SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.20 número2Brevi note sulla "mors litis" per inattivitàImagen y represión de la prostitución en época visigoda índice de autoresíndice de assuntospesquisa de artigos
Home Pagelista alfabética de periódicos  

Serviços Personalizados

Artigo

Indicadores

Links relacionados

  • Em processo de indexaçãoCitado por Google
  • Em processo de indexaçãoSimilares em Google

Compartilhar


Fundamina

versão On-line ISSN 2411-7870

Fundamina (Pretoria) vol.20 no.2 Pretoria  2014

 

Een erfrechtelijk geschil binnen de familie Haller von Hallerstein (1595-1603): van eenheid naar verscheidenheid binnen het West-Europese recht

 

 

Paul Nève

Emeritus Hoogleraar Romeins Recht, Radboud Universiteit Nijmegen; Emeritus Hoogleraar Rechtsgeschiedenis, Tilburg Universiteit

 

 


ABSTRACT

In 1595, in a contentious procedure, in which the executors mentioned below were the defendants, papal judges decided that the monastic vows taken by Loijsa Haller von Hallerstein, a Cistercian nun, were null and void. Accordingly, she was capable of entering into matrimony and taking the half to which she was entitled of the goods of her deceased parents. These goods were located in Brussels and Nuremberg, the Hallers' home. Loijsa applied to the Council of Brabant in Brussels to compel the testamentary executors in the estate of her deceased brother Carl, who were the same executors who had administered the parents' estates, to cooperate in complying with the order. The Council requested legal assistance from the Municipal Council of Nuremberg, which had jurisdiction in the matter, but the Council neglected to carry out the order. It allowed the executors to summon Loijsa under the lex diffamari and, subsequently, to appeal to the Imperial Chamber Court against the Court's sentence. Loijsa - by now married to Alberto Struzzi, counselor of Archdukes Albert and Isabella - successfully complained about this injustice to Emperor Rudolph II. As from August 1598, imperial warrants were issued against the Council of Nuremberg, in order to make it take action, but without result. Only when Loijsa and Alberto challenged another delaying measure from Nuremberg before the Aulic Council, was there progress. The Nuremberg opponents reached an agreement with Loijsa, which the Emperor approved in March 1603. Consequently the former nun from Brussels eventually obtained her money, although the dispute with her relatives was never resolved in a secular court. The outcome corresponded to the traditions of the Council of Brabant. For centuries, the Council tried to settle lawsuits between residents of the duchy of Brabant and non-Brabantine 'foreigners' completely within the borders of the duchy. The judges pursued a policy of circumventing the application of the rule actor sequitur forum rei and, until the dissolution of the Holy Roman Empire, the German Emperors tolerated this breach of the rights of neighbouring principalities and imperial cities inside the Empire.


 

 

1. Inleiding

De beoefenaar van de rechtshistorie die zich ook met de moderne rechtspraktijk bezighoudt of heeft bezig gehouden, bemerkt bij het bestuderen van procesdossiers al snel dat deze in het begin van de Nieuwe Tijd vaak meer conflictstof van rechterlijk-organisatorische en procesrechtelijke dan van materieelrechtelijke aard bevatten. Het eigenlijke, meestal privaatrechtelijke, geschilpunt tussen de partijen komt niet of nauwelijks aan de orde. Met enige schroom bied ik hier mijn vriend en collega Laurens Winkel dan ook onderstaande bijdrage aan, een case-study van (bijna) internationale rechtshulp.1

 

2. Voor de kerkelijke rechters / de Raad van Brabant

Na het overlijden van haar moeder Elisabeth van Logenhagen (1586)2 en daarna van haar broer Carl had Loijsa Haller von Hallerstein, de gewezen abdis van het Cisterciënzerinnenklooster Soriamont (thans: Soleilmont, te Fleurus bij Charleroi),3 bij de paus de benoeming verzocht - en verkregen - van gedelegeerde commissarissen of rechters die de eventuele nietigheid van haar professie en de verplichting, de ordesregel te volgen, moesten onderzoeken en daarover naar rechte beslissen. De gang van zaken was in de zestiende eeuw niet ongewoon. Rome - in casu de Penitentiarie - ontsloeg zeer dikwijls vrouwen van hun geloften, als maar enigszins aantoonbaar was dat zij niet uit volledig vrije wil voor het kloosterleven gekozen hadden. Er was dus een enorme vlucht van religieuzen uit het klooster, meestal door Rome positief gesanctioneerd. Loijsa Haller was éen van hen. Zij stelde dat zij in haar jeugd door haar moeder tegen haar zin in het klooster was geplaatst. Over deze kwestie werd een proces in formele zin gevoerd voor de pauselijke rechters tussen verzoekster en enige naaste bloedverwanten, namelijk de legatarissen van haar broer Carl en de executeurs van diens testament.4 Beide partijen voerden getuigen aan en daarna spraken de commissarissen hun vonnis uit: haar intrede in de kloosterorde, haar professie en de verplichting om de ordesregel te volgen waren nietig, zij kon in de wereld terugkeren, een huwelijk sluiten en de goederen van haar ouders voor de haar toekomende helft tot zich nemen of opeisen (1595).5

