SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.20 issue2Philosophari necesse est, sed paucis: Juristisches und philosophisches zum Irrtum bei VertragsschlussGlanz der Rhetorik und Finsternis der Logik in einer Entscheidung Marc Aurels (Marcell. D. 28,4,3 pr.-1) author indexsubject indexarticles search
Home Pagealphabetic serial listing  

Fundamina

On-line version ISSN 2411-7870

Fundamina (Pretoria) vol.20 n.2 Pretoria  2014

 

Pontius Pilatus op de Lithostrotos

 

 

Eltjo J.H. Schrage

Buitengewoon hoogleraar, Nelson Mandela Metropolitan University, Port Elizabeth; Raadsheer plaatsvervanger, Gerechtshof, Amsterdam; Hoogleraar Privaatrecht, Universiteit van Amsterdam tot 2010; Hoogleraar Romeins Recht, Vrije Universiteit tot 1998

 

 


ABSTRACT

Throughout the ages the image of Pontius Pilate underwent numerous changes. It varied from time to time and from place to place. In Ethiopia he is venerated as a Saint, whereas elsewhere he is considered to be a despicable judge, responsible for the crucifixion and death of an innocent accused, Jesus Christ. In the seventeenth century he received much attention, both in literature and in pictorial art. Hugo Grotius dedicated a religious play to the suffering and death of Jesus Christ, in which Pontius Pilate played an important part. This contribution aims to analyse the seventeenth century Dutch view of Pontius Pilate.


 

 

1. Inleiding

Pontius Pilatus zette zich neer op de rechterstoel, op de plaats genaamd Lithostrotos, in het Hebreeuws genaamd Gabbatha. Aldus vertelt de Evangelist Johannes (Joh. 19:13). Pontius Pilatus was kort na het begin van onze jaartelling gedurende een tiental jaren Romeins stadhouder over het land Israel (A.D. 26-36), maar zijn naam is tot op de huidige dag overbekend. Als stadhouder had hij kennelijk een rechtsprekende functie; de wijze waarop Pilatus die functie vervulde, roept echter tot op de huidige dag talloze vragen op. Hij was het immers die, gezeten in het rechthuis, geen schuld in Jezus Christus vond, maar Hem desalniettemin uiteindelijk toch overgaf om gekruisigd te worden.1 In de op het Evangelie van Mattheus teruggaande traditie (Matt. 27:19) was hij nog zo gewaarschuwd door zijn vrouw: 'Laat je niet in met die rechtvaardige! Om hem heb ik namelijk vannacht in een droom veel moeten doorstaan', maar tevergeefs. Volgens Lucas had Herodes Antipas kennis genomen van de zaak en had ook deze de onschuld van Jezus vastgesteld, maar dat bracht Pontius Pilatus niet tot andere gedachten. Diens naam werd dan ook spreekwoordelijk. Hij waste zijn handen in onschuld, maar tegelijkertijd droeg hij uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor de Romeinse toestemming tot de kruisdood van Jezus. W.G. de Vries heeft erop gewezen, dat de procedure voor de Romeinse overheid weinig van een strafproces heeft, meer van een bestuurshandeling.2 Ook al wordt in het Grieks de technische term voor tenlastelegging (categoureia) gebruikt, als Pilatus aan degenen die Jezus aan hem overleveren de vraag stelt, welke beschuldiging zij tegen hem inbrengen, voldoet die vraag allerminst aan de elementaire vereisten die ook de Romeinen aan een tenlastelegging plachten te stellen. Het is naar de mening van De Vries dan ook de bestuurder, de man die belast is met de handhaving van de openbare orde, die naar buiten treedt en staande voor zijn residentie aan het voor hem vergaderde volk meedeelt de gevangene voor onschuldig te houden: 'Ik vind geen schuld in Hem.' Was het de angst voor het murmurerende volk die Pontius Pilatus het ingaf om eerst te pogen via een truc, de omweg van de vrijlating van Barabas, toch tot vrijspraak voor Jezus te geraken, of was het machtswellust die hem tot het doodvonnis bracht? Een van de opvallende kenmerken van de onderscheiden beschrijvingen van het proces Jezus is wel het raadselachtig karakter van de procedure, zeker als men een vergelijking tracht te trekken met de in het tractaat Sanhedrin neergelegde voorschriften. Dit tractaat is onderdeel van de Talmoed en behelst gegevens omtrent de competentie en de rechtsgang van Joodse rechterlijke instanties. Het is echter pas rond 400, dus enige eeuwen na de Evangeliën opgeschreven. Toepassing daarvan op de beschrijvingen van het proces tegen Jezus in de vier Evangeliën leidt tot een bizar resultaat. Ongeveer ieder voorschrift dat men aan het tractaat Sanhedrin kan ontlenen blijkt in het proces Jezus te zijn overtreden.3 Lapide vond nog twaalf van die overtredingen de moeite van het vermelden waard,4 maar aan het begin van de vorige eeuw had de Fransman Chauvin er niet minder dan zevenentwintig gevonden.5 En daarbij gaat het niet om de geringste voorschriften, zoals het verbod om een doodvonnis 's nachts uit te spreken, of het verbod om de vooravond van een feestdag als rechtsdag te benutten. Dat het huis van de hogepriester als zittingzaal wordt gebezigd (en niet de tempel) is eveneens ongehoord, terwijl volgens de Evangeliën de hogepriester bij de beraadslagingen als eerste het woord neemt en zijn stem uitbrengt, ofschoon hij eerst de anderen, te beginnen bij de jongste, aan het woord zou moeten laten komen. Dat die hogepriester dan vervolgens getuigen overbodig vindt (terwijl al sinds de dagen van de Thora minimaal twee verplicht waren) maar wel het afleggen van een eed toelaat (ofschoon die verboden was) draagt bij tot de verwarring over het historische gezag van de bronnen. Hoe dit ook zij, in de beschrijving van de evangelist Johannes komt het proces tegen Jezus tot een dramatisch hoogtepunt als Pontius Pilatus ten derde male naar binnen gaat en een gesprek tracht aan te knopen met Jezus. Dat is het moment waarop Pontius Pilatus zijn masker laat vallen. Het gaat Pontius Pilatus ten diepste niet om recht, niet om strafrecht, maar om macht: 'Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen?' Er zijn weinig of geen scenes in de wereldliteratuur te vinden die zo indrukwekkend het probleem van de verhouding tussen macht en recht aan de orde stellen. Pilatus wist heel goed, wat recht was. Drie keer had hij verklaard Jezus voor onschuldig te houden. Drie keer was hij voor de consequenties van zijn overtuiging teruggedeinsd. Daarop ging Pilatus naar buiten. Hij zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Lithostrotos, in het Hebreeuws Gabbatha en hij bezweek voor de macht. Voor de macht van de massa, voor de macht van de keizer. Op een op zichzelf gebrekkige procedure voor het Sanhedrin klonk vanaf Gabbatha het exequatur.

