rijn eens.14 Daarom was hij al sinds een handvol jaren correspondent van allerlei kranten en bladen over regionaal nieuws, bijzonderheden, wetenswaardigheden en reacties over actualiteiten. Hij schreef ook over gebeurtenissen op rooms-katholiek terrein, kritisch nogal eens, maakte kanttekeningen bij het rijke roomse leven.15 Het bleef niet tot denken en schrijven. Hij liet bijvoorbeeld op vrijdag zijn ziekelijke kinderen vlees eten, wat zijn verhouding met zijn vrouw nog verder verslechterde. 'Een ongelukkig huwelik, als het mijne in Holland', schreef hij vele jaren later, 'dwingt 'n onderwijzer tot opsluiting en zo kreeg ik Hoofd-akte, [die van] Frans, Duits, Engels, die ik zonder de Xantippe misschien niet gekregen had'.16 Het betekende ook, dat pastoor en kapelaans hem afschreven, roddels rondgingen en traditionele roomse ouders hun kinderen niet meer naar school stuurden. Gruwelijk vervolgd ben ik door de geestelijkheid (3 pastores, 2 kapelaans) in de gemeente Duiven, schreef hij. Want door hun invloed werd Van Rijn per 1 juli 1898 ontslagen. Er werden bij inspectie en gemeentebestuur allerlei klachten tegen hem opgevoerd - de pastoor liet zelfs zes meisjes zeggen, dat hij 'onbehoorlijkheden' had gepleegd.17 Justitie en Gedeputeerde Staten spraken Van Rijn later daarvan geheel vrij, maar er zat intussen niets anders over dan Loo te verlaten en woonruimte huren in Arnhem. En inderdaad: 'Heden, 28 November 1898 had ik, pastoor Huybers, 7 voor 3 het onuitsprekelijke genoegen een grooten booswicht, CJ van Rijn, schoolmeester alhier, te zien vertrekken. Behalve zijn andere ondeugden was het hem te doen het geloofweg te nemen uit de harten van wie hij kon. De Gedeputeerden hadden hem ontslagen. Deo gratias'.18
3. Hervormd naar Transvaal
Al in februari 1896 had Van Rijn contact opgenomen met het Fonds ten behoeve van het Hollandsch Onderwijs in Zuid-Afrika, over de mogelijkheid van een emigratie naar Zuid-Afrika.19 In februari 1897 stuurde hij de gevraagde diploma's (akten Frans, Engels, Duits, Wiskunde, Tekenen, diploma's Slöyd, Gymnastiek, Muziek (zang); 'speel orgel sinds 11e jaar in de kerk van Bleiswijk, in Rotterdam 1882-83; en speel piano, groot koper en clarinet'). Dat was uiteraard meer dan voldoende. Maar het Departement van Onderwijs in Pretoria stelde alleen leden van protestantse kerken aan. 'Ik maak volstrekt geen bezwaar van de Roomsche kerk in gemoede tot de Herv. Kerk over te gaan en die sedert jaren gekoesterd en wensch vervuld zien. Die wensch is zelfs de hoofdrede, dat ik naar Transvaal solliciteer, daar ik, in Nederland overgaande, zeker velerlei plagerijen te verduren zou hebben'.20 Hij nam ook feitelijke stappen: 'Nog slechts weinige dagen en de groote stap is gedaan en ik kan weg. Ds. [C.] Beets [Hervormd predikant te Arnhem] is Zaterdag jl. met repetitie begonnen'.21 Hij schreef ook: 'De Heilige Schrift is een mooi en heerlijk boek (...) dat begin ik nu eerst goed in te zien. Hadden vele Roomschen haar [in bezit], dan zagen ze in de schone Evangeliën en lessen den reinen godsdienst. Die in hun kerke onder bergen ceremonieel begraven is'.22 Op zondag 13 november 1898 deed hij in de Nederlandse Hervormde Kerk te Arnhem belijdenis.23Intussen bleven er allerlei moeiten en beslommeringen. Zijn gezin zou (voorlopig) in Nederland blijven tot er een vaste plaats in Transvaal was, dus moest er een voogd voor de kinderen aangesteld worden. Dan waren er de financiën. Er werden stappen ondernomen om bij de Evangelische Maatschappij f 500 te vragen voor het levensonderhoud gedurende de vijf maanden tussen ontslag en aanstelling in Zuid-Afrika; de Maatschappij vindt dat niet op haar weg,24 maar tenslotte werd (via de rechtbank) het salaris te Loo tot eind van het jaar 1898 betaald.25
Ondanks de politieke samenwerking van de beide emanciperende volksdelen, was er in 1898 nog steeds ongemak als iemand de grens van Rome naar Genève overstapte. Het ongevraagd ontslag van Van Rijn op een openbare school op aandringen van de RK geestelijkheid vanwege zijn overgang naar de Hervormde kerk, riep uiteraard vragen en reacties op, hier en daar rumoer. Het Provinciaal Bestuur onderzocht de zaak en de Bond van Nederlandsche Onderwijzers schreef er uitvoerig over in het orgaan De Bode26
4. Wonderfontein en Kaapstad
Van Rijn vertrok op 3 december 1898 naar Zuid-Afrika, bestemming Wonderfontein, bij Middelburg, Transvaal. Ondanks zijn uitroep, toen die vertrekdatum bepaald werd: dan kom ik aan als het heetst in Transvaal is, moordend!' U weet: ik heb 5 kinderen en een vrouw, die door mijn dood diep ongelukkig zouden worden!'27 Maar eenmaal op Wonderfontein en aan het werk, viel het mee: 'Alles is wel hief, schreef hij op 11 februari 1899. Niet dat hij er helemaal tevreden was. 'Het eenige dat mij met Transvaal vereent is, dat ik hier openlijk de leer van het Evangelie kan belijden, dat ik het gehate juk en officieel bedrog op groote schaal der Roomsche kerk kan wegwerpen. Geen vadsige, loome en luie priesterschaar die een volk allerlei wonderen van Maria wil laten zien (te Loo) die er niet zijn, en die uit al die 'genademiddelen' hunner kerk wapens smeden om zoekenden naar waarheid tot wanhoop te brengen, huisgezinnen te verdelen, op doodsbedden als anderszins geld te rooven en het volk te verstompen'. 28 Hij wilde die bittere taal graag afgedrukt in het Chr. Schoolblad, als reactie op wat hij onderging: 'Na mijn heengaan heeft de Roomsche pers eerst tegen mij gesproken. ... Ik wordt hier nog vervolgd, mijn familie heeft met mij gebroken: mijn vrouw laat mijn oudste kind dit jaar eerste heilige communie doen en komt niet naar Afrika'?29 Wat maanden later: ' Vrouw en kinderen: ik stuurde in Transvaal 22 brieven aan hen, kreeg 4 antwoorden, en de verzekering dat ze nooit naar Zuid-Afrika komen; de familie heeft me dood verklaard - weet niet eens of mijn vader en moeder (75) nog leven - de geestelijkheid werkt door in Holland tegen den renegaat. Gelukkig, hier zijn de meeste predikanten rein, ook Hollands. Ik heb menig traantje geschreid hier in de Grote Kerk, van aandoening, werkelijk!30.
Die laatste brief kwam uit Kaapstad, want na het eind van het schooljaar was Van Rijn naar Kaapstad verhuisd. Al in zijn correspondentie aan het Fonds had hij, verwijzend naar zijn reeks van akten en diploma's, geschreven dat hij een benoeming aan een ULO of Middelbare school prefereerde.31 In Kaapstad werd hij 'teacher of modern languages at the South Africa College and SAC School assistent professor'- 'wel een beetje te hoog op het paard getild', schreef hij er zelf bij. Het was er hard werken, hij gaf 19 uur les (15 uur Hollands, 4 uur Frans) en nog 6 uur (3 Hollands, 3 Duits) op het College. 'Een Augiasstal is het hier voor onderwijzer en Professor in 't Hollandsch. Daar zit, zelfs in de hoogste klasse, naast den rauwen32 Engelschman, die geen woord H[ollands] kent, een Afrikaander uit Transvaal of de kolonies die Terwey en Koenen33 kent en zelfs een goed opstel maakt in 't H. Verengelsing van Hollanders. Frans: alleen geschreven, uitspraak onbekend: vu is vjoe'.34 Intussen begon de oorlog en alles wat Hollands was werd in Kaapstad geminacht en gehaat. Van Rijn vond zijn werk 'zo miserabel, dat ik 1 Okt. 1899 ontslag nam, en gaan vechten wou bij de Boeren liever dan onderwijs te geven in een vak [Engels], waarvoor niets dan verachting en bespotting bestond'.35 Omdat hij zijn salaris nodig had, trok hij gedwongen zijn ontslagbrief in, maar in reactie smokkelde hij brieven met oorlogsnieuws naar overzee, wat volgens hem - betrapt - bijna zijn verbanning opleverde.36
Na de vrede van mei 1902 zette hij de strijd tegen de Engelse dominantie voort door 'spreken, luid spreken, protesteren tegen alles, vooral tegen 't vertrappen van onze taal'. Dat had een persoonlijke kant: 'al mijn ellende deed mij spreken' 37 en bovendien: 'Ik behoor tot die ongelukkigen van wie de Engelsen in naam van den beschaving alles verbrand hebben in den oorlog, al mijn boeken, kleren, groot huisorgel en rijwiel [in Wonderfontein nagelaten bij zijn reis naar Kaapstad in september 1899]. In Augustus 1900 liet genl. French alles op Wonderfontein verwoesten en verbranden. Mijn verlies was ongeveer 125 Pond'?38 Ook zette hij zich in voor de na 1902 nieuw uitgekomen Hollandse onderwijzers, gaf hen praktische tips en wees op vacatures om op te solliciteren.39 Hij maakte zich naar zijn mening gehaat in Engels Kaapstad, en dus: 'Het einde moest komen en kwam in mijn ontslag, Maart 1906, voor een vergrijp, waarvoor een maand te voren een Engelse man een stille schrob[b]ering had gekregen. Ik moest 't Gerecht komen en werd veroordeeld tot 3 Pond of 3 dagen.40
5. Een moeilijke tijd
'Het leven was me toen [1906] vrijwel onverschillig', schreef Van Rijn. 'De ellende verpletterde mij, ik studeerde niet, ik droomde en sufte weg'.41 Van Rijn was een emotioneel man en er waren ook allerlei redenen voor. De eerste die hij noemde was zijn huwelijk. Hij had in 1905 een bezoek aan Nederland gebracht. Over contact met zijn vrouw rapporteerde hij niet, wel met zijn kinderen; die ervaringen leidden hem tot formeel beëindigen van het huwelijk. Toen hij bijvoorbeeld de Overste van Insula Dei te Arnhem vroeg naar de vorderingen van zijn dochters op school, kreeg hij als antwoord dat hij zelf 'het vaderschap had vervallen verklaard' (door te vertrekken).42 Na de scheiding droeg hij overigens wel geldelijk bij aan hun opvoeding en mettertijd werd de verhouding met de kinderen beter.
