SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.20 issue2Ius Romano-Germanicum - zur Rechtsquellenlehre des Usus modernus pandectarum author indexsubject indexarticles search
Home Pagealphabetic serial listing  

Fundamina

On-line version ISSN 2411-7870
Print version ISSN 1021-545X

Fundamina (Pretoria) vol.20 n.2 Pretoria  2014

 

Revisie en rechtsdwaling

 

 

Alain Wijffels

Hoogleraar rechtsgeschiedenis/rechtsvergelijking aan de rechtsfaculteiten te Leiden (Nederland), Leuven en Louvain-la-Neuve (België). Onderzoeksdirecteur bij het CNRS (Frankrijk)

 

 


ABSTRACT

At the Great Council of Mechlin revision (also referred to as proposition d'erreur) was an extraordinary procedural remedy which allowed a litigant to challenge a final decision of the Great Council. Revision proceedings took place before the same court (with some exceptions, for example cases from Utrecht), but judgment was given by a bench of judges of the Great Council sitting together with judges from other superior courts in the Netherlands. Revision could only be requested if the party who challenged the decision was able to argue that the judges had erred in their judgment. It was admitted (and explicitly stated in the earliest statute of 1473) that the alleged error had to relate to the facts. The sixteenth-century practice of the Great Council shows that very few revision proceedings were pursued up to the point where a new judgment was given (perhaps because most litigants were deterred by the costs). It also appears from the court's records that litigants (and their counsel) were inclined to include legal arguments in their submissions, as if an error on a point of law were also admissible. It was a controversial question, but the records show that in practice, revision submissions often addressed both factual and legal issues. Those legal issues, however, referred almost invariably to the application of iura propria, namely rules of customary and statute law. The judicial application of "written law" (ius commune, the learned Roman and canon law) was never an issue which - by itself - could justify revision proceedings.


 

 

Eén van Professor L.C. Winkels bijzondere aandachtsvelden is de rechtsdwaling geweest, het onderwerp van zijn proefschrift en van talloze andere publicaties. In deze korte bijdrage wordt op een bijzondere vraag in verband met de aard van de rechtsdwaling ingegaan, die indirect ook een herinnering oproept aan onze gezamenlijke Amsterdamse tijd in de jaren 1980: de dwaling als grond voor het buitengewoon rechtsmiddel van revisie voor de Grote Raad van Mechelen in de zestiende eeuw1.

De zestiende-eeuwse revisie bij de Grote Raad had als voorloper de proposition d'erreur bij het Parlement van Mechelen, een rechtsmiddel waarvoor de Franse praktijk model had gestaan, maar waarvan, onder diverse benamingen, ook in het geleerde Romeinse en kanonieke procesrecht voorlopers kunnen worden gevonden. In deze bijdrage wordt in de eerste plaats op een specifiek aspect van de revisie in de praktijk van de Grote Raad gewezen: alhoewel meestal vooropgesteld werd, dat het rechtsmiddel enkel ontvankelijk was wanneer tegen het iudicium a quo een feitelijke dwaling van de rechters kon worden aangetoond, stelt men vast dat procespartijen (dat wil zeggen: hun raadslieden) bereid waren, expliciet ook rechtsdwalingen als revisiegrond in te roepen, maar dat was een controversieel punt. De vraag van de dwaling omtrent de feiten is evenwel complexer dan die controverse: uit de praktijkstukken blijkt immers dat in verschillende revisieprocedures de toepassing van het particuliere recht (in de terminologie van het geleerde ius commune: het ius proprium, hetgeen concreet neerkwam op een statutum of consuetudo) een essentiële rol speelde in de argumenten om de revisie te verantwoorden of te verwerpen. Daarmee wordt de moeilijke vraag gesteld - te moeilijk om in het kort bestek van deze bijdrage een antwoord te krijgen - of, c.q. in welke mate, particuliere rechtsbronnen voor bepaalde proceshandelingen (bijvoorbeeld inzake bewijslast) als "recht" of "feit" werden benaderd2. Daarbij zal men zich hoeden, die categorieën in de context van de toenmalige rechtspraktijk al te zwart-wit op te vatten: rechtspolitieke overwegingen, zeker in de praktijk van de justitie, kunnen een meer flexibele benadering verantwoorden dan abstracte rechtsdogmatiek. Revisiezaken waren ook concrete rechtszaken, met hun specifieke procespartijen en belangenconflicten. Om een revisie-aanvraag ontvankelijk, c.q. gegrond te verklaren, beschikten de rechters altijd over een zekere speelruimte, en in die speelruimte zat klaarblijkelijk ook de mogelijkheid om twistpunten over iura propria in het kader van de revisieprocedure te laten behandelen.