 

2. Pilatus ais rechter

Al heel vroeg trok dit op zijn minst genomen bizarre optreden van Pontius Pilatus als rechter de aandacht.6 Per slot van rekening had de rechtszaal in het collectieve geheugen van die tijd een indrukwekkende plaats. Seneca maakt melding van de vrees voor het leed dat door machthebbers wordt berokkend en hij betrekt dat leed op de vreeswekkende aanblik van de rechtszaal met zijn kerkers, ijzeren boeien, het rad, de staak die door iemands ingewanden gestoken wordt om er door de mond weer uit te komen. De rechtszaal ziet er zo angstaanjagend uit dat bij de aanblik ervan alleen al de verdachte de moed in de schoenen zinkt, of erger;7 twee eeuwen later is het Cyprianus, bisschop van Carthago, die de rechtszaal van die dagen beschrijft. Onder het mom van recht wordt daar gezondigd, worden daar misdaden begaan. Waar de onschuld bescherming zou moeten vinden, wordt zij prijsgegeven. Van vrede geen spoor. In hun toga's doen de aanklagers en de rechters de rechtszaal dreunen van hun gegalm. Daar staan de lans en het zwaard; daar staat de beul. De pijnbank staat gereed; de beul had meer martelwerktuigen ter beschikking dan het menselijk lichaam ledematen heeft.8 Dat was het beeld van het rechterlijk oordeel, dat ook is het beeld van Jezus voor Pilatus. Tacitus, Annales 15,44, is naast de Evangeliën een bron voor het historische gegeven dat Jezus Christus ten tijde van keizer Tiberius onder de praefect Pontius Pilatus ter dood is gebracht;9 Ook Flavius Josephus maakt melding van zijn aanwezigheid, zowel in zijn Bellum Iudaicum (9,2-4, 169-174, 175-177) als in zijn Antiquitates Judaicae (18,2,2; 18,3,1-4,2; 18,6,5) en vertelt onder meer hoe hij enorme opschudding in Jeruzalem veroorzaakte door niettegenstaande het daar geldende beeldenverbod onmiddellijk na zijn aantreden afbeeldingen van de Romeinse keizer de stad binnen te brengen en ook nog eens de tempelschatten voor de bouw van een waterleiding te gebruiken.10 Dat hij gespeend was van iedere tact en door en door onbetrouwbaar is een waardeoordeel dat ook vermeld wordt door Philo van Alexandrie in diens Legatio ad Gaium. Zo zou hij blijkens de paragrafen 299-305 in het paleis van Herodes (het praetorium) grote beukelaren met afbeeldingen van de keizer hebben opgericht, niet in de eerste plaats om Tiberius te eren, maar veeleer om de (Joodse) meerderheid door de schending van hun beeldenverbod te grieven. Het beeldenverbod moest immers in het bijzonder te Jeruzalem worden nageleefd. Hij heeft het daarnaast ook anderszins nodig gevonden om te dingen naar de gunst van Tiberius, namelijk door voor deze keizer een tempel in Caesarea te bouwen. Daarover zijn we tamelijk goed ingelicht door de vondst in 1961 van een fraai mozaïek, dat zich thans bevindt in het Israel Museum, Jerusalem (AE 1963 no. 104).11 In de winter van 36/37 kwam een einde aan zijn bewind. De legaat van Syrië, Vitellius, stuurde hem naar Rome terug om daar verantwoording af te leggen van zijn wanbeheer.12 Naar een mededeling van Eusebius werd hij daar gedwongen zelfmoord te plegen.13

 

3. Het beeld van Pilatus door de eeuwen heen

Het beeld van Pontius Pilatus in de geschiedenis is aan sterke wisselingen onderhevig geweest.14 Voor Justinus (Apologia 1,35 en 48) was hij vooral een getuige van de onschuld van Jezus. Waarschijnlijk rond 150 is een brief in omloop geraakt, die Pontius Pilatus aan de Romeinse Claudius zou hebben geschreven.15 Die brief is opgenomen in de aldus genaamde Acta Petri et Pauli, een aanvankelijk op naam van een verder onbekende Marcellus overgeleverde lijdensgeschiedenis van Petrus en Paulus. De tekst daarvan is uitgegeven door Lipsius en de brief luidt als volgt:16

Pontius Pilatus groet zijn keizer Claudius. Onlangs geschiedde iets wat ik zelf aan het daglicht gebracht heb. De Joden hebben uit haat zichzelf en hun nageslacht met een gruwelijke veroordeling bestraft. Hun vaderen hadden namelijk de belofte dat hun god hun uit de hemel een heilige zou sturen, die terecht hun koning genoemd zou worden en dat deze naar de aarde zou worden gezonden door bemiddeling van een maagd. Toen echter deze god tijdens mijn stadhouderschap over het Judea van de Hebreeën was gekomen en zij hadden gezien dat hij blinden het gezicht gaf, melaatsen reinigde, verlamden genas, duivels uitdreef uit mensen, doden opwekte, de winden aan zijn bevel onderwierp, droogvoets over de golven van de zee liep en vele andere wonderen deed, en toen het gehele volk van de Joden zei dat deze de zoon van god was, toen werden de eersten onder de priesters door haat bevangen. Zij namen hem gevangen, leverden hem aan mij over, en de een na de ander loog ten overstaan van mij dat hij groot was en tegen hun wetten ageerde. Ik echter geloofde dat dit getuigenis juist was en droeg hem na geseling over om naar hun goeddunken met hem te handelen. Zij kruisigden hem en plaatsten wachten bij zijn graf. Op de derde dag stond hij evenwel op, hoewel mijn soldaten de wacht hielden. In zoverre ontvlamde daarop de verdorvenheid van de Joden, dat zij hun geld gaven, zeggende: zegt dat zijn leerlingen zijn lichaam hebben geroofd. Ofschoon zij het geld accepteerden, waren zij toch niet in staat het gebeurde te verzwijgen. Zij hebben getuigd dat zij hem hebben zien verrijzen en dat zij geld van de Joden hadden aangenomen. Dit heb ik openbaar gemaakt, zodat niemand nog daarover zou liegen en u niet meent dat de leugens van de Joden geloofwaardig zijn.