Loijsa's vader, Wolf (ook: Wolffgang) Haller von Hallerstein, een telg uit een oud Neurenbergs patriciërsgeslacht, was reeds lang voor haar moeder overleden (1559). Als factor van de Fuggers in de Nederlanden (Antwerpen) en raadsman van de latere keizer Karel V was hij de spil geweest van de financíele onderhandelingen die aan de keuze van Karel tot Duits koning (1520) voorafgingen.6 Bij het aantreden van Maria van Hongarije als gouverneur-generaal der Nederlanden (1531) ging Wolf volledig in Habsburgse 'hof-en staatsdienst' over: hij werd toen algemeen thesaurier van de Nederlanden.7 Evenals zijn broer Bartholomeus stond Wolf in hoog aanzien bij de leden van het huis Habsburg, beide Hallers werden door Karel V met eerbewijzen begiftigd. Uit het huwelijk van Wolf met Elisabeth van Logenhagen (1529) waren er naast Carl en Loijsa nog drie andere kinderen geboren.8 Gezien de uitspraak van de pauselijke delegaten vermoed ik dat Carl en Loijsa als enigen hun moeder overleefd hadden en dat Carl in verband met de Evangelische Armoede van zijn zuster de activa van beide boedels tot zich genomen had, of met zijn eigen vermogen doen versmelten. Na zijn dood keerde Loijsa in de wereld terug.

Voor het in bezit krijgen van (de helft van) de roerende en onroerende goederen die haar ouders hadden nagelaten en zich in het hertogdom Brabant bevonden, maar ook in Neurenberg en elders, was Loijsa aangewezen op de wereldlijke rechter. Zij vroeg bij de Raad van Brabant open brieven aan, en verkreeg deze na ampel onderzoek ook. Zij werd hiermee in het bezit van de helft van de in Brabant aanwezige roerende en onroerende goederen gesteld, terwijl de andere helft tot zekerheid van haar rechten op de buiten het hertogdom aanwezige vermogensbestanddelen met beslag belegd werd.

Lazarus en Jacobus Haller, de twee bij testament door Carl benoemde legatarissen, verzetten zich tegen de inhoud van de open brieven, althans de daarin opgenomen boeteclausules (28 september 1595). Zij verschenen, na gedagvaard te zijn bij openbaar edict met de clausule van autorisatie,9 voor de Raad van Brabant, doch deze bevestigde de tekst van de open brieven (8 november 1595).10

De executeurs-testamentair Martin, Ernst en Hans Jacob Haller, die in Neurenberg woonden, werden eveneens herhaaldelijk bij openbaar edict gedagvaard maar verschenen niet in Brussel. Tenslotte volgde hun veroordeling wegens ongehoorzaamheid (de contumacia), waarna de eisen van verzoekster in een verstekvonnis werden toegewezen: het aan haar overhandigen van een staat en inventaris van de roerende en onroerende goederen van beide ouders, en met name van de door hen uitgezette gelden, alsmede het toelaten van verzoekster tot het gebruik van, en de vruchttrekking uit, de helft van de in het Brabantse territoir gelegen goederen (19 juli 1597). Tegelijkertijd ging er een verzoek om rechtshulp uit naar burgemeesters en Raad van Neurenberg om het vonnis, wat betreft de aldaar gelegen goederen, uit te voeren.

Loijsa zorgde ervoor dat exemplaren van deze uitspraak de executeurs bereikten, maar het resultaat was slechts dat deze, als diffamati, van de Raad van de stad Neurenberg toestemming kregen haar wegens belediging te dagvaarden op grond van C. 7.14.5, de lex Diffamari (december 1597).11 Volgens Loijsa opende deze beslissing de mogelijkheid, het 'beledigende' vonnis van de Raad van Brabant van 19 juli 1597 open te breken, terwijl tevens het privilege van de Brabantse Gouden Bulle (1349) geschonden zou zijn.12 Zij wendde zich dan ook direct tot het Brusselse college met het verzoek, open brieven, inhoudende de vernietiging van de Neurenbergse dagvaarding, uit te vaardigen. Aldus geschiedde en op 25 februari 1598 kreeg een van de deurwaarders van de Brabantse Raad opdracht van Philippus Dei gratia Rex Castellae, Arragoniae, Legionis, utriusque Siciliae ... Dux Burgundiae, Lotharingiae, Brabantiae enzovoort. om namens koning Philips II de executeurs testamentair, en zo nodig anderen, onder bedreiging met de verbeurte van grote boetes, te bevelen de dagvaarding in te trekken. De deurwaarder moest in geval van verzet tegen dit bevel de weigerachtigen onmiddellijk een rechtsdag aanzeggen voor de Raad van Brabant.13