Terug in Kaapstad, kwam de veroordeling en kreeg hij ontslag als docent aan het South African College. Dat betekende dat hij geen vast inkomen had.43 Bovendien verloor hij het spaargeld uit de jaren 1899-1904, geïnvesteerd in speculatieve bouw van huizen en in de Hollands Afrikaanse Importeurs Maatschappij (Directeur V Dusseau).44 Hij kon geen uitgever voor zijn werk vinden. 1906 was een jaar van armoede, schreef Van Rijn dan ook.45 En juist toen hij hoop kreeg, werd het een dure mislukking. Hij werd namelijk benoemd tot 'Editeur' van De Afrikaner, te Pietermaritzburg: 'Ik verkocht mijn boeltje en was 1 Januari 1907 op mijn nieuwe post, doch vond dat ik misleid was, dat de krant 450 lezers telde en elk ogenblik gestaakt kon worden; een kantoor was er niet, ook geen hele stoel. Ik bleef 1 dag en keerde terug naar Kaapstad'.46 Kostte ook weer eens zo'n 40 Pond.
Een maand later, in februari 1907, trouwde Van Rijn met Hilke Hartman, een Nederlandse, wees van haar vijfde, goed Protestant, en 'even vurig in haar haat tegen al 't Engels als ik'.47Bij hun trouwen ondergingen zij die Engelse hoogmoed ook. Op een zaterdag verschenen zij voor die plechtigheid voor de Magistraat, maar die weigerde het huwelijk te bevestigen, want de bruid kende volgens hem niet genoeg Engels en ze had geen tolk bij zich - op maandag konden ze, met tolk, weer komen! Goed en wel getrouwd, liet Van Rijn een andere kant van zijn persoonlijkheid zien: 'Ik heb niet nagelaten, in alle bladen, ook de jingo [pro-Engelse] Cape Times, die Gestr. Edel Achtb. dik op zijn boterham te geven'. Die magistraat is ontslagen, schreef hij begin 1908, duidelijk tevreden.48
Het huwelijk 'met een frisse Nederlandse' deed Van Rijn opleven, ook al woonden ze in 1907 'op één kamertje dat keuken, slaap-, zit- en leskamer' was, voor 2 Pond per maand; ze leefden van 5 shillings per dag.49 Hoeveel ellende 1906 ook bracht, niks doen kon Van Rijn niet. Hij was, sinds 1 februari 1901, beëdigd vertaler in het Nederlands, Engels, Frans en Duits, hij bleef publiceren,50 schreef ingezonden brieven en artikelen in allerlei kranten en bladen. Zijn schrijfpapier gaf naast zijn naam, kwalificaties en functies ook: 'Geeft les per brief door heel Zuid-Afrika' en 'geeft gratis informatie over Hollandse boeken op alle gebied voor school, huis en bibliotheek'. In juli 1908 schreef hij ook weer eens aan Emous: 't Gaat goed, geef nu onderwijs op de St. George's Cathedral Government School en ook privaat onderwijs 'aan eenige hoofden van departementen en twee parlementsleden' en heb plezier aan allerlei taal-'hobbies' en aan de populaire avonddienst in de Moederkerk in het Hollands.51
Ontslag, geen inkomen, geen uitgever, tegenslagen, armoede, studeerde niet, sufte weg, de mensen die zich ergerden aan zijn verloving: dat was het jaar 1906, schreef hij. Er is echter iets vreemds aan deze jeremiade: hij schreef die in een brief van 1912 (!), tijdens een bezoek aan Europa.52 Kort nadat zijn broer en zusters hem niet hadden willen ontvangen (omdat hij was gescheiden, protestant geworden, weer getrouwd), en had gehoord dat het Fonds voor het Hollandsch Onderwijs in Zuid-Afrika terugbetaling eiste van een lening (ad f 300) uit 1898, wat hij oneerlijk vond: anderen behoefden niet te betalen omdat ze in 1900 het land uitgezet waren of in kampen vastgezet - hij had warempel ook genoeg ellende doorstaan!53 Kleurde dat de jammerklacht over 1906 zo zwart?
6. De nieuwe leesles
Nog in 1905 (waarschijnlijk onder invloed van zijn recente ervaringen in Nederland) stelde Van Rijn een nieuwe onderwijsmethode op, want het Voorwoord van Het eerste boekje voor het lees- en schrijfonderwijs in school en huis in Zuid-Afrika was gedateerd januari 1906.54Hij verwerkte in dat leesboekje drie vernieuwingen uit het onderwijs in Nederland: lesjes rondom een tekeningetje, de klankmethode en de nieuwe spelling. De klankmethode werd op de eerste bladzijden 'aan Onderwijzers en Ouders' uitgelegd:
In dit Eerste Boekje worden geleerd de: o, s, p, ee, n, e, t, au. r. o, oo, g. i, m, k, ei, f, a, uu en oe.
Merkt overal, hoe o, e en oe worden geleerd: o, vorm van de mond, en kreet van de jongen, e geluid van 't schaap, oe van de koe.
Al de andere worden van woorden op 't gehoor geleerd.
Zo is een klankmethode.
U prate eerst een beetje over het prentje, b.v. van de os. Zeg dan langzaam os, dan hoort het kind wel de twee deeltjes o en s.
Enzovoort.
Die klankmethode was in Nederland, bekend door de befaamde Aap-noot-mies-leesplank van 1905, veel gebruikt. In Zuid-Afrika was ze nieuw en niet iedere onderwijzer(es) nam, ondanks de boekjes van Van Rijn, de klankmethode over. De afdeling Kaapland van de Zuid-Afrikaanse Onderwijzers Unie vroeg daarom in 1912 het Kaapse Departement van Onderwijs een vakantiecursus te organiseren om te leren 'de eerste beginselen van de hollandse taal te onderwijzen met de klankmethode'. Na enige tijd maakte het Departement bekend, dat Mej. Schroder van de Opleidings-College Grahamstad die cursus zal gaan geven (mej. A.E. Schroder was een te Amsterdam geboren en opgeleide en al jaren aan de Kaap woonachtige onderwijzeres).55
Van Rijns leesboekje was het begin van een hele reeks: Gemakkelijk [soms Nieuw] leesboek voor Standaard I ('Het eerste in Zuid-Afrika, dat van de huistaal - de spreektaal uitgaat'); II, III, IV en V, VI - de laatste delen onder de naam van Het zoele zuiden. Later kwam er een Kleine spraakkunst voor St. IV, V of VI.56 Dat was trouwens een Nederlandstalige uitgave van de eerder verschenen A new Dutch course. Elementary grammar for Sts IV and V; idem V and VI57 en Advanced Dutch Grammar.58 Hoe sterk hij ook tegen de dominantie van het Engels was, Van Rijn erkende dat de Afrikaanse kinderen Engels moesten leren. Zijn boekjes gingen uit van de gelijkwaardigheid van beide talen en bood ook de mogelijkheid om Engels sprekenden goed Nederlands te leren. Vandaar de omschrijving van de Advanced Dutch Grammar: 'alleen de regels zijn in 't engels, de toepassing niet'. Hij volgde de behoeften van het onderwijs en liet steeds weer nieuwe leerboekjes verschijnen, ook voor volwassenen die ambtenaarsexamen wilden doen of universitaire studies volgen, en die beiden landstalen moesten beheersen.59
7. De nieuwe spelling
Dat Van Rijn uit het dal kwam en zelfs financieel onafhankelijk werd, dankte hij vooral aan de Nieuwe Spelling én de lagere drukkosten in Nederland: 'ik stuurde de spaarpenningen, die ik nog had naar Nederland en liet mijn Advanced Dutch Grammar60 drukken - ik ging vooruit'.61 Die lagere drukkosten had hij ontdekt toen hij in 1905 Nederland bezocht, 'Aanvankelijk gaf ik niets om winst. Om geld. Ik werkte alleen uit haat tegen de Engelsen, voor de opleving van 't Hollands'..62 Nu dwongen de omstandigheden hem commercieel te worden.