Op vergelijkbare wijze poogt Pilatus volgens het rond het jaar 150 van onze jaartelling ontstane (apocriefe) Evangelie van Petrus de verantwoordelijkheid voor zijn optreden en voor zijn besluiten afte schuiven op het Sanhedrin (Petr. Evang. 11:46). Aldus rechtvaardigt hij zichzelf, bovendien met zodanig succes dat hij al spoedig in de Ethiopische kerk als heilige werd vereerd. Zover kwam het nog net niet met de vrouw van Pontius Pilatus. In de Evangeliën werd haar naam niet genoemd, maar in de overlevering kreeg zij vanaf de vierde eeuw een naam: Claudia Procula. Het verhaal wil dat zij na de dood van haar man een vooraanstaande figuur zou worden onder degenen die zich inzetten voor de verbreiding van het Christendom. Er is echter ook een aantal werken, waarin Pontius Pilatus wordt afgeschilderd als degene die bij uitstek verantwoordelijk is voor de dood van Jezus Christus. Daaronder bevindt zich een al in 1475 in Regensburg gedrukt werk, waarin aan Pilatus de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de kruisdood van Jezus Christus wordt toegeschreven.17

 

4. Vraagstelling

Daarmee komen we aan de centrale vraag van deze bijdrage. Het beeld van Pontius Pilatus als rechter wisselt sterk in de geschiedenis. Weten we iets over dat beeld in de gouden eeuw? Die vraag is regelrecht geïnspireerd door de jubilaris die met dit opstel wordt gehuldigd. Zelf is hij voor een gedeelte van zijn werktijd rechter, ook strafrechter. Over de Gouden Eeuw, in het bijzonder over Hugo de Groot, heeft hij vele belangrijke bijdragen aan de wetenschap op zijn naam staan. We hebben een aantal bronnen uit die tijd, die nog weinig of niet bestudeerd zijn. De resultaten van onze overpeinzingen bied ik in dankbaarheid voor een langjarige vriendschap aan Laurens Winkel aan, en ik zal daartoe, in het besef dat er verscheidene andere werken van vergelijkbare strekking zijn,18 allereerst enige aandacht besteden aan een in 1677 verschenen werk van Willem Goes (1611-1686), dat de titel Pilatus Iudex draagt, om vervolgens diens opvattingen te confronteren met die van Rembrandt, zoals die blijkt uit een grisaille en een tweetal etsen van diens hand. We beginnen met de literatuur.

 

5. Goes, Pilatus Iudex

Willem Goes, Heer van Boekhorst, is vooral bekend geworden als een van de rechters die in 1672 het doodvonnis over Cornelis de Witt wezen en uitspraken. Volgens het Biografisch Woordenboek der Nederlanden,19 dat een lemma aan hem wijdt, is hij in 1611 geboren te Leiden, was hij Heer van Boekhorst, was hij gehuwd met Maria Heinsius, en was hij eerst lid van de raad in zijn geboorteplaats en nadien raadsheer in het Hof van Holland. Hij was, naar ook blijkt uit zijn betrokkenheid bij het doodvonnis van Cornelis de Witt, bepaald prinsgezind te noemen; uit dien hoofde heeft hij een aantal keren deel uitgemaakt van een commissie belast met vertrouwenswerkzaamheden voor de stadhouder, in 1657 een commissie van onderzoek in verband met onlusten te Goes, en in 1664 een commissie van onderzoek naar aanleiding van de ontvoering van Catharina van Orliens door Jhr. Johan Diederik de Mortaigne, destijds kamerheer van Karel X Gustaaf van Zweden. Vooral deze laatste zaak heeft de gemoederen gedurende lange tijd bezig gehouden en er bestaat daarover dan ook een rijke literatuur.20 Er is enige twijfel over het onvrijwillig karakter van deze ontvoering, nu de geliefden weloverwogen als hun bestemming Culemborg hadden gekozen, een heerlijkheid die destijds geen deel uitmaakte van de Republiek der Verenigde Nederlanden, en dus in beginsel een vrijplaats was. Desalniettemin leidde de door de Graaf van Culemborg verleende protectie tot een pittig debat met de Staten Generaal. Stukken daaromtrent bevinden zich in het Gelders Archief te Arnhem.21 De processen verbaal van beide commissies bevinden zich in het Nationaal Archief.22 In 1684 werd Goes, namens de Prins van Oranje, met anderen naar Dordrecht gezonden teneinde een geschil te onderzoeken tussen de prins en het stadsbestuur 'over de nominatie der goede luiden van Achten'.23 Van zijn hand verscheen een viertal boeken, die duidelijk maken waarom hij werd gerekend onder de belangrijkste juristen en taalgeleerden van zijn tijd.24 Zijn laatste werk is getiteld 'Pontius Pilatus Iudex' en verscheen voor het eerst in 1677. Latere drukken zijn voorzien van vragen en opmerkingen van theologen en antwoorden daarop van Goes zelf. Ik bezigde de in 1681 te Den Haag bij Johannes Tongerloo verschenen uitgave en de verwijzingen zijn dan ook naar de pagina's van die editie.