 

1. Het wettelijk kader: proposition d'erreur en revisie

De vijftiende eeuwse wetgeving sprak, wellicht naar het Franse voorbeeld, van proposition d'erreur; in de zestiende eeuw gebruikten de ordonnanties (en de praktijk) naast die uitdrukking ook de term revisie, misschien onder Brabantse3 en/of Duitse invloed4. Het ging om een buitengewoon rechtsmiddel (waarvan het geleerde recht en de zestiende-eeuwse rechtsliteratuur diverse voorbeelden kenden) dat ten dele grotendeels volgens dezelfde procedurebeginselen als in hoger beroep bij de Grote Raad verliep, ten dele ook eigen kentrekken vertoonde. Zo gold een ontvankelijkheidstermijn van twee jaar om de betwiste uitspraak in revisie aan te vechten, moest een specifiek bedrag worden geconsigneerd en, in geval de revisie verworpen werd, als boete voor de folle revision worden opgelegd, en vooral: al werd de revisie bij hetzelfde hof ingesteld5 dat de aangevochten beslissing had uitgesproken (met name de Grote Raad), voor het arrest in revisie werd het rechterlijk college uitgebreid met raadsheren uit andere provinciale hoven en zelfs, merkwaardig genoeg, uit gerechtshoven die niet tot het jurisdictiegebied in appel van de Grote Raad behoorden.

De ordonnantie van december 1473, waardoor de ambulante Grote Raad van de hertogen van Bourgondië als Parlement werd opgericht, sprak voor de proposition d'erreur uitdrukkelijk van een dwaling over de feiten6. De vijftiende-eeuwse praktijk van het rechtsmiddel bij het Parlement, vanaf 1477 opnieuw Grote Raad, blijft evenwel onbekend. De meer uitvoerige proces-ordonnanties van 15227 en 15598 lijken inzake revisie zich vooral aan de belofte te hebben willen houden, maatregelen te treffen die de procesduur zouden verkorten. Daarna werd aan de aard of aan de modaliteiten van de revisie door de wetgever nauwelijks nog geraakt. De archiefbronnen van de zestiende-eeuwse praktijk geven de indruk dat het buitengewoon rechtsmiddel in werkelijkheid ook slechts uitzonderlijk werd ingediend, misschien ten dele vanwege de hoge kosten en risico's die met die aanvullende instantie gepaard gingen. De meeste revisiezaken gaan dan ook over aanzienlijke familiale vermogens of economische belangen.

De wettelijke beperkingen van de revisieprocedure geven maar een deel van de procedurele realiteit weer. Zoals in andere rechtsplegingen, was het ook in revisie mogelijk allerlei afwijkingen van de strikte procesgang te verkrijgen via de incidentele tussenprocedure van de requête-civile, een middel dat het voordeel had flexibiliteit te geven aan de procedure, maar onder rechterlijke controle en vooral ook op tegenspraak, zodat de tegenpartij steeds de mogelijkheid kreeg, argumenten tegen de gevraagde afwijking of correctie in te brengen9. Dat kon bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een partij een termijn had laten verstrijken, maar hier is vooral opmerkelijk dat de requête-civile ook kon aangewend worden (zoals onder meer in appelprocedures) om zogeheten "nieuwe feiten" aan te voeren. Dat lijkt op het eerste gezicht op zijn minst paradoxaal, want als revisie een rechtsmiddel was om een verkeerde rechterlijke beoordeling van feiten na te trekken, dan lag het niet voor de hand dat die toetsing nog door de invoering van andere, "nieuwe" feiten zou worden beïnvloed.