Van Rijn was lid van de Zuid-Afrikaanse Taalbond, die sinds 1890 het gebruik van de Nederlandse taal stimuleerde, onder meer door een examen en premies voor leerlingen. In de praktijk van zijn onderwijs had hij al snel begrepen, dat de spelling, de naamvallen en andere archaïsche taalkundige elementen van het Nederlands belemmeringen waren, zodat Zuid-Afrikaanse kinderen liever Engels dan Nederlands kozen. Hij nam daarom deel aan het congres dat de Taalbond in december 1904 in Kaapstad belegde en de Vereenvoudigde Spelling-Kollewijn invoerde.63 Direct begon hij enthousiast met de uitgave van een reeks taal- en leesboekjes in de nieuwe spelling - begin 1906 verscheen, naast het boekje voor het leesonderwijs, ook Het Nieuwe Taalboek met 158 oefeningen en 2000 uitdrukkingen!64 Ook was hij bezig met de samenstelling van een Dutch-English and English-Dutch Dictionary for South Africa and Europe in the Simplified (Kollewijn) Dutch Spelling.65 Tijdens zijn bezoek aan Nederland in 1905 had hij afspraken gemaakt met uitgeverij G.B. van Goor en Zoon te Gouda over het gebruik van Van Goors Kramers Woordenboek.66 G.B. van Goor Sons werd dus ook de uitgever van die Dictionary, samen met T Maskew Miller in Kaapstad. Bijzonder was de Dictionary niet alleen door de Simplified (Kollewijn) Dutch Spelling en in de Second part the pronunciation, maar vooral ook door de opgave van the Common Cape Dutch Words. Van Rijn was geen voorstander van de vervanging van het Nederlands door het Afrikaans, maar hij erkende dat men in Zuid-Afrika allerlei (Afrikaanse) woorden gebruikte, en die Kaapse woorden waren volgens hem ook gewoon Nederlands. Hun opname in de Dictionary was desondanks een feitelijke erkenning van het Afrikaans.
Karel Schoeman gaf in Merksteen een mooi beeld van 'die wêreld van die Nederlanders 1905-1945' in Zuid-Afrika, vol onderwijzers, schrijvers en uitgevers, en die op het congres van de Taalbond in 1904 een 'desperate poging om Nederlands aan te pas en aanvaarbaar te maak', maar 'in werklikheid 'n erkenning van die feit dat dit geen lewensvatbaarheid meer besit het nie '.67 Zij zagen de oplossing in taalvereenvoudiging en nieuwe spelling en schrijvers en uitgevers (onder de eersten noemde Schoeman Van Rijn) leverden een golf van correcte schoolboeken voor enthousiaste onderwijzers. En 'ook 'n klein literêre opbloei plaasgevind waarin daar ywerig skeppende werk in Nederlands voortgebring is'.68 Schoeman had gelijk, de Afrikaners kozen voor het Afrikaans en veel betrokken Taalbonders erkenden dat vroeger of later ook zelf onvergingen tot het Afrikaans. Maar het is niet onbelangrijk te beseffen, dat de vijand in 1904 het machtige Engels was en dat tegenstanders meenden dat alleen de gevestigde Nederlandse cultuurtaal sterk genoeg was om de strijd met succes aan te gaan. Het Afrikaans was zwak en nog onvolwassen, bezat geen officiële status (Engels en Hollands waren de wettelijke onderwijstalen tot 1918/25); ook veel Afrikaners kozen voor het Nederlands. Zoals Van Rijn in 1914 schreef: 'Hier in de Kaapprovincie is een vrij sterke afkeer om het Afrikaans officieel te maken, natuurlik het sterkst in die plaatsen, waar eens zuiver Nederlands werd gesproken: Stellenbosch, Parel, Wellington'.69
Van Rijns Dutch-English and English-Dutch Dictionary / Hollands-Engels en Engels-Hollands woordenboek voor Zuid-Afrika en Europa verschenen in 1908.70 In datzelfde jaar verschenen (bij JC Juta in Kaapstad) een Beknopt Nederlands woordeboek voor Zuid-Afrika en een English-Dutch and Dutch-English Dictionary (Simplified Spelling), beide verzorgd door Hubertus Elffers en WJ Viljoen. Volgens HJJM van der Merwe (in de biografische schets van Elffers) heeft dat laatste ' 'n hele geslag lank groot invloed uitgeoefen en naas die vertalende woordeboek van CJ van Rijn op die skole alleenheerskappy' had, terwijl M.J. Posthumus in zijn biografische schets van Van Rijn stelde dat diens woordenboek 'jare lank n aanvraag wat slegs dié vir die woordeboek van Elffers en Viljoen naasteby haal'. Hij ging voort met: 'Soos Elffers, doen ook Van Rijn mee aan die uitgee van Nederlandse boeke wat vir die openbare eksamens voorgeskryf is, met inleidinge en verklarende aantekeninge'.71 Van der Merwe aan zijn kant: 'Elffers gee benewens sy eie skoolboeke, ook 'n hele aantal Nederlandse voorgeskrewe boeke uit (onder meer van PJ Andriessen, De Génestet, Beets, Justus van Maurik en Hendrik Conscience) met verklarende aantekeninge en inleidings vir gebruik in Suid-Afrikaanse skole'. Twee opmerkelijke parallelle teksten, die echter heel wat vragen oproepen. De eerste is: waarom werkten Van Rijn en Elffers/Viljoen niet samen? De heren Van Rijn, Viljoen en Elffers kenden elkaar, Viljoen was te gast bij Van Rijn (1907). Spraken ze over hun werk? Wilden zij afspraken maken of waarom lukte dat niet?72 De tekst van Van der Merwe geeft duidelijk de indruk dat Elffers voorop liep en Van Rijn onder zijn schaduw stond. Inderdaad, Elffers schreef al schoolboekjes, toen Van Rijn nog lang niet in Zuid-Afrika was en hij geldt ook in de historiografie 'de man die Zuid-Afrika Nederlands leerde'.73 En WJ Viljoen was de grote man achter de Taalbond, die op een congres in december 1904 de vereenvoudigde spelling invoerde en dat Viljoen opdracht gaf een bijgepast woordenboek samen te stellen.74 Inderdaad, Van Rijn en Elffers/Viljoen publiceerden dezelfde soorten boeken, Van Rijns meestal enkele weken eerder dan die van Elffers/Viljoen, en beiden vonden een goed marktaandeel.75 Volgens Van der Merwe begon Elffers met de uitgave, met aantekeningen, van voorgeschreven Nederlandse literatuur. De door mij geraadpleegde universitaire catalogi laten zien dat Van Rijn in 1909 begon met uitgave van die werken, met aantekeningen, inleidingen en verklaringen, soms zelfs met opdrachten. Elffers gaf vanaf 1911 (tot 1921?) diezelfde titels uit. Vermoedelijk met de aantekeningen van Van Rijn, zoals van enkele duidelijk is. Het lijkt ook, dat zij soms hetzelfde boek uitgaven maar elk onder eigen naam. Hoe hun samenwerking verliep, is mij onbekend, maar het betrof enkele tientallen titels.76
8. Afrikaans en Nederlands
Het Afrikaans was in wezen goed Nederlands, wist Van Rijn. In januari 1906 gaf hij een 'Hollandsche cursus. ... Er werd les gegeven in Kaapsch-Hollandsch ... er volgden 35 volwasschen Engelsen. ... Het was hem [Van Rijn] om verbreiding van het Hollandsch te doen'.77 In 1907 schreef hij in Ons Land (Kaapstad) een artikeltje over het repertoire van het Slamse muziekcorps op het Kaapse carnaval: echte, oeroude Hollandse liedjes.78 Als 'Een bevoegd beoordelaar schrijft ons uit Kaapstad' publiceerde De Volkstem (juli 1908) een artikeltje van hem over 'Kaaplands Onderwijs anti-Hollands': een heldere beschrijving van zijn visie op de relatie en betekenis van Hollands en Afrikaans:
't Is een onloochenbaar feit, dat de noordelike Staten met hun hollandse atmosfeer - dankzij een halve eeuw - 'n sterke invloed op 't hollands in onze tamelik verengste [sic] Kaapkolonie uitoefenen. De oorlog verbrak de grenzen - en reeds gedurende de rampzalige kamp gevoelden we hier een verkwikkende wind over 't hollands waaien. Bladen als "De Goede Hoop" en "De Unie" werden een behoefte; kollege-tijdschriften zgn. "Quarterlies" kregen hollandse kolommen. Tal van onderwijzers kwamen in de K.K. werkzaam uit 't Noorden, die hun omgeving verbaasden, doordat zij een breed hollands vokabulair hadden en over allerlei wetenschappelike zaken konden redeneren en diskussiëren in 't hollands, zonder telkens gaten te stoppen met engelse lappen. Dat waren Kaaplandse mannen, die in Transvaal hun hollands hadden gelouter en uitgebreid."79
In een brief aan HJ Emous van 7 december 191080 meldde Van Rijn dat hij de Universiteit van Kaapstad had gevraagd om het MA-examen te mogen afleggen, op grond van zijn hoofdakte en andere diploma's en een leven van studie en onderwijs, terwijl zijn Praktiese Hollandse Spraakkunst81 een werk van zelfstandig onderzoek was over tal van taalverschijnselen. Zijn verzoek werd afgewezen, hij moest eerst BA-behalen, en daar vóór Latijn leren en matriculation examen afleggen. Hij was duidelijk geërgerd: een Engelse onderwijzer die alleen een onderwijzers akte had, was in 1903 de doctorsgraad gegeven 'omdat hij in zijn vrije tijd de sterren en het weer bestudeerd had en er over geschreven had'!