Het Bijbelgebruik van Goes is in die zin onkritisch, dat hij de vraag naar de geloofwaardigheid van de bronnen niet stelt. Hij gebruikt de teksten zonder onderscheiding naar herkomst of tijd van ontstaan, maar het zou ook een anachronisme zijn, van hem iets anders te verwachten dan dat hij uitgaat van de betrouwbaarheid van de evangelieverslagen en een mixtum compositum van de verschillende Evangeliën samenstelt als ware dat een feitelijk relaas van de gebeurtenissen. Uit Marcus 6:3 en Matth. 13:55 leidt hij af dat de tenlastelegging aan het adres van Jezus eenvoudig is: Regem se ferat; nihil urgemus ultra (p. 56). Aan Pilatus wordt vervolgens (met een beroep op D. 1.3.32; D. 22.5.3.6; D. 1.16.5 en 7) meegedeeld, dat hij bij gebreke van centrale wetgeving gehouden is de locale gewoonten te volgen: 'wij hebben een wet, en volgens die wet moet hij sterven'. Goes merkt op, dat Pontius Pilatus bij het horen van die woorden nog meer bevreesd raakt dan hij al was, overigens niet alleen voor het opdringende volk, maar vooral ook voor de gevolgen van de Lex Cornelia de falsis, die rechters die de wet veronachtzamen met verbanning naar een eiland bedreigt. De vraag dan van Pilatus aan Jezus: 'Unde es?' is volgens de Goes de gebruikelijke, het onderzoek ter terechtzitting inleidende, vraag of de rechter in deze zaak bevoegd is, maar even later (p. 57) volgt dan de vraag: 'Nescis me potestatem habere crucifigendi te teque absolvendi?' Onmiddellijk gevolgd door de interpretatie van Goes van deze Evangeliewoorden: 'atque adeo, vitam et mortem tuam in mea sitam esse manu?' Het ius gladii komt inderdaad de Romeinse stadhouder toe, maar dat Pilatus zich hier schuldig maakt aan machtsmisbruik is voor Goes al duidelijk. Na de beschrijving van het verloop van het proces vervolgd te hebben komt Goes uiteindelijk tot zijn afsluiting (p. 66). Hij roept Pilatus ter verantwoording:

Wat heeft eigenlijk U ertoe gebracht Jezus aan de dood over te leveren? Is het omdat Zijn levenswandel, Zijn toespraken, het gezelschap waarin Hij verkeerde Uw mishagen heeft opgewekt of is het omdat Hij gezegd heeft dat niemand uit Zijn hand zal vallen? Indien het eerste, dan zijn er geen getuigen en evenmin is er een bekentenis, dus is er sprake van een rechterlijke dwaling. Indien het tweede, dan hebt U, Pilatus, U een macht aangemeten die niemand onder de stervelingen toekomt.

Dat kan niet ongestraft blijven, naar blijkt uit D. 2.1.20. Uit D. 2.1.14 volgt dan onmiddellijk de sanctie: Jezus kan nu over Pilatus rechtspreken. Dit wordt niet anders doordat de stadhouder zijn bevoegdheid van de Keizer afleidt (D. 18.1.1 en 20), want aan de stadhouder is geen ongelimiteerde bevoegdheid toegekend (C. 8.43.18) en bovendien (p. 79) had Pilatus hoger beroep op de Keizer moeten openstellen (D. 48.6.8). Er mag echter worden aangenomen dat Jezus door zijn stilzwijgen afstand heeft gedaan van het recht op hoger beroep. Steun voor die opvatting is te vinden in Gal. 3, Jesaja 53:12 (waar van de lijdende knecht des Heren gezegd wordt dat hij zijn ziel heeft uitgestort in de dood), alsmede Lucas 22:37 waar aan de zojuist genoemde tekst wordt gerefereerd. Goes geeft dan een geloofsgetuigenis waarin hij het vrijwillig karakter benadrukt van het leven, lijden, en sterven, maar ook de opstanding van Christus. Zijn boek eindigt met een lofprijzing: 'Tibi honor, tibi laus, tibi gloria, et si quid his usquam est splendidius, quod mens nostra non capit, tibi hoc, rerum celsissime, tibi sit hoc omne in saecula saeculorum.'

 

6. Rembrandt, Ecce Homo

In zijn bijdrage aan de catalogus die een grote, in 2000-2001 in het Nederlandse Rijksmuseum en in het Britsh Museum in London gehouden tentoonstelling van de prenten van Rembrandt begeleidde,25 doet Ernst van de Wetering verslag van zijn onderzoek naar de grote serie prenten met betrekking tot het leven en lijden van Christus, die Rembrandt voornemens was te maken, waarschijnlijk in opdracht van en in samenspraak met de Doopsgezinde predikant Hendrik Uylenburgh. Het project als zodanig blijkt grotendeels mislukt te zijn maar uit 1634, dus uit de beginperiode ervan, stamt nog een grisaille die bekend staat onder de naam Ecce homo (en die zich bevindt in zaal 16 van de National Gallery te London) alsmede een één jaar later met behulp daarvan in samenwerking met Johannes van Vliet gemaakte ets in verschillende staten.26 Het schilderij is om een aantal redenen belangwekkend. Het thema is bekend en speelt een belangrijke rol in het werk van Rembrandt. Twintig jaar later zou hij het opnieuw weergeven in een veelbesproken ets, die in zeven staten bekend is: Christus getoond aan het volk.27 De vergelijking van beide etsen doet onder meer een zekere ontwikkeling in de theologie van Rembrandt vermoeden, waarbij de vrijlating van Barabas een belangrijkere rol krijgt dan aanvankelijk het geval was.28 Minstens zo belangrijk is echter dat we hier te maken hebben met de combinatie van een bewaard gebleven, complete voorstudie en de vervolgens met behulp daarvan vervaardigde ets. Die is uiterst zeldzaam, volgens sommigen zelfs uniek, zeker voor de zeventiende eeuw.29 Een grisaille, in het Nederlands ook wel grauwschildering genoemd, is een monochroom schilderij waarop de kunstenaar met behulp van tal van grijstinten zijn studieobject weergeeft. Gebruikt hij bruintinten dan spreekt men wel van een brunaille. De techniek was reeds in de Oudheid bekend en werd tot na de Middeleeuwen, vooral van de vijftiende tot de achttiende eeuw, gebezigd. In dit geval is aannemelijk dat de grisaille op de steen is gelegd en dat de voorstelling met behulp van een stylus daarop werd overgedragen. Het logische gevolg is dat de twee werken elkanders spiegelbeeld vormen. Zo ook hier. De grisaille is beschreven in alle bekende oeuvre-catalogi van Rembrandt van de laatste honderd jaar,30 de ets eveneens.31

'Ecce homo' waren de woorden waarmee volgens het Evangelie van Johannes (19:5) Pontius Pilatus tijdens het proces Jezus toonde aan het verzamelde volk. Het lijkt echter alsof de voorstelling van Rembrandt wordt gedomineerd door de diagonaal afgebeelde knobbelige staf. Het ligt voor de hand om daarbij te denken aan een rechtersstaf. Karl von Amira heeft daaraan een gedeelte van zijn omvangrijke studie over de rechtsiconologische betekenis van de staf gewijd.32 Zijn ampele verwijzingen naar en citaten uit de bronnen en de vermeldingen van hem bekende verbeeldingen van de rechtersstaf tonen dat het hier gaat om een heel oud en wijd verbreid instituut. De grisaille ziet er aldus uit:33