Het wettelijk kader moest aangevuld worden door de eigen stijl van procederen van het hof, en in het kader van de praktijk werd daarbij ook de geleerde en op de praktijk georiënteerde rechtsliteratuur gebruikt. Een korte verhandeling, waarin naar de belangrijkste vroegere literatuur en de relevante bronnen uit de corpora iuris wordt verwezen, was Pierre Rebuffi's Tractatus de supplicationibus, seu errorum propositionibus10, dat weliswaar in de eerste plaats naar de Franse wetgeving en rechtspraktijk verwees, maar waarmee niettemin ook in de Lage Landen, onder meer in Mechelen, rekening werd gehouden11.

 

2. Revisie: de moeilijke scheidingslijn tussen recht en feit

Over die vraag bestonden er in verband met rechtsmiddelen al in de Middeleeuwen meningsverschillen. Het onderscheid volgde blijkbaar niet altijd dezelfde criteria. Als voorbeeld moge naar de uitgeschreven arresten van de Grote Raad zelf verwezen worden, waarvan de praktijk met die van vele andere gerechtshoven uit die tijd vergelijkbaar is. De beweegredenen en overwegingen van de rechters om tot hun beslissing te komen, werden zoals bekend in principe niet uitgedrukt12. De vele duizenden geëxtendeerde sententiën die in de loop van de zestiende eeuw door de Grote Raad werden uitgesproken waren niet "gemotiveerd", noch wat de feiten, noch wat het recht betrof. Feiten komen weliswaar zeer veel voor in die sententiën, maar enkel via de argumenten van de partijen tijdens het proces, die dan in het vonnis werden herhaald13. Verwijzingen naar recht kwamen daarentegen vrijwel nooit voor, ook al zijn die in dezelfde memoriën van de advocaten waar ook de feiten werden aangevoerd wél zeer frequent. Hier moet echter een tweede onderscheid worden gemaakt: die constatatie gaat bijna zonder uitzonderingen op voor verwijzingen naar het geleerde recht, maar veel minder voor particuliere rechten. Het is uitzonderlijk dat een technische term van het Romeinse of kanonieke recht in de geschreven versie van een uitspraak werd overgenomen, laat staan een technische verwijzing naar één van de corpora iuris of naar de geleerde rechtsliteratuur. Aldus werd niet alleen vermeden, juridische overwegingen van de rechters zelf in de uitspraak te vermelden, zelfs de geleerdrechtelijke argumenten van de advocaten werden systematisch weggelaten. Anders lag het met de particuliere rechtsbronnen: argumenten gebaseerd op een ordonnantie of op een gewoonte komen wel geregeld voor, alsof het geen recht eiusdem generis als het geleerde ius commune was - en dat waren die iura propria eigenlijk ook niet. Wanneer men die vaststelling vergelijkt met andere facetten van de manier waarop particuliere rechtsbronnen in de praktijk werden behandeld, rijst de indruk dat die bronnen in velerlei opzicht een intermediaire positie innamen tussen hetgeen ondubbelzinnig als recht werd beschouwd (met name het geleerde ius commune) en feiten in eigenlijke zin. In zekere mate werden die particuliere rechtsbronnen eerder bijna gelijkgeschakeld met feiten.

Een sententie van 1506 geeft aan dat de aard van de revisie in die tijd controversieel kon zijn. De procureur-generaal verzette zich tegen de ontvankelijkheid van het middel in revisie dat in de eerste plaats over een procedurele vraag ging: konden de artikelen van het schriftelijk pleidooi die niet mondeling waren voorgedragen ambtshalve geschrapt worden? Dat was, volgens één van de partijen, de gewoonte die in de rechtspleging van de competente locale rechtbank in Holland gold. Het bestaan en, in ondergeschikte orde, de geldigheid van een dergelijke gewoonte, die geacht moest worden tegen het geleerde recht in te druisen, werden door de andere partij betwist. Tijdens de revisie stelden de eisers dat een proposition d'erreur mede over een rechtsdwaling ontvankelijk was14. De Grote Raad oordeelde de revisie ontvankelijk en gegrond, maar vermeldde expliciet dat de aangevochten beslissing omtrent de feiten gedwaald had15.

Een ander voorbeeld van veel latere datum is een sententie uit 1579 in een geschil over een erfenis in Vlaanderen. Tijdens de locale procedure te Kassel, en daarna voor de Raad van Vlaanderen, waren verschillende artikelen van de gehomologeerde gewoonte van Kassel het voorwerp van uiteenlopende stellingen en argumenten geweest. In revisie beweerden eisers dat voor hun casus de gewoonte in kwestie een leemte vertoonde, zodat Romeinsrechtelijke regels ter aanvulling toepasbaar waren. Wat ook de redenen van de met externe raadsheren uitgebreide Grote Raad mogen geweest zijn, de revisie werd gegrond verklaard16.