Ik heb natuurlik geen plan om nu nog voor universiteits ex[amens] te gaan werken. Liever zal ik nu eens een boekje gaan opstellen in de geest van de dissertaties van Dr. Hoogenhout (Straatsburg), Dr. Viljoen (id.), Dr. le Roux (A 'dam), Dr. du Toit (Gent),82 van 't Kaaps, maar dan niet de verschillen behandelen tussen 't Kaaps en 't Nederlands, maar de treffende overeenkomst met de Nederlandse volkstaal; 't is een aanlokkelik werk, ik heb hoopen stof verzameld. Zo nu en dan gaf ik iets aan de koeranten en mocht dan altijd van de Afrikaners horen: Is dat waar? Als wy perd zeggen voor paard, en furk voor vork, enz. is dat nog Hollands? En dat wij nooit zich gebruiken, of men of zij (3e pers. mvt nv), is dat omdat de nederl. volksklasse die woorden ook gewoonlik niet gebruiken? En honderd meer. Zo'n boekje zal de Afrikaner een nieuw ander licht laat [op]steken. Hij gelooft, dat zijn taal, zo verschillend van de Bijbel, verkafferd, verslamaaierd is!'
Die laatste woorden was een plat volkse verwijzing naar de theorie, dat het Nederlands Afrikaans was geworden door creolisering en de Maleis-Portugese slaventaal.83
Ruim een jaar later, in maart en april 1912, gaf Van Rijn in de Grote kerk te Kaapstad en in Observatory een lezing over 'het Nauwe Verband tussen het Afrikaans en het Hollands'. Daarna bezocht hij Europa.84 Die lezing, 'tot in kleine Biezonderheden uitgewerkt, Voor onderwijzers, Predikanten en alle Belangstellenden' liet hij in 1913 drukken: Het zeer nauwe verband tussen het Afrikaans en het Nederlands, vooral voor onderwijzers, verkrijgbaar bij alle Boekhandelaren in Zuid-Afrika en anders bij CJ van Rijn, Universiteitstr. 4, Kaapstad.85
9. Het zeer nauwe verband
Op 19 september 1913 schreef hij over'mijn boekje over 't Afrikaans, dat nu wel van de pers zal zijn'. Het was een boek van zo'n 125 bladzijden geworden, en het moest de lezers overtuigen, 'dat het Afrikaans een geheel Hollands product is, dat nergens ook maar de geringste'invloed ondervonden heeft van 't Maleis-Portugees, noch van 't Frans, noch van een slavetaal'.86
Van Rijns boek had dus een boodschap, was polemisch, soms scherp en steeds uitdagend. Want het Afrikaans is volgens Van Rijn goed Hollands - zeventiende-eeuws gesproken plattelands Hollands, lang in isolatie ontwikkeld volgens de lijnen van de Hollandse taal. Geen Hollander sprak noch spreekt mensen maar mense, noemt een paard perd, etc. De isolatie waarin de Boeren lang verbleven betekende ook dat de courant niet krant maar ko[e]rant bleef. De slaven kwamen in een nieuwe omgeving, en zij moesten, net als jonggeboren kinderen, de taal van de omgeving leren en spraken een arm, krom taaltje - Hollands, maar niet een mengeltaal. Natuurlijk, het Afrikaans van 1914 kent veel leenwoorden, want het heeft de betrokken zaak via het Engels leren kennen. Of uit het Hoog-Hollands van nu. Het Afrikaans van veel mensen moet nu bij de tijd gebracht worden (zoals zijn krantenartikeltje uit 1908 reeds aangaf). Maar wees trots op het Afrikaans, echt Hollands!87
De reacties op Het zeer nauw verband waren uiteenlopend. Diverse Nederlandse kranten en bladen maakten in oktober 1913 melding van de verschijning ervan. Het dagblad Het Vaderland gaf zelfs, op 9 en 10 oktober 1913, beide keren twee, drie kolommen lange samenvattingen van 'het voortreffelijke boekje'. De letterkundige Herman Robbers schreef in Elseviers Maandschrift (1914): 'het is bijna niet te lezen. Er zijn (bladzijden) die doen denken aan futuristische schilderijen! Aan een ganzenbord - zóo moet men bij lectuur van boven naar onder springen, en vice versa! Typografisch is het een monstrum horrendum! Al dat verschil in klemtoon, grote en kleine lettertypes, grafische tussendoortjes en verwijzingen, al die noten: was Van Rijn misschien bang dat zijn boekje er anders niet genoeg geleerd zou uitzien?' Maar, erkende Robbers: 'En toch vind ik het een aardig en heel nuttig boekje' omdat Van Rijn aantoont dat het Afrikaans ' hollands is en dat nederlandse karakter zuiver heeft bewaard, misschien nog wél zoo zuiver als ons europeesche nederlandsch zelf.88
Op 6 december 1913 schreef Van Rijn aan Mansvelt: ' 't boek gaat uitstekend. De Hoog Eerw. Heer Prof. Dr Marais (St.) en Dr. Malan (Graaff R.) hebben me reeds met een bezoek vereerd en gecomplimenteerd. Recensies zijn er nog niet, behalve van Vader Stucki in De Unie, die heel handig zegt wat ik wenste. Volkstem, Brandwag, O. Land vroegen me één maand (of tijd) om het ''rijke boek''goed door te gaan. Wat de C. Times zeggen zal? Gif en gal zeker. Ik wenste wel, dat U of Uw Vereeniging [Fonds voor Hollandsch Onderwijs in Zuid-Afrika] wenken gaf hoe ik de tweede druk kan verbeteren. Uziet mijn streven is in het boek zeker zeer duidelik: (1) Engelsman, hou je handen thuis! (2) Afrikaner, heb je Afrikaans lief! Leer Nederlands, neem het natuurrecht voor je kinderen (moedertaal onderwijs).89
En op 9 mei 1914: 'Mijn boek over het Afrikaans is warm ontvangen. Ik moet in Oct. een 2e druk klaarmaken. Daar zullen vele grote veranderingen in komen. ... Mijn boek heeft mij geleid tot veel nalezen. Hoe meer ik echter lees, hoe meer ik moet lezen, zo kan ik nergens vinden: 'Den gewaenden weuwenaar met het bedrogen kermiskind'. Naam van schrijver wordt niet genoemd. Het stuk speelt te Utrecht. Het wordt genoemd in Dr. P.J. du Toit, Afrikaanse Studies, voorin (Dr. Paul Frederique vertelde Du Toit dat in dit stuk het 2de nie voorkomt). Misschien zou ik het uit de Amsterdamsche Universiteits Bibliotheek kunnen krijgen. U zeker als ik 't mocht hebben was 't in 6 weken heen en terug'.90 Mansvelt legde Van Rijns vraag voor aan twee Neerlandici met kennis van dat geschrift (een schotschrift uit 1711 tegen professor Burman te Utrecht), dr. J. van Ginneken en prof. J. te Winkel. Van Ginneken bevestigde dat die dubbele ontkenning twee keer staat in het pamflet, dat het in een noordwest-Veluws dialect geschreven was, en het Afrikaanse sjoon in plaats van schoon wel Duitse invloed kon zijn.91Te Winkel bevestigde dat de dubbele ontkenning in de Nederlandse dialecten voorkwam, maar sporadisch; hij wees vooral op de rol van het Hollands in Zuid-Holland voor het Afrikaans.92
Van Rijn kreeg telkens nieuwe gegevens voor correctie of versterking van de tekst van zijn boek. Enthousiast krabbelde hij op 11 september 1914 op een briefkaart aan Mansvelt: 'PS Ik heb [in april] in de Library een boekje [geschreven door de Lima] ontdekt over de Hollandse Taal te Kaapstad in 1844, hoog interessant; ik heb er [einde Juli] al een lezing over gehouden in de Chr. J. Vereen alhier. Die uitvoerige lezing komt in 2 bladen, Die Brandwag en 't Geref. Maandblad. In 1844 spraken de burgers te Kaapstad nog zuiver Nederlands, net als ik in mijn boek over 't Afrikaans op vele gronden aangewezen heb'.93
Toen Van Rijn dat schreef, was de Grote Oorlog tussen Duitsland en Engeland net begonnen. Zal Nederland onafhankelijk blijven? Hoe zeker zal het postverkeer blijven? Van Rijn zag geen mogelijkheid om veilig een herziene uitgave in Nederland te laten drukken (Kaapse drukkers konden het niet, wist Van Rijn). Dus pas tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog, op 12 februari 1918, schreef hij er weer over aan Mansvelt: Mijn 1000 eks. Afrikaans zijn zo goed als uitverkocht. De 2e druk wordt een grote arbeid door de nieuwe stof, die uitgekomen is (Lees slechts de beoordelingen en opinies). Ik heb van geen boek meer plezier gehad. De 2e druk kan slechts komen na de oorlog, daar ik van zoveel werk geen duplicaat kan maken'!94 Een half jaar later: Ja, het boekje over Afrikaans heeft veel licht gebracht, de Afrikaners vertrouwen gegeven en de C. Times c.s. er toe gebracht niet meer met onze taal te spotten. Als ik nu maar tijd kan vinden om de massa stof voor de 2e druk te verwerken! Doch (helaas) de vrede schijnt ver af en zo'n boek kan niet hier gedrukt worden. Natuurlik zal ik in de 2e dr. alle scherpe punten afvijlen'.95 Er kwam vrede, maar met nieuwe problemen. Er is geen tweede druk verschenen.