 

 

Ook in de houtsnede in Joost den Damhouder, La pratique et Encheiridion des causes criminelles (Leuven 1554, p. 103), houdt de rechter een manshoge roede voor zich. In de feodaliteit was de landsheer de bevoegde rechter; deze kon zich laten vertegenwoordigen door een door hem aangewezen rechter. Die aanwijzing placht te geschieden doordat de landsheer ter fine van volmachtverlening een staf aan de rechter overhandigde. Dat is volgens Amira geen investituur; naar zijn mening behoudt de landheer de bevoegdheid om de staf terug te nemen, bijvoorbeeld bij een gelegenheid waarbij hij zelf zijn jurisdictiebevoegdheid wenst uit te oefenen. Als de rechter recht doet, houdt hij de staf recht voor zich; hij doet de staf naar voren neigen als hij bij overdracht van een perceel grond de verkrijger de exclusieve bevoegdheid tot het genot ervan verleent door hem Frieden und Bann daarover toe te zeggen. Hij houdt de staf voor aan degene die de eed aflegt (of die weigert) en bij de strafoplegging wijst hij met de staf naar de veroordeelde. Agnes Schreiner heeft er onlangs op gewezen dat een vergelijkbare staf zich bevindt in het Amsterdams Historisch Museum met als aanduiding de Roede van Justitie.34

In het schilderij zijn twee podia afgebeeld. Op het onderste is Pontius Pilatus gezeten op een troon. Het gaat om deze Romeinse stadhouder; dat kan niet missen. Uit de verte houdt vanaf de zuil de buste van Julius Caesar een oogje in het zeil. Vier figuren knielen voor Pilatus neer, terwijl een vijfde zich bij hen voegt, ofschoon hij zich nog eerst wendt naar de op het plein voor het stadhouderlijk paleis verzamelde schare. De kleding van deze figuren is rijk, vergelijkbaar bij die van Pilatus. Het zijn dus zeer aanzienlijken. Op de tulband van één van hen is, naar Van de Wetering op gezag van de conservator van de Bibliotheca Rosenthaliana meedeelt de Godsnaam te lezen: - τηη - alsmede het begin van een andere aanduiding daarvan: - ﬡﬥ-. Men moet dus wel denken aan de overpriesters waarvan Joh.19 melding maakt. Hun positie is gelegen tussen Pontius Pilatus en de menigte; één van hen houdt zijn handen om de rechtersstaf; hij lijkt die staf op te dringen aan Pilatus, maar deze maakt een afwerend gebaar. Van de Wetering houdt dit afwerende gebaar voor hoogst ongebruikelijk in de iconologische traditie van de zeventiende eeuw. In het oeuvre van Rembrandt doet slechts het gebaar van de rechter die de teruggave door Judas van het bloedgeld poogt af te weren (een schilderij van 1629) denken aan dit afwerende gebaar van Pilatus.35 In het Evangelie van Johannes treden de overpriesters op twee onderscheiden momenten Pontius Pilatus tegemoet: eerst liet hij Jezus naar buiten brengen opdat ieder zou weten dat hij, Pilatus, geen schuld vond in Jezus. Op dat moment sprak hij de woorden die thans de titel zijn, waaronder de grisaille bekend is: 'Ecce homo'. Na binnen nog enige woorden met Jezus gewisseld te hebben bracht Pilatus Jezus andermaal naar buiten, ging zitten op de rechterstoel, Lithostrotos, in het Hebreeuws Gabbatha, en hij gaf Jezus over om gekruisigd te worden. Volgens de beschrijving van Johannes gebeurde dat op het zesde uur, exact dus op het uur dat de klok op het schilderij aanwijst. De overpriesters die Pilatus met zoveel overgave ertoe willen brengen een doodvonnis uit te spreken zijn de volksgenoten van Jezus, typologisch mogelijk te beschouwen als de broers van Josef die eveneens van zins waren hem te doden.36

 

7. Slotsom

Als we de bevindingen inzake het beeld van Pontius Pilatus in de literatuur en de picturale kunst van de Gouden Eeuw pogen te resumeren, dan is het eerste dat opvalt dat de Bijbeltekst naar de letter gevolgd wordt. Dat is typerend voor het Christelijk belijden in die tijd, zeker voor de Reformatie. Desalniettemin waren toevoegingen uit andere bron toegestaan. Goes maakt van die mogelijkheid ampel gebruik. Hij betrekt het verloop van het proces Jezus volgens de (systematisch geïnterpreteerde) Evangeliën op het Corpus Iuris Civilis en citeert daarenboven tal van oudchristelijke schrijvers. Het tweede is dat desalniettemin de figuur van Pontius Pilatus typologisch wordt geïnterpreteerd: hij is bij uitstek vertegenwoordiger van (als we dat anachronisme mogen bezigen) een soort beginselloos opportunistisch Macchiavellisme, dat zowel door Goes als door Rembrandt ten scherpste wordt veroordeeld. Deze observaties zijn in overeenstemming met die van Eyffinger inzake een tot dusverre niet in de vergelijking betrokken jeugdwerk van Hugo de Groot, de Christus Patiens.37 Zijns inziens is voor Hugo de Groot Pontius Pilatus bij uitstek een vertegenwoordiger van de Romeinse Realpolitik.38 Die Realpolitik, dat Machiavellisme van Pontius Pilatus, heeft echter voor geen van de genoemden - noch voor Goes, noch voor Rembrandt, noch voor Hugo de Groot - uiteindelijk het laatste woord. Ook al delen wij met hen niet meer hun methode van interpretatie van de Bijbel en hebben wij via de historisch-kritische methode op een andere manier met de bronnen leren omgaan, toch kunnen wij hun conclusie aanvaarden dat het laatste woord in de geschiedenis door een ander, door De Ander zal worden gesproken. Die gedachte wijd ik graag aan Laurens Winkel, zoveel jaren de trouwe vriend.