 

3. Voor de Neurenbergse Raad / het Rijkskamergerecht

Op de Brusselse interventies sloten de door de Duitse keizer Rudolf II (1575-1612) ten gunste van Loijsa gezette stappen mooi aan. Wellicht hingen zij samen met het feit dat Loijsa Haller in deze periode in het huwelijk was getreden met Alberto Struzzi, een belangrijk raadsman van de aartshertogen Albert en Isabella.14 Hoe dit ook zij, vanaf augustus 1598 zet een hele reeks keizerlijke aanbevelingsbrieven, bevelschriften en aanmaningen de Raad van Neurenberg aan tot het verstrekken van de gevraagde rechtshulp.15 Een eerste resultaat hiervan was waarschijnlijk dat de voornoemde Raad in een interlocutoir besliste dat Loijsa de gegevens over het bestaan van 'vaderlijke en moederlijke' goederen binnen het Neurenbergse grondgebied moest leveren, zulks onder voorbehoud van de rechten van de wederpartij (17 december 1599). Daarna gaf de Raad evenwel aan de executeurs testamentair en een vijftal testamentaire erfgenamen dat zich als interveniënten bij hen had aangesloten, toestemming bij het Rijkskamergerecht tegen de interlocutoire uitspraak in appel te gaan en dan het erfgenaamschap van de pretendente te bestrijden (januari 1600). Reeds op 16 maart volgde er een 'ernstlich Bevelh' uit Pilsen, waarin keizer Rudolf II de Neurenbergse rechters erop wees dat de uitspraak van de Raad van Brabant onherroepelijk was en uitgevoerd moest worden. In een op 13 april 1600 bij de Raad van Neurenberg ingeleverde Supplicatio bestreed Loijsa Haller op tal van gronden de door dit college gegeven toestemming: tegen een pronuncia de exequendo (een beslissing in een executiegeschil) zou geen hoger beroep mogelijk zijn, de executeurs testamentair waren in Brussel bij verstek veroordeeld, dus gold voor hen de regel contumax non auditur appellans, de interveniënten waren, net zoals de gehele familie Haller, vertegenwoordigd geweest door de executeurs testamentair, zodat zij geen zelfstandig belang bij de (verhindering van de) tenuitvoerlegging van het Brussels vonnis konden pretenderen, enzovoort.16

Of het stuk in de oordeelsvorming nog een rol heeft gespeeld, is mij niet bekend.17 Het hoger beroep zou tot in 1601 aanslepen. De Neurenbergse Raad greep het appel in ieder geval aan om pendente appellatione niets meer te verrichten, en lijkt ook daarna, keizerlijke interventies ten spijt, niet tot actie te zijn gekomen. De Raad van Brabant oefende, op zijn eigen, onpopulaire, wijze, wêl druk uit op de Neurenbergse rechters. Een verzoek om het Brabantse vonnis uit juli 1597 te executeren wordt versterkt met de dreiging, Neurenbergse burgers in Brabant te laten arresteren en hun goederen in beslag te doen nemen (3 november 1601).

 

4. Voor de Rijkshofraad: Het Verdrag van Augsburg

Het appel dat Loijsa en Alberto instelden bij de Rijkshofraad tegen wéér een uitstellende beslissing uit Neurenberg, lijkt schot in de zaak gebracht te hebben (september 1602). De archieven bevatten weliswaar geen uitspraak van de hoge rechter, maar wêl de tekst van een schikking tussen de eisers en een van de interveniënten, namelijk de Aalmoezenkas van de stad Neurenberg. Als de keizer dit stuk ter kennis van de Neurenberger Raad brengt, spoort hij hem ook aan om zich voor een volledig accoord tussen de partijen in te zetten (20 maart 1603).18