Bovendien kan worden opgemerkt dat ook wanneer de eis in revisie op de beoordeling van feitelijke elementen betrekking had, de argumentatie hierover onvermijdelijk juridisch werd ingekleed. Omdat voor de zestiende eeuw slechts weinig procesbundels in revisiezaken bewaard c.q. geïnventariseerd zijn, is het evenwel moeilijk in te schatten hoe de juridische argumentatie door raadslieden en desgevallend consultanten in revisiezaken werd uitgebouwd. De aanwijzingen zijn dat er geen groot verschil was met de benadering in appelzaken17.

 

3. Een revisiezaak uit Artesië

De zestiende-eeuwse revisiezaken die ons bekend zijn, komen voor een groot deel uit het Zuid-Westen van de Habsburgse Nederlanden: Vlaanderen (en in het bijzonder Frans-Vlaanderen) en Artesië. Een korte analyse van een Artesische rechtszaak kan illustreren, hoe feiten en recht ook in revisieprocessen met elkaar verstrengeld waren18.

De revisiezaak werd door de Grote Raad in derde aanleg beoordeeld: in eerste instantie was de zaak door de Raad van Artesië behandeld, in appel door de Grote Raad. Het voorwerp van het geschil was de geldigheid van een schenking (later in een testament bevestigd) van landeigendom in Artesië. Tegen de begunstigde en legataris werd door de tegenpartij de ongeldigheid van de schenking en van het testament aangevoerd, alsook van de procuratie die destijds voor de schenkingsakte was opgesteld.

Loys, Julien en Marie Bournel waren broers en zuster. Julien, de vermoedelijke erfgenaam van de goederen, had aan zijn broer Loys een procuratie gegeven, op basis waarvan deze laatste de goederen schonk aan zijn neef Hugues Bournel. Julien overleed, en Loys bevestigde de schenking in een testament. Ook Loys en Marie overleden; deze laatste had een dochter, Jacqueline, die met Jehan de Soissons was gehuwd. Het proces werd gevoerd tussen Jacqueline de Soissons en Hugues Bournel. De chronologie (typisch een feitenkwestie!) is in deze zaak bijzonder relevant. De schenkingsakte krachtens procuratie zou in november 1546 hebben plaatsgevonden; nog diezelfde maand zou Julien Bournel zijn overleden. Het testament van Loys Bournel waarin de schenking werd bevestigd was gedagtekend op 28 januari 1549. Zeer snel ageerde Hugues Bournel om in het bezit van de goederen te worden erkend, maar het verzet van Marie Bournel, die zelf kort daarna overleed, leidde tot het proces voor de Raad van Artesië19. Op 20 maart 1560 gaf het Hof Hugues gelijk; Jacqueline de Soissons, die tijdens het proces scheidde en weduwe werd, ging in hoger beroep te Mechelen, maar verloor andermaal toen de Grote Raad op 23 september 1564 uitspraak deed. Haar eis in revisie werd op 16 september 1570 afgewezen.