Het zal duidelijk zijn, dat de hiervoor genoemde positieve kranten en geïnteresseerden betrokken pro-Boeren en Afrikaner nationalisten waren, geen taalgeleerden. Dr. G. Besselaar was voorzichtig: Van Rijn ' draagt stof genoeg aan voor dieper studie van deze kant van dit belangrijk onderwerp'.96 Het blad van de Vereniging voor Vereenvoudiging (van de spelling), waarin de hoogleraar taalkunde C.G.N de Vooys een grote rol speelde, gaf in februari 1914 een korte aankondiging: De auteur van Het zeer nauwe verband tussen het Afrikaans en het Nederlands stelt dat het Afrikaans geen mengeltaal of bastaardtaal maar Hollands in hart en nieren is. De invloed van het Maleis-Portugees, door D.C. Hesseling aangetoond, wordt door hem [van Rijn] verworpen."97 Kan men iets dat aangetoond is, verwerpen? De redacteur van de Vereenvoudiging wist waarschijnlijk, dat de Nieuwe Taalgids kort erna een recensie van de hand van D.C. Hesseling zou publiceren. Hesseling wees 'de nieuwe theorie over 't ontstaan van het Afrikaans van Van Rijn ('de vereenvoudiging van het Hollands tot Afrikaans in isolement') af: ze is in strijd met wat de geschiedenis leert. En de slaven spraken zelfs in 1778 nog overwegend maleis-portugees, en ook creolisering had een rol, naast andere taalverschijnselen. Van Rijn drijft door, door zijn eigen meningen in absolute vorm te geven en die van anderen geheel af te wijzen.98 Hesseling schreef wel, dat Van Rijn 'heeft te recht zich veel moeite gegeven om aan te tonen dat de woordenschat van het Afrikaans voor het allergrootste deel van Hollandse oorsprong is; Engelsen en Afrikaners worden misleid door de taal die wij schrijven, en weten niet hoe veel woorden die men in Afrika voor inheems houdt bij ons heel gewoon zijn '.99 C.G.N de Vooys kon, verwijzend naar wat Hesseling had geschreven, het kort houden: Van Rijns Het nauwe verband was dilettantisch en onjuist.100
Tegen de achtergrond van het dédain van de Engelsen van het 'kombuistaaltje' Afrikaans, heeft de inzet van een rijk en zuiver Hollands door Van Rijn, Viljoen en anderen bijdragen tot het aanvaarden van het Afrikaans, stelde Jaap Steyn later: 'Verskeie van [Van Rijns taal-boeken], ook in Engels, het baie bygedra tot die verspreiding van hollands en 'n beter begrip van Afrikaans'.101
In een recent artikel stelde Hamans: Afrikaans: a language where ideology and linguistics meet. Volgens hem was Van Rijn een racist, gezien zijn protest tegen de erkenning van de bijdrage van de slaven en Khoikhoi aan het Afrikaans.102 Ideologie en taal hebben te maken met elkaar, zeker inzake het Afrikaans, maar mag Van Rijns boek zo simpel afgeschreven worden? Van Rijn geloofde in de superioriteit van de cultuur en taal van het Westen. Zoals alle Europeanen van zijn tijd, en zeker ook de Engelsen, die bovendien ook nog geloofden, dat de Engelse taal superieur boven alle andere was. Van Rijn was een Nederlander, die de Engelse superioriteit ontkende - zijn Nederland en Nederlands waren minstens eigenwaardig. En hij was een Nederlandse schoolmeester, die de kinderen Algemeen Beschaafd Nederlands moest leren, de taal van de Nederlandse natie en cultuur, wat voor dialect of streektaal - of Afrikaans Hollands - zij ook thuis spraken.103
10. Trouw aan het Nederlands
Van Rijn correspondeerde na 1905 regelmatig met dr. N Mansvelt, die behalve bestuurslid was van het 'Fonds ten behoeve van het Hollandsch Onderwijs in Zuid-Afrika' en secretaris van de Zuid-Afrikaanse Voorschotkas, die voorschotten en leningen gaf aan mensen die naar Zuid-Afrika emigreerden, onder wie ook onderwijzers en onderwijzeressen. Velen meldden zich na aankomst in Kaapstad bij Van Rijn, die hen wees op logiesadressen, reisgelegenheid of mogelijkheden tot een sollicitatie op scholen in wijde omgeving. Met als gevolg dat ' Tal van Nederlanders zijn door mij in de Kaap-Kolonie aan 't werk gekomen. De Nederlandse onderwijzers, die uitkomen, (komen) allemaal bij mij of (S.J. van Beest) Van Andel, de vertegenwoordiger van de NZAV 104 en na Van Andels overlijden bij consul J. Loopuyt (van wie Van Rijn geen hoge dunk had).105 Van Rijns brieven gingen dikwijls over die onderwijsmensen, soms in heel wat jaren van hun loopbaan. Van Rijn had ook contact met veel andere Hollanders aan de Kaap en hij was niet bang in zijn brieven zijn visie op hun persoonlijkheden en gedragingen door te geven.
Intussen was en bleef Van Rijn bovenal schrijver-uitgever van onderwijsmateriaal, herhaaldelijk ook samen met ervaren onderwijzers, zoals J.P.J. Roux,106 G.J. du Plessis,107 of F.C. Dominicus.108 Na en voor 1909 verscheen veel van zijn werk bij Maskew Miller, ook wel eens bij Darter, later ook bij J.C. Juta - wel een Hollandse uitgever, maar niet erg pro-Hollands en ook financieel aanvankelijk niet erg stabiel, schreef hij over die laatste.109 Hij hield de reclame en verkoop overigens grotendeels in eigen hand. Veel werk werd, al dan niet aangepast, herdrukt (de Praktische Hollandse spraakkunst ter voorbereiding voor de universiteits-, Taalbond-, onderwijzers- en civiele-dienseksamen 1911, kende bijvoorbeeld al in 1914 een 8ste druk!). En nog voordat het Afrikaans officieel aanvaard was (1925), liet Van Rijn (met medewerking van J.J. Botes) in 1921 Styl- en taaloefeninge in Afrikaans vir hoër skole verschijnen. Al erkende hij de plaats van het Afrikaans, hij bleef de noodzaak van goede kennis van het Nederlands beklemtonen. Toen uitgever Juta in 1926 (dus na de officiële erkenning van het Afrikaans) voor 10.000 Pond Sterling Hollandse (school)boeken vernietigde, klom Van Rijn boos in de pen en schreef een ingezonden in de Nieuwe Rotterdamsche Courant.110 Intussen werd hij een erkend en geslaagd uitgever. In 1939 was hij betrokken bij een tentoonstelling van Nederlandse literatuur in Stellenbosch, bestaande uit zijn eigen uitgaven.111
Om de zoveel jaren reisde Van Rijn naar Europa. 112 ' Weer ben ik hier in 't oude vaderland', schreef Van Rijn eind mei 1912 aan Mansvelt.113 De verhouding met zijn kinderen werden beter, meldde hij,114 maar zijn broer en zusters wilden hem niet ontvangen.115 Tussen alles door legde hij bij een bezoek aan Nederland met succes het examen MO-A Engels af en correspondeerde met het Haagse ministerie van onderwijs over zijn erkenning als vertaler in Zuid-Afrika (1912).116 In juli 1914, denkend aan zijn bezoeken aan Nederland, noteerde hij '1915 DV weef, en schreef zelfs over een mogelijke permanente terugkeer na zijn 65ste.117'Bleiswijk is als een kerkhof voor mij! Wat een zuur genoegen moet het zijn ons op m'n oude dag weer in 't Vaderland te gaan wonen! Ik denk er wel eens over. Voor mij zou het dubbel onaangenaam zijn, daar ik niets meer met de Roomse kerk gemeen heb en al mijn kennissen ( en familie!) Rooms zijn. Vrouw en ik gaan elke Zondag naar de "Moederkerk" alhier, doch alleen omdat de dienst (kwart voor 7 uur 's avonds) 30 jaar Engels geweest is (1 JaN '13 Holl. werd). Geloven kan ik niet, ik zou zeggen niets. Ik mag dat u zeggen, er zijn zeer weinigen die het weten. Het Opperwezen, in de Grote Bouwmeester (als de Vrijmetselaars zeggen) is me een raadsel, het Helaal [Heelal], ons Bestaan, alles is één raadsel. De Predikanten bezoeken mij geregeld: - 't zijn lieve mensen, wat schuw, - ze schijnen zelf niet wat te geloven. Er komen hier weinig Nederlanders in de kerk. Een Nederlandse dame gaat naar de Unitarian Church, gesticht door D.P. Faure 1865 (lees zijn "My Life and Time") , doch wat is 't verschil met onze kerk? Mijn vrouw gaat liever naar de Christian Science; "daar is warmte en vriendelik-heid", zegt ze. Ik houd haar niet tegen, doch naar onze 6.45 dienst gaat ze ook. 't Is heerlik voor 't gemoed - te geloven, doch de koude werkelikheid weerspreekt alles. Vandaan zoveel kliekjes hier: spiritisten, adventisten, teosofen, enz. Allemaal eén pot nat, dus - leve onze oude Hollandse kerk! Van hier werk ik, maak ik propaganda.