 

 

1 Daarover E.J.H. Schrage, Het pad der gerechtigheid. Bijbel, recht en picturale kunst als hoekstenen van civilisatie en cultuur, Amsterdam 2005, pp. 95-110,         [ Links ] een bewerking van: Rode draad 'historische rechtszaken', het proces Jezus, in: Ars Aequi, Juridisch Studentenblad 52 (2003), pp. 355-364.
2 W.G. de Vries, De dood van Jezus van Nazareth in het licht van geschiedenis en rechtspraak. Een historische en juridische beschouwing van de gebeurtenissen in de laatste dagen van het leven van Jezus van Nazareth, Kampen 1967.
3 G. Theißen, A. Merz, Der historische Jesus. Ein Lehrbuch, 3e Aufl. Göttingen 2001, p. 403 met verdere litt.         [ Links ]
4 P. Lapide, Wie waren er schuldig aan de dood van Jezus? Frankfurt/Kampen 1988.         [ Links ]
5 C. Chauvin, Le procès de Jésus-Christ, Paris 1901.         [ Links ]
6 De bronnen zijn vermeld door M. Centini, L'uomo che uccise Gesú. Storia e leggenda di Ponzio Pilato, procuratore e giudice nella Palestina del I secolo (Cerriglio XLII), Torino 2006, p. 37 nt.         [ Links ] 4., echter met omissie van de hieronder te vermelden inscriptie. Er is de laatste jaren veel literatuur over Pontius Pilatus verschenen, echter van geheel wisselend gehalte. Een mixtum compositum van feit en fictie levert Ann Wroe, Pontius Pilate, New York 2000. Fascinerend om te lezen, maar novelles zonder wetenschappelijke waarde zijn Paul L. Maier, Pontius Pilate, Grand Rapids 1995; James R. Mills, Memoirs of Pontius Pilate: A Novel, Ada MI 2000;         [ Links ] Roger Caillois, Pontius Pilatus, Paris 1961,         [ Links ] vertaald in vele talen. Een Engelse vertaling werd onlangs herdrukt, Virginia 2006.
7 Seneca, Ep. 14.3: incommoda ... timentur quae per vim potentioris eveniunt ... [5] Cogita hoc loco carcerem et cruces et eculeos et uncum et adactum per medium hominem qui per os emergeret stipitem et distracta in diversum actis curribus membra, illam tunicam alimentis ignium et illitam et textam, et quidquid aliud praeter haec commenta saevitia est. [6] Non est itaque mirum, si maximus huius rei timor est cuius et varietas magna et apparatus terribilis est.
8 Cyprianus, Ad Donatum 10 (CSEL 3.1:11-12): Incisae sunt licet leges duodecim tabulis et publico aere praefixo iura proscripta sint: inter leges ipsas delinquitur, inter iura peccatur, innocentia nec illic, ubi defenditur, reservatur. Saevit invicem discordantium rabies et inter togas pace rupta forum litibus mugit insanum. Hasta illic et gladius et carnifex praesto est, ungula effodiens, eculeus extendens, ignis exurens, ad hominis corpus unum supplicia plura quam membris.
9 Tacitus, Annales 15,44: Ergo abolendo rumori Nero subdidit reos et quaesitissimis poenis adfecit, quos per flagitia invisos vulgus Christianos appellabat. auctor nominis eius Christus Tibero imperitante per procuratorem Pontium Pilatum supplicio adfectus erat; De aanduiding van Pontius Pilatus als procurator is, naar Volkmann in zijn hieronder te vermelden artikel bewees, een anachronisme. Eerst C. Cuspius Fadus (44-46) voerde de titel procurator.
10 De tekst is te lang om te citeren. Hij is op het internet te vinden: http//pace.mcmaster.ca/york/york/showText?book=2&chapter =9&textChunk=nieseSection&chunkId=172&text=wars&version =whiston&direction=down&tab=&layout=split&down.x=9&down.y=13 (Geraadpleegd 21 juni 2013). Zij worden ook besproken door M.H. Jensen, Herod Antipas in Galilee, Friend or Foe of the Historical Jesus, in: Journal for the Study of the Historical Jesus 5 (2007), pp. 7-32
11 H. Volkmann, Die Pilatusinschrift von Caesarea Maritima, in: Gymnasium 75 (1968), pp. 124-135; G. Alföldy, Pontius Pilatus und das Tiberieum von Caesarea Marítima, in: Scripta Classica Israelítica 18 (1999), pp. 85-108 (85-93). E. Weber, Zur Inschrift des Pontius Pilatus, in: Bonner Jahrbücher 171 (1971), pp. 194-200; J.E. Taylor, Pontius Pilate and the Imperial Cult in Roman Judaea, in: New Testament Studies 52 (2006), pp. 555-582 (die op grond van iconografisch en numismatisch materiaal en de mededelingen van Philo tot de conclusie komt dat Pontius Pilatus niet zozeer gedreven werd door minachting voor de Joden maar veeleer door een verlangen de Romeinse keizerverering in Judea te bevorderen.
12 Flavius Iosephus, Antiquitates Iudaicae 18,4,2.
13 Eusebius, Historia ecclesiastica 2,7; daarover de apocriefe Mors Pilati, Evangelia apocrypha ed. Tischendorf, 456-458.
14 J.P. Lémonon, Pilate et le gouvernement de la Judée, Paris 1981; B.C. McGing, Pontius Pilate and the Sources, in: CBQ 53 (1991), pp. 416-38; H.K. Bond, Pontius Pilate in: History and Interpretation (Society for New Testament Studies Monograph Series 100), Cambridge 1998; H. Martin, The legend of Pontius Pilate in Icelandic and Middle Low German: An Edition of Two Manuscripts (Ph.D. University of Wisconsin), High Wycombe 1973, verkorte versie in: H. Martin, 'The Legend of Pontius Pilate', Amsterdamer Beitrage zur alteren Germanistik 5 (1973), pp. 95-118; K. Rosen, Rom und die Juden im ProzeB Jesu, in: A. Demandt, Macht und Recht, Grosse Prozesse in der Geschichte, München 1991, pp. 39-58, i.h.b. pp. 50-55; A. Scheidgen, Die Gestalt des Pontius Pilatus in Legende, Bibelauslegung und Geschichtsdichtung vom Mittelalter bis in die frühe Neuzeit. Literaturgeschichte einer umstrittenen Figur (Mikrokosmos. Beiträge zur Literaturwissenschaft und Bedeutungsforschung, 68), Frankfurt-am-Main 2002. Helaas was mij niet toegankelijk S.G.F. Brandon, Pontius Pilate in History and Legend, in: History Today 18 (Aug 1968), pp. 523-530.