De betwiste feiten hadden betrekking op de gebeurtenissen in november 1546 - om deze analyse zakelijk te houden kunnen de vele aantijgingen die door de partijen werden gemaakt en af en toe de indruk wekken dat men een negentiende-eeuwse historische roman noir leest, hier niet gememoreerd worden. Volgens Hugues Bournel was de procuratie op 9 november gegeven, op 12 november was de schenkingsakte verleden, en op 19 november was Julien Bourel gestorven. In de versie van Jacqueline de Soissons dateerde de procuratie van 10 november, was Julien op 11 of 12 november overleden, was de minuut van de schenkingsakte op 13 of 14 november opgesteld, en op 21 of 25 november was de akte dan verleden. Niet alleen was volgens die laatste versie de lastgever vóór de akte al overleden, de procuratie zelf zou alleen mits druk en dreigingen zijn verkregen, terwijl de lastgever stervende was, en bovendien zou hij nog net vóór zijn overlijden het mandaat herroepen hebben. De procuratie was derhalve wegens dwang of vooroverlijden nietig geweest, of was tenminste vervallen door het overlijden van de lastgever20. Ook de schenkingsakte zou wegens allerlei beweerde ongeregeldheden (corruptie van de notarissen, antidatering, valse verklaringen ... ) nietig geweest zijn. Het latere testament werd door De Soissons eveneens aangevochten, omdat ze beweerde dat de testateur ten tijde van de redactie mentaal onbekwaam was geworden. De bewijslast voor al die beweringen was uiteraard delicaat. De Soissons' raadslieden steunden op getuigenverklaringen21 en op vermoedens, zoals de tijd die nodig was om de afstand af te leggen tussen het kasteel van de schenker en de standplaats van de notarissen. Die betwistingen over de feiten en hun bewijs werden nog aangevuld door een controverse over de reikwijdte en toepasbaarheid van de algemene gewoonte van Artesië22, van de gewoonte van Saint-Pol en van enkele Franse koninklijke ordonnanties23. Die onvermijdelijk meer juridisch getinte betwistingen werden aan de hand van het "geschreven recht" (ius commune rechtsbronnen en -beginselen) geargumenteerd. De raadslieden van De Soissons steunden op hun interpretatie van de gewoonte van Artesië om aan te voeren dat voor de geldigheid van schenkingen een betekening (insinuation) vereist was (een vereiste die volgens hen met het "geschreven recht" overeenstemde), en volgens de gewoonte van Saint-Pol bezitsoverdracht (désaisine/saisine) tijdens het leven van de schenker en de begiftigde; de Franse ordonnanties waarnaar zij verwezen vereisten eveneens een betekening en de aanvaarding door de begiftigde in aanwezigheid van de schenker en twee notarissen24.

De geëxtendeerde sententie geeft ook informatie over de tegenargumenten met betrekking tot die juridische twistpunten: de betekening was volgens de raadslieden van Hugues Bournel niet vereist, noch door de gewoonte van Artesië, noch door de gewoonte van Saint-Pol, en de Franse koninklijke ordonnanties waarop eiseres steunde, waren in Artesië niet toepasbaar, en voor testamenten waren de vermelde voorwaarden niet ad validitatem voorgeschreven. Daartegenover stelde Hugues Bournel dat aan de formaliteiten die gelijkwaardig waren aan de betekening in casu wel was voldaan.

 

4. Conclusie

De casus geeft aan dat een strikte scheiding tussen recht en feit in revisiezaken niet werd toegepast. Wel illustreert de rapportage van het procesverloop in de geëxtendeerde sententie dat de argumenten die in revisie werden aangevoerd (deels door de behandeling ex eisdem actis, die alleszins zoals meestal niet helemaal letterlijk mag worden opgevat) zowel feiten als (particuliere) rechtsregels betroffen. Het zou te ver gaan om op basis van dergelijke informatie te stellen dat rechtsdwaling op zich, zonder een beweerde dwaling over de feiten, voldoende ware geweest om de revisie in te stellen, maar de praktijk wijst erop, dat in vele gevallen van een gemengde verantwoording van de eis in revisie sprake was: zowel de beoordeling van feiten als de toepassing van het recht kwamen er aan de orde. Daarbij waren de argumenten over recht vooral aan de bronnen van het particuliere recht verbonden. Rechtsdwaling inzake een gewoonte of wet lijkt daarom wél, tenminste in samenhang met een dwaling over de feiten, een grond voor revisie geweest te zijn.

 

 