Drie maanden later woedde de Eerste Wereldoorlog. 'De meeste Afrikaners ten noorden van de Oranjerivier gunnen Engeland een goede kastijdingoorlog', schreef Van Rijn. Hier aan de Kaap is het Delenda est Germania! Wat zal er dan in West-Europa gebeuren? Barbarendom uit het Oosten? 'O, gave de godsdienst in deze tijd licht of steun!'118 De briefwisseling, zij wat gehinderd door de censuur, ging door. Tegen de wisseling 1916-17 schreef Van Rijn: 'voor 1917Pax humanibus, schitterend gezongen in R.k. kerken, vóór de Paus de strenge Palestijnse muziek verbood'.119
Meer dan veertig jaren leefde en werkte Van Rijn in Zuid-Afrika. Hij zette zich in voor de Hollands Afrikaanse taal en cultuur, als onderwijzer en uitgever, maar ook als actief lid van tal van organisaties, van het Koninginnefeest in Kaapstad 1905 tot lid van het Hoofdbestuur van de Suid-Afrikaanse Onderwijsers Unie, meer dan twintig jaren later. Als contactpersoon van het Fonds voor Hollands Onderwijs in Zuid-Afrika en de Zuid-Afrikaanse Voorschotkas gaf hij informatie en steun aan vele Nederlandse immigranten. Inderdaad, Van Rijn bleef veelszins een Hollander, het toenmalig Nederlands cultureel imperialisme was hem niet vreemd, inclusief een duidelijk anti-Engelse houding en visie op het (van creolisering vrije) Afrikaans als Nederlands, bolwerk tegen anglicering van Zuid-Afrika. Als onderwijzer en uitgever volgde hij de groei van het Afrikaans en droeg stap voor stap bij aan de wording van volwassenheid en emancipatie van vele mensen.
Van Rijns energie en trouw aan de Hollands-Afrikaanse taal werden mettertijd erkend. Ook zijn inventiviteit: toen hij in 1909 een reis op een Engelse boot naar Europa maakte, ontdekte hij dat de scheepsbibliotheek 2000 Engelse boeken telde, een tiental Duitstalige en 25 Franse boeken - maar geen enkele Nederlandstalige. Hij wees de rederij op dat gemis, en kreeg verzoek om een lijst van geschikte boeken voor alle schepen van de maatschappij op te stellen.120 In 1915 was Van Rijn betrokken bij de oprichting van Die Burger als adviseur en bleef krant en redactie volgen.121 In Sonop in die suide, de geschiedenis van Die Burger, haalde C.F. J. Muller een brief van Van Rijn aan, dat op 5 oktober 1929 in Ons Land gepubliceerd was en daarin precies de stand van moeizame zaken aangaf, waarmee Die Burger te maken had.122
In die tijd werd Van Rijn aanvaard, zelfs gerespecteerd. Het Algemeen Dagblad meldde op 20 april 1927 dat onder de in Nederland aangekomen buitenlandse gasten CJ van Rijn was, High School teacher, uitgever van een groot aantal schoolboeken, examinator van het Departement van Onderwijs te Kaapstad, lid van het Hoofdbestuur van de Zuid-Afrikaanse onderwijzers-Unie en secretaris van de Afrikaanse Wetenskaplike Vereniging.
In zijn testament bepaalde Van Rijn dat 500 Pond uitbetaald zal worden aan de eerste Zuid-Afrikaanse middelbare school of universiteit waar Nederlands als volledig vak zou zijn ingevoerd. Het werd in 1946 uitgekeerd aan de school in Zeerust (Transvaal), waar in 1942 Nederlands ingevoerd was.123
BIBLIOGRAFIE
Besselaar, Gerrit. 1914. Zuid-Afrika in de letterkunde. Amsterdam. [ Links ]
Bosman, DB. 1916. Afrikaans en Maleis-Portugees. Groningen. [ Links ]
Dominicus, FC. 1919. Het huiselik en maatschappelik leven van de Zuid-Afrikaner in de eerste helft der 18e eeuw. 's-Gravenhage: Martinus Nijhoff. [ Links ]
Dominicus, C. 1928. Het ontslag van Wilhem Adriaen van der Stel. Rotterdam: Nijgh & Van Ditmar's Uitgevers-Maatschappij. [ Links ]
Driel, L van. 2008. Ontheven aan de tijd. Linguistisch-historiografische iedeeën. Voor Jan Noordegraaf bij zijn zestigste verjaardag. Amsterdam-Münster. [ Links ]
Hesseling, DC. 1899. Het Afrikaansch. Bijdrage tot de geschiedenis der Nederlandsche taal in Zuid-Afrika. Leiden. [ Links ]
Hoogenhout, NM.1902. Untersuchingen zu Lodewijk van Velthem's Spiegel Historiael. Straatsburg. [ Links ]
Jansen, Ena. 2001. Afrikaans is ook Nederlands. Amsterdam, UvA. [ Links ]
Kloeke, GG. 1950. Herkomst en groei van het Afrikaans. Leiden. [ Links ]
Lima de Suasso, J. 1844. De taal der Kapenaren. Kaapstad [ Links ]
Muller, CFJ. 1990. Sonop van die suide. Kaapstad: Nasionale Boekhandel. [ Links ]
Roux, TH le. 1910. Beschrijvende klankleer van het Afrikaans. Leiden. [ Links ]
Schoeman, Karel. 1998.Merksteen,'n Dubbelbiografie. Kaapstad. [ Links ]
Steyn, JC. 1980. Tuiste in eie taal. Die behoud en bestaan van Afrikaans. Kaapstad. [ Links ]
Toit, PJ. du. 1905. Afrikaansche studies. Gent. [ Links ]
Van Eden, P. 1995. Afrikaans hoort bij Nederlands. Tervuren. [ Links ]
Viljoen, WJ. 1896. Beiträge zur Gechichte der Cap-Hollandsche Sprache. Straatsburg. [ Links ]
Vooys, CGN de.1908. (Schets van de) Geschiedenis van de Nederlandse taal. Utrecht. [ Links ]
Zietsman, PH. 1992. Die taal is gans die volk. Pretoria. [ Links ]
Ontvang: 2024-11-13
Goedgekeur: 2024-07-22
Gepubliseer: September 2025
1 Of1941, zoals PJNienaber stelde in SESA 11 (1975) 171-172 en elders.
2 In SABW I (Kaapstad 1968) 875 staat onjuist Antwerpen.
3 Pieter Cornelis, geb. Kaapstad 19.12.1914. Op 16.5.1947, gescheiden van Stephanie Kathleen Murphy, trouwde hij te Baarn [Nederland], klerk bij een electriciteits bedrijf in Kaapstad, vader overleden, moeder Hilke Hartman leeft in Kaapstad, met Johanna Huiskes (23) uit Voorst.
4 JC Steyn, 'Nederlandstaliges se bydraes tot die behoud en erkenning van Afrikaans 1870-1920', Tydskrif vir Geesteswetenskappe 54, 3 (2014) 435-445; Camiel Hamans, 'Afrikaans: a language where ideology and linguistics meet', Scripta Neophilologica Posnaniensa 21 (2021) 45.
5 Steyn, Tuiste in eie taal.; Zietsman, Die taal is gans die volk.
6 Gerda Odendaal, 'Die rol van die US se Departement Afrikaans en Nederlands in die ontwikkeling van die Afrikaanse leksikografie: Die Nederlands-Afrikaans-stryd gedurende die aanvangsjare', Ts. vir Geesteswetenskappe 56, 1 (2016) 257-276.
7 Christo van Rensburg, 'Oor die eerste 50 jaar se maak aan Standaardafrikaans: navorsings en oorsigartikels', Tydskrifvir Geesteswetenskappe 55, 3 (2015) 319-342.
8 Schoeman, Merksteen,305.
9 Die correspondentie is gedeeltelijk in 2016 gedigitaliseerd en in 2024 geïnventariseerd: Zuid-Afrika Huis, Amsterdam, Archief: 018 Fonds voor het Hollandsch Onderwijs in Zuid-Afrika (FHO), inv. nrs 411, 577; Archief 03 N Mansvelt, inv. nrs 9-11, 20-21; 023 Archief HJ Emous (mE) inv. nr 327.
10 FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt, Kaapstad 19.9.1913.
11 Maria Cornelia Kaatee (Haarlem 22.12.1857-19.2.1923 Arnhem); kinderen: 1. Alida Mathilda (Nw Amstel 25.4.1888-1888); 2. Alida Petronella (Heemskerk 15.7.1889- ); 3. Petrus (Heemskerk 14.6.1890-12.3.1963, x22.10.1929 Arnolda Tjebbes, gesch., xx Johanna Reindina Wijers, gesch.; ambtenaar); 4. Maria (Loo 7.2.1892-); 5. Johanna Maria (Loo 19.5.1893-25.7.1952 Arnhem, x Charles Edward van Haastert; onderwijzeres).
12 Akte Wiskunde: brief: FHO 411, Loo, CJ van Rijn aan HJ Emous 25.2.1897; lid van 'Physica': FHO 411 J.H. Müller, Aanbeveling 12.3.1897, 13.10.1897.
13 Opstel 'Driven from home', bijlage bij brief van CJ van Rijn aan HJ Emous, Loo 20.9.1897 (ME 327).
14 EM 327, Brief aan HJ Emous, 12.8.1898.
15 FHO 411, Brief van C.J van Rijn aan FHO, Loo 16.7.1906.
16 FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt, Kaapstad 19.9.1913.
17 ME 327, CJ van Rijn aan HJ Emous, Loo, 12.9.1896
18 Driepas (Historische kring Duiven-Groessen-Loo) jrg 26, 2 juli 2009, p. 17.
19 Fonds 411, CJ van Rijn, Loo 17.7.1896.
20 Fonds 411, CJ van Rijn aan HJ |Emous, Loo 16.7.1896.
21 EM 327, CJ van Rijn aan HJ Emous, Loo; 24.5.1898, ook FHO 411, Van Rijn 28.10.1898.
22 EM 327, CJ van Rijn aan HJ Emous, Loo 24.5.1898.
23 EM 317, CJ van Rijn aan HJ Emous, 14.11.1898; FHO 411, 20b Ds. C Beets, Arnhem 14.11.1898.
24 EM 327, De Evangelische Maatschappij, opgericht in 1853 ter bestrijding van ulramontanisme en verspreiding van kennis van de vaderlandse geschiedenis, 20.9.1897.