15 De oorsprong van de brief is in nevelen gehuld. Als Pontius Pilatus zelf zich jegens de keizer voor zijn optreden had willen rechtvaardigen, zou het voor de hand gelegen hebben dat de brief aan Tiberius was gericht; er wordt echter ook met een (mogelijk op Ireneus, adversus haereses 2,22,3-6 teruggaande) traditie rekening gehouden volgens welke Jezus eerst rond het jaar 50 zou zijn gestorven. W. Michaelis, Die apokryphen Schriften zum Neuen Testament, Bremen 1956, p. 448.
16 Pontius Pilatus Claudio suo salutem. nuper accidet quod ipse probaui, Iu[d]aeos per inuidiam se suosque posteros crudeli condempnatione punisse. denique cum promissum haberent patres eorum quod illis deus eorum mitteret de caelo sanctum suum, qui eorum rex merito diceretur, et hunc se promiserit per uirginem missurum ad terras. Is itaque me praeside in Iudaea Hebraeorum deus cum uenisset, et uidissent eum caecos inluminasse, leprosos mundasse, paralyticos curasse, daemones ab hominibus fugasse, mortuos suscitasse, imperasse uentis, ambulasse siccis pedibus super undas maris et multa alia mirabilia fecisse: cum omnis populus Iudaeorum dei filium hunc esse dicerent, inuidia contra eum ducti sunt principes sacerdotum et tenuerunt eum et mihi tradiderunt, et alia pro aliis mihi de eo mentientes dixerunt, istum magum esse et contra legem eorum agere. Ego autem credidi ita esse et flagellatum tradidi illum arbitrio eorum. illi autem crucifixerunt eum et sepulto custodes adhibuerunt. ille autem militibus meis custodientibus die tertio resurrexit. in tantum autem exarsit nequitia Iudaeorum, ut darent pecuniam eis dicentes: Dicite quia discipuli eius corpus ipsius rapuerunt. Sed cum accepissent pecuniam, quid factum fuerit tacere non potuerunt. nam et illum resurrexisse testati sunt se uidesse, et a Iudaeis pecuniam accepisse. haec ideo ingessi ne quis aliter mentiatur, et existimes credendum mendaciis Iudaeorum. De tekst is toegankelijk via het internet: http//webpages.ursinus.edu/jlionarons/wulfstan/PsMarcellus.html (Geraadpleegd 31 maart 2014).
17 'Glaubwirdige Warhaffte ordenliche Verzeichnuß vnd beschreibung deß ergangenen vnschuldigen blutigen Urtheils auch anderer umbstende vnter der Regieru[n]g deß Keysers Tiberij welches Pontius Pilatus, der Landpfleger in Judea vber vnsern lieben Herrn vnd Heyland Jesum Christum auBgesprochen vnd gefellt Jetzt newlicher zeytt inn der Stadt Aquila ... verwarlich gefunden worden. Sampt vnderschiedlicher vermeldung der 20. Beysitzenden Gerichtspersone[n] mit Namen genan[n]t ... Regenspurg 1581 (VD16 ZV 23585]'. Een exemplaar bevindt zich in de Bayerische Staatsbibliothek te München en is gedigitaliseerd toegankelijk:Persistente Identifier (Werk): urn:nbn:de:bvb:12-bsb00019859-3.
18 Er bestaat uit dezelfde tijd een Duitse dissertatio van de hand van Nicolaus Martinus uit het jaar 1678 onder de veelzeggende titel 'Pilatus Injustus Judex', Kilonium 1678. Drie kwart eeuw later verscheen een Engels werk van dezelfde teneur: 'The Life of Pontius Pilate: Containing, a Concise History of the State of the Jewish Nation. An Account of the Oppressions, Violences and Massacres committed by Pilate during his Governement of Judea'. Printed for M. Cooper ... W. Reeve ... C. Sympson at the Bible Warehouse, Chancery Lane 1753.
19 Van derAa, BiografischWoordenboek der Nederlanden, dl. VII, Haarlem 1862, pp. 253-254, doortoedoen van het Biografíe Instituut te Groningen tevens toegankelijk via het internet: http//resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nnbw/ #page=0&accessor=accessor_index&source=1&view=homePane (Geraadpleegd 31 maart 2014) Het lemma is eveneens gepubliceerd op het biografisch portaal: http//www.biografischportaal.nl/personen?start=960&beginletter=g (Geraadpleegd 31 maart 2014).
20 Andrea Langendoen, Orliens, Catharina van, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland: http//www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/DVN/lemmata/data/Orliens (05/02/2013), (Geraadpleegd 26 juni 2013).
21 Gelders Archief Arnhem, Archief Heren en Graven van Culemborg, toegang 0370, inv. nr. 2359: Stukken betreffende de door den graaf van Culemborg verleende bescherming aan J.D. de Mortaigne, schaker van juffrouw Catharina van Orleans, en de daaruit voor den Graaf voortvloeiende moeilijkheden met de Staten-Generaal, 1664.
22 Nationaal Archief, Inventaris van de collectie Handschriften van de Derde Afdeling, tot en met 1950, Nummer ARA 3.22.01.01: 166: Verbaal van Willem Goes en Cornelis Fannius, raden van het Hof van Holland, en Francois Boot, secretaris van het Hof, van hun verrichtingen in Culemborg ter zake van de ontvoering van Catharine van Orliens door Johan Diderick de Mortaigne (1664 1 dl.); 357 Rapport van mr. Gualther de Raet en mr. Willem Goes, raden in het Hof van Holland, van hun zending naar Goes in verband met aldaar ontstane onlusten (april-juni 1657 1 deel). De inventaris is, op het internet te vinden: http//www.gahetna.nl/collectie/archief/pdf/NL-HaNA_3.22.01.01.ead.pdf (Geraadpleegd 31 maart 2014).