1 Het archiefmateriaal waarop deze bijdrage steunt, werd destijds door de Werkgroep Grote Raad aan de Universiteit van Amsterdam onder leiding van Prof mr JTh de Smidt geanalyseerd en geïnventariseerd. Samen met onze collega van de vakgroep rechtsgeschiedenis Mevr mr JMI (Joke) Koster-van Dijk heb ik destijds een verkennend overzicht van de door de Werkgroep geïnventariseerde geëxtendeerde sententiën in revisiezaken gepubliceerd: "Les procedures en révision au Grand Conseil de Malines (1473-1580)" (1990) 30 Publication du Centre européen d'études bourguignonnes (XIV-XV s.) 6797 (hierna geciteerd als: Koster-van Dijk en Wijffels, "Les procedures en révision"). Ik ben recent op het onderwerp teruggekomen naar aanleiding van de lezingencyclus te Rijsel L 'argumentation au cmur du processus judiciaire du Moyen Âge a nos jours met een lezing over "L'argumentation dans les procedures en révision au Grand Conseil de Malines (XVIe siêcle)" (23.11.2012), waarvan de publicatie in de akten van die studiedagen voorzien is.
2 W Wiegand Studien zur Rechtsanwendungslehre der Rezeptionszeit (Ebelsbach, 1977).         [ Links ]
3 F Wielant Practijke Civile (Antwerpen, 1573, herdruk Amsterdam, 1968) 321-322.
4 Over de revisie in de rechtspleging van het zestiende-eeuwse Rijkskamergerecht: B Dick Die Entwicklung des Kameralprozesses nach den Ordnungen von 1495 bis 1555 (Keulen-Wenen, 1981) 215-218;         [ Links ] vgl. PL Neve en RM Sprenger "Restitution und Supplikation: über die Geschichte der Rechtsmittel im 16. Jahrhundert", in H de Schepper (red.) Höchste Gerichtsbarkeit im Spätmittelalter und der frühen Neuzeit (Amsterdam, 1985) 43-59.         [ Links ] Voor eigentijdse doctrine: IL Benderus Conclusionum decisivarum practicarum de revisione actorum et sententiarum in Augustissimo Imperialis Camerae Iudicio pronuntiatarum, liber singularis (ik heb de late ed. geconsulteerd: Keulen, 1659;         [ Links ] de ed.pr. is misschien Frankfort aM, 1589).
5 Behoudens uitzondering: een speciale regeling gold bijvoorbeeld voor revisies van Utrechtse zaken: Koster-Van Dijk en Wijffels "Les procédures en révision" (n. 1) 85-86.         [ Links ]
6 Art. 29: "Et se aucuns se vouloient douloir des arrestz et sentences donnez en nostredit grant conseil par cidevant ou des arrestz qui seront donnez ou prononcez cy apres par nostredite court de parlement, nous voulons qu'ilz soient receuz endedens dix ans apres la prononciation d'iceulx arrestz et sentences a proposer erreur de fait, moyennant six vings livres, que la partie proposant ledit erreur consignera au greffe de nostredite court, lesquelz VIxx livres, ou cas que ledit erreur se treuve mal avoir esté propose, sera applicquez a nous ... " (tekst van de ordonnantie uitgegeven door J Van Rompaey De Grote Raad van de Hertogen van Boergondië en het Parlement van Mechelen (Brussel, 1973) 502. De studie van Van Rompaey blijft het referentiewerk bij uitstek voor de ontwikkeling van de Grote Raad tijdens de vijftiende eeuw tot 1477, maar de auteur behandelt niet de proposition d'erreur, wellicht bij gebrek aan bronnen: de eerste bekende en gedocumenteerde procedures dateren uit het begin van de zestiende eeuw (Koster-van Dijk en Wijffels "Les procédures en révision" (n. 1) Bijlage 1).
7 Ordonnantie van april 1522: C Laurent en J Lameere Recueil des ordonnances des Pays-Bas [2eme série 1506-1700] dl. II (Brussel, 1898) 173-187 187 (De provision derreur).
8 Ordonnantie van 8 augustus 1559: Burggraaf Terlinden en J. Bolsee Recueil des ordonnances des Pays-Bas [2eme série 1506-1700] dl. VII (Brussel, 1957) 461-492, 491-492 (De proposition d'erreur et révision).
9 R van Answaarden "Verkenningen in een grensgebied. Het requeste civile in de praktijk van de Grote Raad der Nederlanden (1460-1580)" (1994) Verslagen en mededelingen van de Stichting tot Uitgaaf derBronnen van het Oud-VaderlandseRecht [nieuwe reeks 8] (1994) 31-67.         [ Links ]