Voor de rechtshistoricus is echter van belang dat hier, in de Rijkshofraad, eindelijk het 'internationale' aspect van het onderhavige conflict aan de orde wordt gesteld.19 De tegenpartij van Loijsa bracht het op 26juni 1548 tussen het Duitse Rijk en de Bourgondische Kreis gesloten Verdrag van Augsburg in het geding. Waren de 'Nederlanden' na 1548 nog wel integraal deel van het Rijk? Volgens het Verdrag zouden de 'nedere erflanden' slechts in het geval dat zij hun contributie aan het Rijk niet betaalden, aan de jurisdictie van het Rijkskamergerecht onderworpen zijn en daar door de keizerlijke fiscaal gedaagd kunnen worden. Voor het overige zijn de 'Nederbourgondische' erflanden en hun onderdanen aan de jurisdictie van het Rijkskamergerecht onttrokken. De onderdanen van het 'niet-Bourgondische' rijksdeel die in het 'Bourgondische' deel (de erflanden) komen of daar goederen hebben moeten aldaar dezelfde rechtsbescherming en vrijheden genieten, als de andere onderdanen van de erflanden; hetzelfde geldt voor het omgekeerde geval. Als een 'verwandte oder undertan' van het Rijk of van de Bourgondische landen om welke reden ook een vordering tegen een onderdaan van het 'andere Rijksdeel' meent te hebben, dient hij zijn recht te zoeken voor de 'ordenlichen obrigkeit oder gericht' van de verweerder.20 Bij conflicten regeert dus het 'actor forum rei sequitur'.21 Ik kom op dit thema hieronder nog terug.

Dat hiernaast ook een door Karel V op 3 oktober 1548, dus kort na het Verdrag van Augsburg, uitgevaardigd bevelschrift mêt strafbedreiging, werd ingebracht, illustreert wellicht de verwijdering die er rond 1600 tussen de Bourgondische Kreits en de Rijksstanden gegroeid was. De keizer verbood de rijksonderdanen, zich aan de jurisdictie van 'buitenlandse vorsten' te onderwerpen (zie Bijlage). Was de heer der Nederlanden een buitenlandse potentaat geworden?22 De Bourgondische Kreits was in 1548 tot het Rijk blijven behoren en de reeds genoemde Karel V had in een op 1 juli 1530 door hem uitgevaardigde Gouden Bul niet alleen de Brabantse Gouden Bulle van 1349 bevestigd, maar tevens aan kanselier en raden van Brabant de bevoegdheid gegeven in zijn naam tegen 'rebellen' - degenen die inbreuk maken op het in de Bul bepaalde - de rijksban uit te spreken.23 Beschouwden de Hallers in de Rijksstad Neurenberg zo'n vijftig jaar later de Bourgondische Kreits reeds als 'buitenland'?

 

5. De Brabantse Gouden Bulle

De toepassing van de regel dat men zijn/haar tegenstander voor diens eigen rechter moest dagen lijkt door Loijsa Haller in ieder geval wêl gefrustreerd te zijn. De - in Neurenberg wonende - executeurs van Carl Haller's testament verschenen slechts in 1595 (in Brussel?) voor de pauselijke commissarissen en hoorden daar de voor de familie Haller onaangename beslissingen aan. Hiertoe hoorde óók de uitspraak dat de ex-religieuze voor de helft erfgename was van haar beide ouders. De burgerlijke rechter, de Raad van Brabant, behoefde het kerkelijke vonnis slechts tot uitvoering te brengen. Voor zover mij is gebleken reageerden de executeurs nooit op de dagvaardingen om voor de Raad van Brabant te verschijnen en werden zij contumaces verklaard. De Raad kon dan in Brabant représailles tegen hen nemen, en de beoordeling van het erfgename-zijn van Loijsa ontsnapte zo aan de Neurenbergse raad.

Wie kennis neemt van de talrijke nota's, supplieken, protesten, replieken, enzovoort. die de Westfaalse en de Bourgondische Kreitsen, de Rijksstanden, de keizer, zijn vertegenwoordigers, alsmede de Rijksstad Keulen rond de Rijksdagen en Keurvorstendagen vanaf 1580 over de 'Brabantse evocaties' uitgewisseld hebben,24 bemerkt dat er reeds toen binnen de standen van het 'niet-Bourgondische' deel van het Rijk grote onvrede bestond over de door de Raad van Brabant aan de forum rei sequi-regel gegeven interpretatie. Overeenkomstig de tekst van de Bulle van Karel IV paste de Raad dit beginsel ook toe op de berechting van criminele verdachten, op procedures tegen debiteuren met contractuele schulden en op conflicten over onroerende goederen,25 maar de opponenten binnen het Rijk achtten dit in strijd met het ius commune of de rijksconstituties. Niet overeenkomstig de tekst van de door Karel V verleende Gouden Bulle die sprak over de bescherming van inwoners (incolae degentes, residentes aut habitatores) van Brabant, Limburg enzovoort, was de Brabantse praktijk, de houders van buiten deze territoria gelegen Brabantse, Limburgse, en Valkenburgse lenen eveneens als Brabantse onderdanen te beschouwen. Ik noem twee vaak als voorbeeld aangehaalde gevallen.

