SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.30 issue1 author indexsubject indexarticles search
Home Pagealphabetic serial listing  

Acta Theologica

Print version ISSN 1015-8758

Acta theol. vol.30 n.1 Bloemfontein Jun. 2010

 

Het boek Prediker: een verrassende en uitdagende stem in de bijbel

 

The book of Qohelet: a surprising and challenging voice in the bible

 

 

H. Debel

 

 


Trefwoorde: Qohelet; Bybelse wysheid; Nietigheid (hebel); Patristiese eksegese van Qohelet


ABSTRACT

As historical-critical exegesis has demonstrated that the bible does not provide a readymade and unified answer to each and every actual question, the present study aims at highlighting the particular contribution of the book of Qohelet to the 'library' of biblical books. Against the background of the church fathers' christological interpretation of the book (1), emphasis is put on the need to situate and interpret the book in its original historical context (2), which has been identified - on account of its Late Biblical Hebrew linguistic profile - as the fourth or third century BCE. After some critical remarks on the traditional ascription of the book of Qohelet to king Salomon, its thematic statement that everything is 'vanity' () is presented and analysed (3). Finally, a plea is made for reading the book of Qohelet in the present, post-modern context as it expresses authentic existential doubt and, within this context, the need to enjoy the earthly life (4).

Keywords: Qohelet; Biblical Wisdom; Vanity (hebel); Patristic exegesis of Qoholet


 

 

Hoewel de bijbel 'het boek der boeken' genoemd wordt, is hij slechts 'boek' in de mate dat een veelheid aan boeken, ontstaan in verschillende contexten en geschreven vanuit uiteenlopende beweegredenen, in één enkele boekband werd samengebracht.1 Bijgevolg kan, in tegenstelling tot wat al te vaak verkondigd wordt, geen pasklaar antwoord op zogenaamd 'grote levensvragen' gevonden worden in de bibliotheek die de bijbel in werkelijkheid is. Daarentegen biedt elk boek van de bijbel afzonderlijk een specif ieke poging tot antwoord op een beperkt aantal menselijke vragen, gebonden aan een specifiek tijdskader, en zijn sommige van deze antwoorden zelfs onderling in tegenspraak. Tegen deze achtergrond beoogt de voorliggende studie de bijdrage voor te stellen die één bepaald boek aan de caleidoscoop van bijbelse antwoorden levert, met name het boek Prediker, dat dikwijls nog een nobele onbekende is bij wie zich interesseert voor bijbel, religie en zingeving. Met de canonfahige interpretatie van de kerkvaders als uitgangspunt in de eerste paragraaf (I), zal in de tweede paragraaf het belang benadrukt worden het boek te situeren en te begrijpen in zijn oorspronkelijke ontstaanscontext (II). Deze vormt vervolgens in de derde paragraaf de achtergrond waartegen de rode draad doorheen het boek voorgesteld wordt (III), hetgeen in de vierde paragraaf resulteert in een herwaardering van de eigenstandige plaats die het boek in de canon van bijbelse geschriften inneemt (IV).

 

1. DE CANONFÄHIGE INTERPRETATIE VAN HET BOEK PREDIKER IN DE OUDHEID

Wie even de tijd neemt om te grasduinen in het bijbelboek Prediker - wat gezien de geringe omvang van het boek geen onoverkomelijke opgave is - fronst wellicht even de wenkbrauwen bij het aantreffen van een dergelijke tekst in de canon van als geïnspireerd erkende geschriften. Dit merkwaardige geschrift uit de bijbelse wijsheidsliteratuur wordt immers niet alleen gekenmerkt door een opvallend sombere en zelfs pessimistische ondertoon in allerhande overwegingen omtrent de 'ijdelheid' van het aardse bestaan; daarnaast lijkt de auteur - die naar het Hebreeuws vaak 'Qohelet' genoemd wordt - een ongebreidelde genotzucht voor te staan en zich ver van God te houden: 'want God is in de hemel en jij bent op aarde' (Pr 5,1). Bovendien bevatten zijn bespiegelingen een aantal tegenstrijdigheden, zowel ten opzichte van de Torah als ten opzichte van elkaar.2