25 EM 327, CJ van Rijn aan HJ Emous, Loo 20.10.1898.
26 FHO 411, CJ van Rijn aan HJ Emous, Loo.juli 1898.
27 EM 327. CJ van Rijn aan HJ Emous, Loo 14.11.1898.
28 EM 327, CJ van Rijn aan HJ Emous, Wonderfontein 16.4.1899. Emous weigerde het laten afdrukken.
29 Dezelfde brief.
30 EM 327, CJ van Rijn aan HJ Emous, Cape Town 19.10.1899.
31 FHO 411, 20.7.1896.
32 Nieuw uit Engeland gekomen.
33 Vermoedelijk: zij kenden de boeken van T Terwey en Mü Koenen over de Nederlandse spraakkunst.
34 EM 327, CJ van Rijn aan HJ Emous, Kaapstad 5.9.1899.
35 FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt, 19.9.1913.
36 FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt, 19.9.1913.
37 FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt, 19.9.1913; stilhouden was verstandiger, zei dr. R. Fruin Jr hem.
38 FHO 411, 29 CJ van Rijn aan N Mansvelt, Parijs 19.6.1912, zie ook 19.9.1913.
39 'Volgens het bestuur van het Fonds voor het Hollands Onderwijs in Zuid-Afrika was Van Rijn om Kaapstad 'zeer gezien' (Fonds, Staat van Onderwijzers 15.6.1902 No. 3 (Amsterdam 1902) 15.
40 FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt,19.9.1913. Onduidelijk is waarvan hij werd veroordeeld.
41 Dezelfde brief.
42 FHO 411, 32 CJ van Rijn aan HJ Emous, 19.9.1913.
43 Over het verlies van die vaste baan ook een brief FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt 19.5.1912.
44 FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt 19.5.1912 en 19.9.1913.
45 EM 327, CJ van Rijn aan N Mansvelt, 22.7.1908.
46 FHO 411, CJ van Rijn aan HJ Emous, 19.9.1913.
47 FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt,19.9.1913. Hilke Hartman, geboren 15.7.1883 Nieuw Beerta, vader arbeider, moeder dagloonerse. Hilke leefde nog toen hun zoon in 1947 hertrouwde.
48 EM 327, CJ van Rijn aan HJ Emous, Kaapstad 22.7.1908.
49 FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt, 19.9.1913.
50 Er werd zelfs een ingezonden berichtje van hem opgenomen in het Britse medische tijdschrift The Lancet vol. 168 1906-08 (4328) p.398 'Medical Practice in SouthAfrica and its complications'.
51 EM 327, CJ van Rijn aan HJ Emous 22.1908.
52 FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt 19.6.1912.
53 Dr. N Mansvelt stelde het Fonds-bestuur voor, ook Van Rijn die schuld geheel of gedeelte te schenken: kanttekening d.d.19.11.12 op de brief van Van Rijn aan N Mansvelt, FHO 411, 19.6.1912.
54 Het eerste (tweede, derde) boekje (met plaatjes) voor het lees- en schrijfonderwijs in school en huis in Zuid-Afrika (Kaapstad: T. Maskew Miller, 1906; iv +48p./48p/56p.). Geïll.
55 Neerlandia 16 (1912) 36 'Hollandsche hulp ter voorbereiding voor onderwijs'; p.207 'De Klankmethode bij het onderrecht van het Hollandsch'.
56 Kaapstad: T Maskew Miller 1911, 103 p.
57 Cape Town: T Maskew Miller 1906, 1921.
58 Cape Town; T Maskew Miller 1906.
59 Praktiese Hollandse spraakkunst voor de universiteits-, Taalbond-, onderwijzers- en civiele dienst examens (Kaapstad T Maskew Miller 1906); Officieel Hollands van de civiele dienst eksamens, en van die voor beëdigd vertaler; eksamenopgaven met aantekeningen enz, en verder prakties Hollands van de militaire eksamens, die van de Bankiersvereniging en van de Londense Kamer van Koophandel (Pretoria, T Maskew Miller 1911).
60 Advanced Dutch Gammar, voor St. VII en hogere, door CJ van Rijn. Alleen de regels zijn in 't Engels, de toepassing niet. Nieuwe spelling.
61 FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt 19.9.1913.
62 Dezelfde brief.
63 Zietsman, Die taal is gans die volk, 84-110; JC Steyn, 'Die laaste projek van die 'Hollandse taalbeweging in Suid-Afrika": Die Vereenvoudigde Hollandse Spelling', Ts vir Geesteswetenskappe 57, 2 (2017) 233-248; Steyn vermeldde het werk van Elffers en Viljoen, niet dat van Van Rijn.
64 Het Nieuwe Taalboek met 158 oefeningen en 2000 uitdrukkingen; daarin opgave van andere boeken: Advanced Dutch Grammar en dito Hollandse spraakkunst; Een Honderdtal grammer exercises en een leesboek met platen Het Zoele Zuiden (de laatste twee samen met de J.P. J. Roux, docent in Somerset Oost); Een Vertaalboek: de examen opgaven van de Civiele Dienst met talrijke aantekeningen, vragen en verwijzingen; samen met P. J. du Plessis A new Dutch Course, deel I Grammar, deel II Reader and Exercises; Eerste/Tweede en Derde Leesboekje.
65 W. Gericke, 'Vroeë woordelyste en woordeboeke in verband met Afrikaans', Lexicos 1, 1 (1991) 105-112.
66 Van Rijn stuurde HJ Emous een ansichtkaart van de ouderlijke boerderij te Bleiswijk (EM 327, 22.6.1905).
67 Schoeman, Merksteen, 304.
68 Schoeman, Merksteen, 305.
69 FHO 411, 46b CJ van Rijn aan N Mansvelt 26.9.1914.
70 W Gericke, 'Vroeë woordelyste en woordeboeke in verband met Afrikaans', Lexikos 1 (1991) 105-112 noemde Van Rijn en zijn woordenboek, maar geeft er geen aandacht aan, zelfs geen bibliografische verwijzing.
71 HJJMvan der Merwe, 'Hubertus Elffers', SABW I 287 en Posthumus, 'Van Rijn', SABW I, 875.
72 FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt, 19.9.1913.
73 MJ van der Wal, 'Nederlands leren in Zuid-Afrika: de aanpak van schoolmeester Hubertus Elffers (1858-1921)', in Van Driel, 2008 Ontheven aan de tijd, 223-232; PD Smit, 'Die kultuurhistoriese bydrae van Hubertus Elffers', Historia (1966) 236-244.
74 JC Steyn, 'Die laaste projek van die 'Hollandse taalbeweging in Suid-Afrika': Die vereenvoudigde Hollandse spelling', Tydskrif vir Geesteswetenskappe 57, 2-1 (2017) 237-248.
75 Op het briefpapier waarop Van Rijn op 7.11.1918 (FHO 557, 9) een brief schreef, noemde hij 45 beschikbare van door hem uitgegeven titels.
76 PJ Andriessen, De tocht naar Rusland (vR 1912; Elffers 1921), Koning en Veldheer. Frederik de Grote (vR 1915, 1919; Elffers 1915, 1919, 1921); Hendrik Conscience, Baas Gansendonck (vR 1913; Elffers 1918, 1919, 1921), Siskia van Rosemael (vR 1913; Elffers 1913); N Beets, Gerrit Witse (uit Camera Obscura) (vR 1910; Elffers en R Fruin jr 1916), De familie Kegge (vR 1910; Elffers 1919 met aant vR), Een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout (vR 1915?); Stastok (Elffers, 1919); PA de Genestet (Het Haantje van de Toren (Elffers 1919) CE van Koetsveld, Schetsen uit de pastorie van Maasland (1912; Elffers 1919); Jacob van Lennep, Vijf verhalen (1911; Elffers 1911, 1917); Justus van Maurik, Jan Smees (1909, 1914; Elffers 1914, 1918; K Bonsma en WJ Viljoen, New York 1909), Een menseleven fbewerkt door J Dijksterhuis [onderwijzer Zeepunt] (1910, 1914; Elffers 1914), Een mensenleven, bewerkt door CJ van Rijn (1914), Herr Hagenbachs erfenis (1915?), Krates, een levensbeeld (1915, Elffers, 1915, 1918); Uit een pen (Elffers 1916, 19179), JF Oltmans, Het Slot Loevestein (aant. vR, uitgave Elffers1914); HJ Schimmel, Napoleon Bonaparte (1911?, 1913; Elffers 1913), Joan Woutersz: drama in vijf bedrijven (1911; Elffers 1911, 1918), Krates, een levensbeeld(1915), Zege na strijd (1916, 1918).
77 De Tijd, dagblad 12.4.1907.
78 Vergelijk CJ van Rijn, 'De Maleiers en het Hollandsche lied', Neerlandia 38 (1934) - een artikel van Van Rijn over de carnavals muziek in Ons Land, overgenomen in Neerlandia 15 (1911) 'Nederl. Liederen in ZA'.
79 FHO 411, juli 1908 Brief van FV Engelenburg aan CJ van Rijn, Pretoria, juli 1908, met knipsel uit De Volkstem, Nd.
80 FHO 411, 23c-25a, Kaapstad 7.12.1910.
81 Praktische Hollandse Spraakkunst. (Kaapstad: T Maskew Miller 1911, 8 druk 1914).
82 Hoogenhout, Untersuchingen. - dacht Van Rijn dat H. promoveerde op Praktisches Lehrbuch der Kap-holländische Sprache, 1904?; Viljoen, Beiträge; le Roux, Beschrijvende klankleer, du Toit, Afrikaansche studies..