23 Op grond van een privilege van Philip, Hertog van Bourgondië van 1456, gerenoveerd door Maximiliaan en Maria in 1478 en 1494 en het daarop teruggaande concordaat van 1647, had de stadhouder de bevoegdheid om uit een door de dekens van de 24 gilden van de stad Dordrecht 8 leden van de raad te kiezen: de goede luiden van achten, uit ieder der vier kwartieren van de stad twee. Kennelijk had de stadhouder gesondeerd of hij buiten de voordracht om kon besluiten, hetgeen tot grote woede in Dordrecht had geleid. De Staatkunde Der Hollanders: Beschreeven door den grave d'Avaux, Onpartydig ... Door Pieter le Clercq, p. 43; Beschryvinge der stad Dordrecht: vervattende haar begin, opkomst ... , Vol. 1 Door Matthys Balen, p. 646.
24 Specimen controversiae quae est de mutui alienatione inter jurisconsultos et quosdam grammatico-sophistas, Lugd. Bat. 1646. 8o; Animadversiones in quaedam loca capitis I et II Speciminis Salmasiani, quibus varii viri docti ab ejus calumniis vindicantur, Hagae-Com. 1657. 8o; Rei agrariae auctores legesque variae, cum notis N. Rigaltii et observationes, nec non glossario, Amst. 1674. 4o; en Pilatus Judex, Hagae-Com. 1677. 4o. Postuum is de kennelijk nog door hemzelf samengestelde catalogus van zijn bibliotheek verschenen: Bibliotheca Goesiana, sive, catalogue librorum, numismatum, iconum, caelaturarum, caeteraeque pretiosae suppellectilis, musaei ... Dr. Gulielmi Goesii ... quae publica auctione distrabentur in aedibus Johannis de Vivie bibliopolae Leidensis as diem Lune 7, Aprilis, 1687, St. Greg.
25 E.B.M. Hinterding e.a. (reds.), Rembrandt the Printmaker, London 2000.
26 Hinterding houdt het voor aannemelijk dat Rembrandt het opzetten van de plaat aan Van Vliet in Leiden heeft uitbesteed en hem daartoe de met het oog daarop gemaakte grisaille ter beschikking heeft gesteld. Rembrandt heeft op een proefdruk de verlangde wijzigingen aangebracht en die naar Van Vliet teruggestuurd. E.B.M. Hinterding, Rembrandt als Etser. Twee studies naar de praktijk van productie en verspreiding s.a., s.l., dissertatie Utrecht 2001, pp. 91 e.v.
27 Christus aan het volk getoond: Bartsch 76; Hollstein Dutch 76.
28 E. Winternitz, Rembrandt's 'Christ Presented to the People' - 1655. A Meditation on Justice and Collective Guilt, in: Oud Holland 84 (1969), pp. 177-198, met een vergelijking van beide werken op p. 179; S. Perlove, L. Silver, Rembrandt's Faith. Church and Temple in the Dutch Golden Age, Pennsylvania 2009, pp. 283-289.
29 Rembrandt heeft nog twee grisailles gemaakt (Jozef vertelt zijn droom (rond 1635) en De prediking van Johannes de Doper (rond dezelfde tijd). Die zijn echter niet als ets in de handel gebracht. Van Vliet heeft in 1635 het vervaardigen van etsplaten in opdracht van derden gestaakt. Hinterding diss. t.a.p.
30 K. Bauch, Rembrandt Gemalde, Berlin 1966, 62; W. von Bode, C. Hofstede de Groot, Rembrandt: beschreibendes Verzeichnis - Gemalde mit den heliographischen Nachbildungen, Paris 1897-1905, 214; J. Bolten, H. Bolten-Rempt, The Hidden Rembrandt, Oxford 1978, 188; A. Bredius, Rembrandt Schilderijen. 630 Afbeeldingen, Utrecht 1935, 546; A. Bredius, Rembrandt. The Complete Edition of the Paintings, rev. by H. Gerson, London 1969, 456; J. Bruyn, et al., A Corpus of Rembrandt Paintings Vol. II, Den Haag/Boston/London 1986, A 89; H. Gerson, Rembrandt Paintings, Amsterdam 1968, 72; P. Lecaldano, Tout l'Oeuvre Peint de Rembrandt (coll. 'Les classiques de l'art), Paris 1971, 143; G. Schwartz, Rembrandt. Zijn Leven, Zijn Schilderijen: een nieuwe Biografíe, Maarssen 1984, 104; L.J. Slatkes, Rembrandt: Catalogo Completo dei Dipinti, Firenze 1992, 49; C. Tümpel, Rembrandt, Amsterdam 1986, 50; W.R. Valentiner, Rembrandt: Wiedergefundene Gemalde (1910-1920) in 120 Abbildungen, Stuttgart-Berlin, 1921, 1909.
31 Bartsch 76; Hollstein Dutch 76.
32 K. von Amira, Der Stab in der germanischen Rechtssymbolik (Abhandlungen der k. b. Akademie der Wissenschaften. Philosophisch-philologische und historische Klasse XXV. 1), Mmichen 1909.
33 Ontleend aan: http//www.rembrandtpainting.net/rmbrndt_1620-35/1620_35_images/ecce_omo.jpg (Geraadpleegd 31 maart 2014; de foto bevindt zich volgens de website in het public domain).
34 A. Schreiner, Ets van Rembrandt, in: F. Jacobs, D. Pessers (red.), Stof en blik. Opstellen aangeboden aan Cees Maris van Sandelingenambacht, Amsterdam 2013, pp. 117-118.
35 Van de Wetering in Corpus of Rembrandt Paintings Vol. II, pp. 459-468.
36 Een vriendelijke suggestie van Prof. Dr. E. van de Wetering, e-mail van vrijdag 14 juni 2013; ook reeds in zijn hierboven in nt. 25 genoemde bijdrage.
37 A. Eijffinger, De dichter Hugo de Groot. in: Forum der letteren 19 (1978), pp. 212-226; Over de Christus Patiens van Hugo de Groot Ter Meulen en Diermanse nrs. 31-52, ed. pr. 1608, eveneens opgenomen in Poemata vanaf 1617; zie voorts J.A. Parente, Religious Drama and the Humanist Tradition, p. 116 m.litt., i.h.b. A. Eijffinger, Introductie, in: De Dichtwerken van Hugo Grotius dl. 2 pars 5 a-b. Het werk is reeds vroeg belangrijk geoordeeld, zie L.R. Tittel, Über den Christus patiens des Hugo Grotius, ein Beitrag zur Geschichte des geistlichen Schauspiels, vom Oberlehrer L.R. Tittel. Zwickau, Druck von R. Zückler, 1883.
38 vs. 650 vv. (Pilatus), en vgl. voor Kajafas de vss. 379-380, 421-422 en 539-543 (Dichtw. I 2A, pars 5).

Creative Commons License All the contents of this journal, except where otherwise noted, is licensed under a Creative Commons Attribution License