Bij een geschil over de steeds als Guliks territoir beschouwde heerlijkheid Monschau (Montjoie) had de graaf van Berlaymont bij de Raad van Brabant (en niet bij het bevoegde Rijkskamergerecht) verschillende vonnissen uitgelokt ten nadele van de hertog van Gulik, omdat Monschau een Limburgs (dus Brabants) leen was.26 De stad Keulen kon een conflict met Anton von Harff, heer van de aan Keulen naburige heerlijkheid Hürth, over het onderhoud van een uit Hürth naar Keulen lopende beek, niet door het Rijkskamergerecht laten beslechten, omdat de heerlijkheid een Valkenburgs (dus Brabants) leen was. De Raad van Brabant claimde de jurisdictie in dit proces.27 Een steen des aanstoots van de andere Rijksstanden was voorts het 'kommeren' of gerechtelijk beslag leggen binnen Brabant op de persoon of de (meestal: roerende) goederen van een 'vreemdeling', op welke wijze de relatieve competentie van een Brabants gerecht (als forum arresti) in het leven geroepen werd.

 

6. Ten slotte

De processen van Loijsa Haller tonen ons, hoezeer de eenheid van West-Europa rond 1600 uit elkaar was gevallen. De Cisterziënnerkloosters leden onder de opkomst van het Nieuwe Geloof, de religieuzen traden terug in de wereld, de oude eenheid van het recht, gesymboliseerd in het gezag van de paus en de keizer was verloren. De Oostenrijkse erflanden en de landen van de Bourgondische Kreits hadden het Heilige Romeinse Rijk van Duitse Natie de facto bijna verlaten, de eenmaal vanzelfsprekende rechtshulp tussen de rechtbanken van het oude Rijk bestond niet meer. Dit laatste sproot, voor wat de Bourgondische Kreits betreft, in wezen voort uit de uitschakeling van het Rijkskamergerecht als hoogste gerecht.

In deze veranderende omgeving bleken de rechtsvragen over de (pretense?) bevoegdheid van een binnen de Bourgondische Kreits zetelend (Brabants) gerecht om recht te spreken over aan het Rijk onderhorige verweerders en hun goederen, en over een eventuele verplichting van andere rechters binnen het Rijk om te assisteren bij de executie van dergelijke vonnissen, niet meer aan de hand van de traditionele literatuur en rechtsleer te beantwoorden. Pas in de gemeenrechtelijke praktijk van de late zeventiende en de achttiende eeuw vond het beginsel erkenning, dat gerechten binnen dezelfde staat onderling verplicht waren tot het verlenen van rechtshulp. In theorie althans ging men tot aan het einde van het Ancien régime uit van een uniforme rechterlijke organisatie van het Rijk en dus van de plicht tot onderlinge rechtshulp door en aan alle landsheerlijke rechters. Het sluitstuk wordt dan uiteraard gevormd door een instantie die namens het Rijk een en ander desnoods met dwang kan verwezenlijken.28

De Bourgondische Nederlanden maakten van dit systeem geen deel meer uit, maar maakten zich er ook niet geheel los van. Tot irritatie van de aangrenzende Rijkstanden bleef de Raad van Brabant de in de Brabantse Gouden Bulle (1349) en haar bevestigingen en uitbreidingen opgesloten privileges van Brabantse 'onderdanen' veel extensiever interpreteren dan in het Rijk aanvaardbaar gevonden werd. In het Abschied van de Rijksdag van Regensburg (1641) beloofde de keizer (de Habsburger Ferdinand III) dan ook, er bij de koning van Spanje (de Habsburger Filips IV) en de gouverneur-generaal van de Nederlanden, de kardinaal-infant en 's konings broeder, Ferdinand, op aan te dringen de werking van de Bulle secundum ius commune te beperken tot een verbod van evocatie van Brabantse onderdanen buiten het Brabants territoir als gedaagden in persoonlijke acties, alsmede een verbod op het creëren van rechterlijke competentie door middel van het leggen van gerechtelijk beslag op de persoon of de goederen van zo'n Brabantse debiteur.29

De demarches van de keizer sorteerden blijkbaar niet veel effect, want de standen van het Rijk lieten de volgende keizers reeds vóór hun kroning het zetten van soortgelijke stappen beloven. In de 'Wahlkapitulation' van de zoon van keizer Ferdinand III, zijn beoogd opvolger koning Ferdinand IV (1653-1654), vinden we voor het eerst de belofte terug dat hij een eind zal maken aan het misbruiken van de Gouden Bulle. Soortgelijke beloften zullen in alle capitulaties van Leopold I (1658) tot en met Leopold II (1790) voorkomen.30 Als men bedenkt dat de Habsburgse keizers steeds de bescherming van de privileges van hun Oostenrijkse erflanden voor ogen hadden en dat zij bovendien sinds het begin van de achttiende eeuw ook nog heer der Zuidelijke Nederlanden waren, verwondert men zich niet over hun weinig actieve houding bij het oplossen van het 'Brabantse probleem'. De steunbetuigingen van het Praagse hof ten behoeve van Loijsa Haller en Alberto Struzzi zullen eveneens met het Habsburgse familie-netwerk hebben samengehangen. Kenmerkend lijkt mij het slot van een verzoek dat Alberto Struzzi aan de keizer richtte om een nieuw uit te vaardigen bevelschrift aan de Neurenbergse Raad ditmaal te voorzien van een bedreiging met een fikse geldboete bij overtreding (en een harde bestraffing bij herhaling):