10 Geconsulteerde editie: P Rebuffi Commentaria in constitutiones seu ordinationes regias (Lyon, 1599) 300-322.         [ Links ] Zijn opmerkingen over het onderscheid tussen error facti en error iuris op 301 (nr. 11) en 307 (nr. 70).
11 Zie bijvoorbeeld in de rechtspraakverzameling van P Christinaeus Practicarum quaestionum rerumque in supremis Belgarum curiis actarum et observatarum decisiones (geconsulteerde editie: Antwerpen, 1671) dl 1,         [ Links ] Dec. 12 (11-12) en Dec. 52 (50).
12 Algemeen overzicht met verwijzingen naar vroegere literatuur in A Wijffels "La motivation des decisions judiciaires" in F Hourquebie en M-C Ponthoreau (red) La motivation des cours suprimes et cours constitutionnelles (Brussel, 2012) 142-166.         [ Links ]
13 Over de redactie van de geëxtendeerde sententiën van de Grote Raad in de zestiende eeuw: A Wijffels "Grand Conseil de Malines: La rédaction des sentences étendues et le recueil de jurisprudence de Guillaume de Grysperre" in A Wijffels (ed) Case Law in the Making. The Techniques and Methods of Judicial Records and Law Reports, I: Essays (Berlin, 1997) 299-316.         [ Links ]
14 Brussel, Algemeen Rijksarchief, Grote Raad van Mechelen, Sententie 806.53 (30.01.1506 n.s.) fol. 252v: "Ende was huerlieder intencie wel gefondeert want up tgene dat de voirs. onse procureur generael seyde dat de voirs. impetranten niet ontfangelyck en souden zijn tintenteren dese voirs. materie van proposicie van erreur ten waere dat zij allegieerden ende voorstelden erreur van fayte dwelc zij nyet gedaen en hadden, antwoirdeden de voirs. impetranten seggende dat deze matiere mochte geintenteert wesen ter causen van erreur van rechte ende oick van fayte, het ware tsamen oft elc bysunder, want proposicie van erreur tegens sentencie van rechtere niet appelabel was geintroducieert. Ende in dese saicke mochte bevonden zijn erreur van fayte ende van rechte mit veel meer anderen redenen".
15 Ibidem, fol. 254v: " ... dat de voirs. impetranten wel ontfangelick zijn ende hebben wel geimpetreert ende declareren de sentencie gegeven in onsen voirs. grooten raedt van dewelcke zy hemlieden beclagen gegeven geweest thebbene by erreur van fayte ende over zulck revoceren, casseren ende doen die te nyeuten ... ".
16 Brussel, Algemeen Rijksarchief, Grote Raad van Mechelen, Sententie 880.16 (23.03.1579 n.s.), 283-353, i.h.b. 308-309.
17 A Wijffels "Appellationen am GroBen Rat von Mecheln", in (2013) BRGÓ Beitrage zur Rechtsgeschichte Ósterreichs 211-229.         [ Links ] De best gedocumenteerde revisiezaak betrof de toepassing van het kraanrecht op de Honte door Middelburg, waartegen Antwerpen zich verzette. Aan dat proces heb ik een aparte case study in twee opeenvolgende artikelen gewijd, waarnaar ik hier brevitatis gratia moge verwijzen: "Ius commune and International Wine Trade, A Revision (Middelburg c. Antwerp, 1548-1559)" 71 (2003) Tijdschrift voor rechtsgeschiedenis 289-317 en "A Consultancy on Wine Imports" 73 (2005) Tijdschrift voor rechtsgeschiedenis 321-355. In die zaak is de sententie gepubliceerd: ZW Sneller en WS Unger Bronnen tot de geschiedenis van den handel met Frankrijk I (753-1585) 455-471. Het enig ander voorbeeld van een uitgave van een sententie in revisie dat ik mij herinner, is: JMI Koster-Van Dijk Gooilanders voor de Grote Raad (1470-1572), Processen uit het archief van de Grote Raad van Mechelen met betrekking tot inwoners en instellingen in en om Gooiland (Amsterdam, 1979) 121-136 (Brussel, Algemeen Rijksarchief, Grote Raad van Mechelen, 851.57 d.d. 04.09.1550).