83 Hesseling, Het Afrikaansch. Een nuancering van Hesselings stelling schreef Bosman, Afrikaans en Maleis-Portugees.
84 FHO 411, CJ van Rijn aan HJ Emous, 29.5.1912.
85 De verschijningsdatum is ingewikkeld, bibliotheken geven verschillende beschrijvingen: A. Maskew Miller, Kaapstad 1912 [?] (Bibliotheek UFS, Bloemfontein); B. Kaapstad: Van Rijn 1913; C. Kaapstad: CJ van Rijn, pref. 1914 (Mendelssohn, Bibliography (1925), 639, 13 vindplaatsen); D. Kaapstad, T Maskew Miller, Kaapstad, J.H. de Bussy, Pretoria, Gebr. Deale, Bloemfontein en Johannesburg. 1914; E. Amsterdam, Ellerman, Harms & Co 1914 (UFS, Bloemfontein); F. Kaapstad, Maskew Miller, 1914 (UB Leiden, UvA Amsterdam)
86 Van Rijn, Het zeer nauwe verband, binnenblad van de titelzijde, II. Ik raadpleegde het exemplaar UB Leiden, digitaal. via Delpher.
87 Van Rijn, Het zeer nauwe verband, 8ev, 75-85.
88 Elseviers Geïllustreerd Maandschrift 24 (1914) 151-152.
89 FHO 411, 36b-37a CJ van Rijn aan N Mansvelt, 6.12.1913 en EM 327, CJ van Rijn aan HJ Emous, Kaapstad 9.9.1914, met de recensie in De Unie 12.12.1913. J.J. Marais, hoogleraar theologie Stellenbosch; dr. DF Malan, hulpprediker te Graaff Reinet; M.J. Stucki, onderwijzer, schrijver van Hollandsche spraakkunst voor Zuid-Afrika (1877), mede-oprichter en voorzitter van de Suid-Afrikaanse Onderwijsersunie (1905) en redacteur van het blad ervan, De Unie. 219.
90 FHO 557, 47bc CJ van Rijn aan N Mansvelt, Kaapstad 9.5.1914.
91 FHO 557, 44-46 juni 1914 brieven van Van Ginneken en te Winkel.
92 FHO 557, 44-45, Mansvelt aan Van RijN 12.6.1914. Kloeke, Herkomst, 10 wijst ook op Zuid-Holland als oorsprong van een reeks Afrikaanse taaleigenaardigheden; hij was kennelijk niet bewust dat Van Rijn schreef tegen de opkomende rol van Engels en Afrikaans.
93 FHO 411, 47, CJ van Rijn aan N Mansvelt 11.9.1914. De uitbreidingen tussen haken zijn ontleend aan brief van CJ van Rijn aan N Mansvelt, 16.9.1914 (FHO 411, 46b.c.). Van Rijn was zich kennelijk niet bewust dat het geschrift van Suasso de Lima, De taal der Kapenaren, een polemisch geschrift was.
94 FHO 557, 15c, CJ van Rijn aan N Mansvelt, 12.2.1918.
95 FHO 557, 11a, CJ van Rijn aan N Mansvelt, 3.9.1918.
96 Besselaar, Zuid-Afrika in de letterkunde, 201.
97 Vereeniging, maandblad van de Vereniging tot Vereenvoudiging 16.2.1914
98 D.C. Hesseling, 'Een nieuwe theorie over 't ontstaan van het Afrikaans', De Nieuwe taalgids 8 (1914) 43-48.
99 Hesseling, 'Een nieuwe theorie', 48.
100 De Vooys,1908 (herhaaldelijk herdrukt], Geschiedenis.
101 Steyn, 'Nederlandstaliges se bydrae', 443; zie ook Van Eden, Afrikaans hoort bij Nederlands; Ena Jansen, Afrikaans is ook Nederlands.
102 Hamans, 'Afrikaans', 45.
103 In 1912 verspreidde Van Rijn, Leerregels voor studerenden: Praat, spreek en schrijf zoveel mogelijk Hollands; ga zondags naar een Hollandse dienst; wordt lid van een Hollandse debatvereniging; bemin je moedertaal enthousiast; laat de kinderen in de moedertaal onderwijzen, het is een mensenrecht (bijv. FHO 411, CJ van Rijn aan N Mansvelt, 19.6.1912).
104 Dezelfde brief.
105 FHO 557, 6 CJ van Rijn aan N Mansvelt 1916; 9-10, CJ van Rijn aan N Mansvelt, 15.11.1917, 13.8.1920
106 Roux J.P.J. en CJ van Rijn, Het zoele zuiden, nieuw leesboek met platen voor St.V (soms IV) en hoger; leesstof over Z.A., nieuwe spelling. (Kaapstad 1906, tweede druk ? ); Een Honderdtal Grammar Exercises, nieuwe spelling (Kaapstad, 1905, 2 druk 190?)
107 Rijn, CJ van, Plessis, G.J. du, 1903: A New Dutch Course, I Grammar, 44 blz., II Reader and Exencises, 74 blz.; Cape Town: I. Maskew Miller.
108 Dominicus, F.C. en CJ van Rijn, 1916.Taaloefeningen, Taalbondeksamens voor 'tHollands-A van 't Matrikulasie-eksamen (1917) F.C. Dominicus (Wemeldinge 1884-1976 Den Haag),1903 onderwijzers, 1913 naar Zuid-Afrika, docent St. Andrew's College, Grahamstown, publiceerde 1919 Het huiselik en huiselik leven van de Zuid-Afrikaner. Hij ging in 1920 terug naar Nederland, werd docent, promotie Leiden 1928 Het ontslag van Wilhem Adriaen van der Stel en schreef onderwijsmateriaal en reisgidsen.
109 FHO 411 41b CJ van Rijn aan HJ Emous, 11.7.1914.
110 Zuid-Afrika 3 (1926) 83.
111 NA 2.05.125.121 Archief Ned. Consulaat-Generaal Kaapstad. Stukken betr. tentoonstelling in 1939 van Ned. Boeken Stellenbosch en boeken van het fonds uitgaver CJ van Rijn 1939-40.
112 FHO 411, 29 CJ van Rijn aan HJ Emous, 29.5.1912, Parijs 19.6.1912.
113 FHO 411, 33c CJ van Rijn aan N Mansvelt, Amsterdam 29.5.1912.
114 FHO 411, brief van dochter J.M. van Rijn, Arnhem 29.7.1913; FHO 557, 17c Van Rijn aan N Mansvelt 27.8.17 heb passage betaald voor m'n dochter die Indië aan hierheen te komen. 'k Ben benieuwd; FHO 557, 23 Van Rijn aan N Mansvelt 17.7.1917: 'Mijn jongste dochter is nu 3 jaar onderwijzeres in Indië en wil wel naar Zuid-Afrika. Ze kent wat gewoon Engels doch ik durf haar niet in de K.P. aan 't werk helpen, alle Nederlandse dames die hier zijn, worden op de laan gedaan'.
115 FHO 411, 32c CJ van Rijn aan N Mansvelt, Kaapstad 13.3.13.
116 FHO 411, 36b CJ van Rijn aan Mansvelt 6.12.1913; Den Haag, NA 2.04.20 Archief Binnenl. Zaken, afd. Onderwijs, inv. nr 64. Later behaalde hij ook MO-B.
117 FHO 411, 38b CJ van Rijn aan N Mansvelt, 4.7.1914.
118 ME 327, CJ van Rijn aan HJ Emous, 9.9.1914.
119 FHO 557, CJ van Rijn aan N Mansvelt, 26.11.1916.
120 De Tijd, godsdienstig-staatkundig dagblad, 24.5.1909.
121 FHO 557, 9 CJ van Rijn aan N Mansvelt 7.12.1918 over aanstellingen en ontslagen bij De Burger.
122 Muller. Sonop, 407.
123 Amigo di Curacao, weekblad voor de Curacaosche eilanden, 8.8.1946.

GJ (Gerrtt) Schutte is gespecialiseerd in de geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme, de Verenigde Oostindische Compagnie en de betrekkingen tussen Nederland en Zuid-Afrika. Recente publicaties zijn 'Een missionaire Compagniesdominee: Albertus Struys, 16691678', in Grondpaaie in Suid-Afrikaanse Kerk-geskiedenis / Gravel Roads in South African Church History. A Tribute to dr. R.M. Britz (Stellenbosch 2023, 57-76); 'Hendrik Swellengrebel Sr bepleit het recht op burgerschap van Utrecht. Met een 'oude' stamboom als ondersteunend bewijs', De Nederlandsche Leeuw CXLI, 4 (2024) 187-195; De Emigranten aan de Oostkust van Afrika. Een verslag uit 1842 over de Voortrekkers in Natal (Hilversum 2025).
GJ (Gerrit) Schutte specializes in the history of Dutch Protestantism, the Dutch East India Company VOC and relations between the Netherlands and South Africa. His recent publications are 'Een missionaire Compagnies dominee: Albertus Struys, 1669-1678', in Grondpaaie in Suid-Afrikaanse Kerkgeskiedenis / Gravel Roads in South African Church History. A Tribute to dr. R.M. Britz (Stellenbosch 2023, 57-76); ''Hendrik Swellengrebel Sr bepleit het recht op burgerschap van Utrecht. Met een 'oude' stamboom als ondersteunend bewijs', De Nederlandsche Leeuw CXLI, 4 (2024) 187-195; De Emigranten aan de Oostkust van Afrika. Een verslag uit 1842 over de Voortrekkers in Natal (Hilversum 2025).