Op deze wijze verricht de keizer een werk van Goddelijke gerechtigheid, en zo zal ook aartshertog Albert van Oostenrijk, mijn genadige vorst en landsheer, meer reden hebben om snel recht te doen, als hij in zijn Bourgondische land een verzoek krijgt om rechtshulp van de kant van de keizer of de onder hem staande rechters en Rijksstanden.31

Horen wij hier de woorden van een adviseur of die van een onderdaan?

 

 

1 Haus-, Hof- und Staatsarchiv Wien, Reichshofrat, Alte Prager Akten, K 79. Vgl. Die Akten des Kaiserlichen Reichshofrats, Serie I: Alte Prager Akten, Bd. 2: E-J, red. v. W. Sellert, bearb. v. E. Ortlieb (Berlin 2011) pp. 394-397, Nr. 1696.
2 Elisabeth van Logenhagen (geboren in 1512) was de dochter van Cornelis van Logenhagen, rentmeester te Antwerpen, en Henrica, dochter van Jan Marceliszoon van den Eeckaert. Zij huwde op 21 augustus 1529 te Antwerpen met Wolf Haller.
3 De eerst korte tijd in het klooster residerende Loijsa werd in 1579 tot abdis verkozen, vooral omdat haar gefortuneerde ouders (lees: moeder) haar zouden kunnen bijstaan bij de herbouw van de vervallen abdij. In 1583 onthief de gouverneur-generaal der Nederlanden haar, na het ontvangen van klachten over haar gedrag, van haar functie; zie: O. Daumont, Soleilmont. Abbaye Cistercienne 1237-1937 (Paris/Charleroi 1937), pp. 115-117;         [ Links ] In U. Berliêre, Monasticon Belge. Tome I: Provinces de Namur et de Hainaut (Maredsous 1890-1897), vindt men onder de 'Abbaye de Soleilmont' een lacune in de opsomming der abdissen tussen Anne Robert, overleden in 1578, en Madeleine Bulteau, abdis geworden in 1583 (p. 389).
4 Ook op deze plaats dank ik mijn collega prof. dr. Chris Coppens voor zijn nuttige informatie over de activiteiten van de pauselijke Penitentiarie in de zestiende eeuw.
5 Zie: Bayerisches Hauptstaatsarchiv Reichskammergericht, Bestellnr. 14720, Quadrangel 11; vgl. Bayerisches Hauptstaatsarchiv Reichskammergericht. Bd. 11: nr. 4492-5084 (Buchstabe H), bew. d. W. Füssl (München 2004), Inv. nr. 4582.
6 Volgens D.J. Harreld, High Germans in the Low Countries. German Merchants and Commerce in Golden Age Antwerp (Leiden/Boston 2004), p. 90,         [ Links ] verbleef hij toen in het grote huis van de Fuggers aan de Steenhouwersvest.
7 Vgl. J. Martínez Millán (dir.), La Corte de Carlos V. Pars III: Los servidores de las Casas Reales. Vol. IV (Madrid 2000), p. 195.         [ Links ] Here, Wolf Haller is described as 'Secretario del Imperio de la Casa de Borgona del emperador, desde el 1-X-1552'.
8 Zie de biografieën van Wolf Haller von Hallerstein (1492-1559) in: Neue Deutsche Biographie Vol. 7 (Berlin 1966), pp. 561 e.v., en van Bartholomaeus Haller von Hallerstein (1486-1551), ibidem, pp. 557 e.v.
9 Vgl. over het dagvaarden van gedaagden die zich buiten de jurisdictie van de Raad van Brabant ophielden: P.G.F.P.N. Merula, Manier van Procederen, in de Provintien van Holland, Zeeland ende West-Vriesland, belangende Civile Zaaken (Delft 1705), Bk. 4, tit. 24, kap. 16.
10 Zie: Bayerisches Hauptstaatsarchiv Reichskammergericht, Bestellnr. 14720, Quadrangel 18, fol. 64v en 67v-70r. Omdat de archieven van de Raad van Brabant, berustend in het Rijksarchief te Brussel (Anderlecht), slechts gedeeltelijk ontsloten zijn, was het mij niet mogelijk over het voor dit college gevoerde proces vanuit Brussel inlichtingen te verkrijgen.
11 De diffamator moest dan voor het gerecht van de beledigden verschijnen. Zie A. Gail, Practicarum observationum tam ad processum judiciarium praesertim imperialis camerae quam causarum decisiones pertinentium (Eerste druk: Koln 1578; Koln 1668), Bk. 1, Obs. 9, § 3.
12 De uitspraken van de Raad van Brabant werden door een privilegium de non appellando illimitatum beschermd, terwijl Loijsa zelf, als Brabants onderdaan, slechts voor haar onmiddellijke plaatselijke rechter gedaagd mocht worden; zie: P.L. Nêve, 'Hoe "soeverein" was de Raad van Brabant?', in: E.J.M.F.C. Broers e.a. (red.), Ius Brabanticum, ius commune, ius gentium. Opstellen aangeboden aan prof. mr. J.P.A. Coopmans ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag (Nijmegen 2006), pp. 9-20, bijz pp. 13-14.         [ Links ]
13 Op 10 maart 1598 betekende Petrus van Bossuyt, deurwaarder van de Raad van Brabant, dit bevel. Zie: Bayerisches Hauptstaatsarchiv Reichskammergericht, Bestellnr. 14720, Quadrangel 18, fol. 70r.
14 Deze uit Parma afkomstige bankier van adellijke afkomst (overleden in 1638) was Alexander Farnese gevolgd toen deze door Philips II met het herstel van de rust in de Nederlanden belast werd. Na de dood van Farnese (1592) bleef hij in het Spaans-Nederlandse leger en bekleedde daarna een belangrijke positie aan het hof van de aartshertogen. Hij hertrouwde na de dood van zijn echtgenote Loijsa Haller in 1612 met Dorotea Romeu, Dama de Honor van Isabella. De landsheren vaardigden hem in 1614 af naar Madrid om daar hun belangen te behartigen aan het Spaanse hof. Namens hen bood hij toen de toekomstige koning Philips IV van Spanje een collectie houten speelgoedsoldaatjes aan, alsmede een brochure met de titel: Imago militiae auspiciisAmbrosii Spinola, belgicarum copiarum ductoris; zie: G. Parker, The Army of Flanders and the Spanish Road 1567-1659 (2de uitg. Cambridge 2004),         [ Links ] p. 1. Zie voorts: M.E. Echevarría, 'Erycus Puteanus et Alberto Struzzi: histoire d'une amitié', in: Journal of Neo-Latin Studies 49 (2000), pp. 239-249.         [ Links ]