18 Deze korte bespreking is vrijwel helemaal gebaseerd op de geëxtendeerde sententie van 16 september 1570, die een honderdtal bladzijden in het sententieregister telt (Brussel, Algemeen Rijksarchief, Grote Raad van Mechelen 871.42, 683-782; hierna geciteerd als: GRM 16.09.1570). Toen ik in 19891990 het hierboven vermeld artikel over revisiezaken (supra n. 1) voorbereidde, had ik al vruchteloos geprobeerd na te gaan of er voor deze zaak een procesbundel bewaard is. De "beroepen uit Artesië" (zaken die na een uitspraak door de Raad van Artesië via een rechtsmiddel bij de Grote Raad aanhangig werden gemaakt, meestal in hoger beroep) vormen een eigen reeks in het Brusselse fonds van de Grote Raad, maar zijn nog steeds niet geïnventariseerd en derhalve (zo werd mij andermaal einde 2012 bevestigd) niet consulteerbaar.
19 Tijdens dat proces kwamen klaarblijkelijk de juridische vragen over de toepassing van het gewoonterecht en van Franse ordonnancies uitvoerig aan de orde: een requête-civile werd zelfs ingediend om de draagwijdte van de gewoonte van Artesië met betrekking tot het gebrek van betekening van schenkingen te laten gelden (GRM 16.09.1570, 716).
20 GRM 16.09.1570, 697 (in verband met het proces voor de Raad van Artesië) bevat een korte passus in het Latijn dat is doorgehaald: " ... en tant que la disposition de droict morte mandantis expirat mandatum". Hieruit kan worden afgeleid dat in het document dat de griffier op dat ogenblik voor de redactie van de sententie gebruikte, die Latijnse woorden ook voorkwamen, misschien aangevuld met technische referenties naar de rechtsbronnen. De doorhaling wijst erop, dat dergelijke juridisch-technische argumenten uit de geleerde rechtsbronnen systematisch werden weggelaten. Iets gelijkaardigs treft men aan op 767, en daar rapporteert de griffier de revisie-procedure: naar aanleiding van de discussie over het gebrek van de betekening van de schenkingsakte is doorgehaald: " ... et estoit telle insinuation requise et necessaire tant de droict escript que par les ordonnances de France puisque ledit seigneur de Thienbronne y demeuroit ... ". Ook die passus moet uit de stukken, ditmaal in revisie-aanleg, zijn overgeschreven alvorens doorgehaald te zijn: hiermee is duidelijk aangetoond dat dergelijke juridische vragen tot de argumentatie van de revisie behoorden.
21 De betrouwbaarheid en ontvankelijkheid van die getuigen werden door de tegenpartij tijdens de revisieprocedure sterk en gedetailleerd betwist: GRM 16.09.1570, 758-763.
22 Bij de discussie omtrent de gewoonte van Artesië wordt onder meer ingegaan op de zogeheten "drie wegen" (trois voies) om over erfgoederen te beschikken: wellicht een verwijzing naar art 76 van de versie uit 1544 van de gewoonte (geconsulteerde editie: A Maillart Coutumes genérales d'Artois avec des notes [Paris, 1739] 97), waar parallel de tekst van de gewoonte op schrift gesteld in 1509, 1540 en 1544 in drie aparte kolommen wordt gepresenteerd. Voor Artesië geven A Gouron en O Terrin Bibliographie des coutumes de France. Editions antérieures a la Revolution (Geneve, 1975), 35-36 meerdere gedrukte uitgaven van de algemene gewoonte voor de periode die voorafgaat aan de einduitspraak in deze zaak: 1528, 1535, 1541, 1547, 1561, 1567. Onder voorbehoud van hetgeen in de mogelijk bewaarde procesakten van dit proces zou kunnen worden gevonden, tonen de elementen die in de geëxtendeerde sententie zijn opgenomen aan, dat, in tegenstelling tot wat destijds vaak werd voorgehouden - en nog steeds vandaag in vele handboeken -, de officiële optekening van het gewoonterecht voor procespartijen en advocaten al meteen geen onoverkomelijke hinderpaal was om de geldigheid en draagwijdte van de gewoonteregels naar aanleiding van processen te betwisten.
23 Voor de discussie tijdens de revisieprocedure over de draagwijdte van die ordonnanties: GRM 16.09.1570, 741 en 746, tevens met verwijzingen naar een uitspraak van het Parlement van Parijs (z. ook 773).
24 GRM 16.09.1570, 705 (eerste aanleg): "... A laquelle ordonnance se confermoit le droict escript restraindant icelles insinuations pour donations excedans cincq cens escus ... ". Vgl. de passus (tijdens de revisie) op 767, geciteerd supra.

Creative Commons License All the contents of this journal, except where otherwise noted, is licensed under a Creative Commons Attribution License