15 Zie: Die Akten des Kaiserlichen Reichshofrats, Serie I: Alte Prager Akten, Bd. 2, pp. 395-396.
16 Aangehaalde literatuur: Guillaume Durand (ca 1237-1296), Speculum iudiciale; Bartolus (13141357), In tertium tomum pandectarum, digestum novum commentaria, en: In secundam codicis partem; Antonius de Butrio (1338-1408); Petrus Philippus Corneus (1420-1492), Consiliorum, sive responsorum etc.; Alexander Tartagnus Imolensis (1424-1477), Commentaria ... in tertiam codicis partem; Robertus Maranta (1470/90 - ca 1540), Tractatus de ordine iudiciorum, vulgo speculum aureum.
17 Zie: Haus-, Hof- und Staatsarchiv Wien, Reichshofrat, Alte Prager Akten, K 79, Konv. 3, fol. 130r-134v. In het eerste halfjaar van 1600 leverde Loijsa ook een overzicht in van de in Neurenberg aanwezige bestanddelen van de erfenissen van haar ouders; ibidem fol. 125r-128r.
18 Zie: Die Akten des Kaiserlichen Reichshofrats, Serie I: Alte Prager Akten, Bd. 2, pp. 395-396. Ik wijs nog op: B. Tops, Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Processen van de adel, 1511-1650 (Brussel 2013), p. 51, nr. 203: Karel van Logenhaeghen met Ferdinando Suero (Swero) contra Alberto Struzzy, ridder, als gemachtigde van de uitvoerders van het testament van Charles Haller van Hallerstein, ridder [over:] de nalatenschap van laatstgenoemde, 1622-1625; en: P. Behets & H. Deceulaer, Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Processen van de particulieren (tweede reeks), 1477-1632 (vnl. 1529-1632) (Brussel 2013), p. 103, nr. 725: Alberto Struzzy (Strutio), man van Louise Haller van Hallersteyn c. Catharina van Logenhage, gehuwd met Francois de Cogety, en Constantia van Logenhage [over] de nalatenschap van Jan Marcelis Van den Eeckaert, 1614.
19 Zie de samenvatting van de antwoorden van de executeurs testamentair en de interveniënten op de grieven van de appellanten, in: Die Akten des Kaiserlichen Reichshofrats, Serie I: Alte Prager Akten, Bd. 2, p. 395.
20 Zie: L. Gross, R. von Lacroix, J.K. Mayr (Bearb.), Urkunden und Aktenstücke des Reichsarchivs Wien zur reichsrechtlichen Stellung des burgundischen Kreises. 3 dln. (Wien 1944-1945), 1, nr. 445, pp. 439-447.
21 Vgl. P.L. Nêve, 'Actor sequitur forum rei', in: J.E. Spruit en M. van de Vrugt (red.), Brocardica in honorem G.C.J.J. van den Bergh. 22 studies over oude rechtsspreuken (Deventer 1987), pp. 67-73.
22 In de 'Wahlkapitulation' van Jozef I (1690) is sprake van processen die 'nach Holland, Braband und andern auswendigen Potentaten gezogen werden'; tekst in: Gross e.a., Urkunden und Aktenstücke 3, p. 492, nr. 456.
23 Tekst in: Gross e.a., Urkunden und Aktenstücke 1, pp. 97-105, nr. 195. De tekst van de Bulle van 1349 is in die van 1530 geïnsereerd, zie pp. 98-100.
24 Zie voor de periode (1580) 1582-1600: Gross e.a., Urkunden und Aktenstücke 2, nrs. 730, 756, 757, 771, 772, 775, 776, 781, 787, 791, 792, 793, 794, 795 en 797.
25 Tekst van de Bulle van 1349 in: Gross e.a., Urkunden und Aktenstücke 1, pp. 98-100, nr.195.
26 Vgl. het standpunt van de Bourgondische Kreits (Regensburg 1598), in: Gross e.a., Urkunden und Aktenstücke 2, pp. 397-398, nr. 791.
27 Vgl. G. Eckertz (ed.), 'Tagebuch des kolnischen Rathherren und Gewaltrichters Jan van Brackerfelder (1512-1573)', in: Annalen des Historischen Vereins für den Niederrhein, insbesondere die alte Erzdiocese Koln 6 (1859) pp. 136-160; 7 (1859) pp. 154-187; L. Ennen, 'Der Hürther Bach', in: Annalen des Historischen Vereins für den Niederrhein, etc. 18 (1867) pp. 180-207, bijz. pp. 198-204 over de jaren 1560-1617. Zie ook: M. Kordes (Bearb.), Reichskammergericht Koln. Bd. 1: nr. 1-600 (A-F) (= Mitteilungen aus dem Stadtarchiv von Koln, 81) (Koln 1998), nrs. 305-309.
28 Zie het lemma 'Rechtshilfe' (van W. Sellert), in: Handworterbuch zur deutschen Rechtsgeschichte Bd. 4 (Berlin 1999), kol. 299-302. Vgl. G.W. Wetzell, System des ordentlichen Zivilprozesses (3. Aufl. Leipzig 1878 = Neudr. Aalen 1969), pp. 468-473.
29 Zie voor de periode 1600-1643: Gross e.a., Urkunden und Aktenstücke 2, nrs. 797, 809, 867, 877, 878, 879, 880, 881 (Regensburger Abschied), 883 en 884.
30 Zie: E. de Borchgrave, 'La bulle d'or de Brabant', in: Messager des sciences historiques ou archives des arts et de la bibliographie de Belgique 1875, pp. 79-96.
31 Suppliek aan het hof binnengekomen op 21 juni 1600; zie: Haus-, Hof- und Staatsarchiv Wien, Reichshofrat, Alte Prager Akten, K 79, Konv. 3, fol. 138v.

 

 

Bijlage

Haus-, Hof und Staatsarchiv Wien, Reichshofrat, Alte Prager Akten, Karton 79, Konv. 3, fol. 40 lr.

Mandatum poenale Imperatoris Caroli.V. generale ad omnes Rom. Imperii subiectos.

Serio mandamus, ut nostram et Imperii, vestramque superioritatem, iurisdictionem, feuda, bona et iura conservetis, neque vos neque vestros vasallos et subditos ad externa et foranea tribunalia in ius vocari, trahive sinatis, neque externorum Principum iurisdictioni vos aut vestros, ratione quorumcunque bonorum Imperii jurisdictioni subiectorum, quovis modo submittatis, neque citati compareatis, tam ratione personarum quam bonorum, sed potius antiquos Imperii limites conservare studeatis, Et si quid a quopiam extraneo Principe aut quovis alio attentari contigerit, ei pro virili resistatis, nosque et Fiscalem Iudicii Camerae citra ullam cunctationem certiores reddatis, quo in omnem casum de congruo remedio possit provideri. Datum Bruxellis 3 Octobris Anno etc. 48 sub poena indignationis et poena arbitraria, ratione contemptus et negligentiae.

Creative Commons License All the contents of this journal, except where otherwise noted, is licensed under a Creative Commons Attribution License