Bijgevolg is het geenszins verbazingwekkend dat de aanwezigheid van het boek Prediker in de canon van bijbelse geschriften van oudsher ter discussie gesteld werd. Reeds aan het einde van de eerste eeuw van onze jaartelling debatteerden de joodse rabbi's over de vraag of het boek al dan niet 'de handen verontreinigde', de terminus technicus voor de geïnspireerde status van een geschrift, waarbij evenwel opgemerkt dient te worden dat een geïnspireerd geschrift precies geacht werd de handen te verontreinigen. Terwijl de rigoureuze volgelingen van rabbi Shammai meenden dat het boek de handen niet verontreinigde en het dus niet als geïnspireerd beschouwden, zagen de meer liberale volgelingen van rabbi Hillel er geen graten in het boek een plaats te geven onder de Ketuvim of 'Geschriften'.3 Hoewel het pleit klaarblijkelijk beslecht werd in het voordeel van de opname van het boek in de TeNaK, lijkt Hiëronymus' commentaar op Pr 12,13 te suggereren dat de status van het boek tot in de vierde eeuw betwist werd onder de joden.4

Niettegenstaande de aanwezigheid van het boek Prediker in de canon door de christenen niet nadrukkelijk ter discussie gesteld werd, lijkt het ook bij hen weinig aanzien genoten te hebben tijdens de eerste eeuwen, hetgeen onder meer blijkt uit de complete afwezigheid van verwijzingen ernaar in het Nieuwe Testament. Pas tijdens de derde eeuw creëerde de allegorische exegese van de Alexandrijnse school een hermeneutisch kader voor de patristieke interpretatie van het boek. In deze context werd het boek Prediker op spiritualiserende wijze gelezen als een hulpmiddel voor de geest om zich te onthechten van de materiële wereld en te richten op de spirituele werkelijkheid.5 Zo stelde Gregorius Thaumaturgos in zijn Metaphrasis in Ecclesiasten, het oudste in zijn geheel aan ons overgeleverde commentaar op het boek Prediker, dat het boek tot doel had aan te tonen dat alle menselijke activiteiten nutteloos en vergeefs zijn, teneinde de mens te leiden naar het aanschouwen van de hemelse werkelijkheid. Eenzelfde teneur is aanwezig in de acht bewaarde homilieën van Gregorius van Nyssa bij de eerste drie hoofdstukken van het boek: het boek beoogt de geest te verheffen boven elk materieel streven en hem tot rust brengen, zodat hij uitstijgt boven al wat groots en verheven lijkt in deze wereld naar datgene wat door de zintuigen niet gevat kan worden. Slechts de door het Tweede Concilie van Constantinopel (553) veroordeelde Theodorus van Mopsuestia, één van de voornaamste vertegen woordigers van de Antiocheense school, lijkt zich te hebben verzet tegen deze tendens om het boek, dat hij als het werk van Salomo beschouwde, op een spirituele wijze te interpreteren.6

Ook in het Westen zette de spiritualiserende lezing van het boek zich door, wat niet in het minst te wijten is aan het Commentarius in Ecclesiasten van Hiëronymus, die de totstandkoming van zijn commentaar in het voorwoord situeert tegen de achtergrond van zijn spirituele begeleiding van een zekere Blesilla, die hij aan de hand van het boek in het monastieke leven wilde inleiden. Hij meende dat het boek bij de lezer wereldverachting (contemptus mundi) en de nood aan een ascetisch leven toegewijd aan God wilde opwekken, niet als gevolg van een gebrek aan respect ten aanzien van de geschapen werkelijkheid, maar wortelend in het verlangen naar de hemelse heerlijkheid die oneindig groter is dan om het even welke ondermaanse verworvenheid. Met deze opvatting legde hij de basis voor de traditionele lezing van de woorden van Qohelet in de Latijnse kerk, die onder meer tot uiting komt in het werk van Ambrosius van Milaan, Augustinus van Hippo en Gregorius de Grote. Ook latere auteurs als Hugo van St. Victor, Petrus Lombardus en Bonaventura beschouwden het boek in de eerste plaats als stimulans voor het onthechte leven toegewijd aan God.7

Zelfs in de negentiende eeuw bleef een dergelijke lezing van het boek domineren. In zijn commentaar, dat als één van de mijlpalen in de moderne exegese van het boek Prediker geldt, noemde F. Delitzsch het boek bijvoorbeeld het 'hooglied van de godsvrucht', omdat het zijn lezers in de richting van Christus zou leiden door op een prangende wijze de ijdelheid van het aardse te schetsen en zo het verlangen te wekken naar het nieuwe verbond dat in het bloed van Christus gesloten zou worden (Delitzsch 1875:190-192).8 Niet gespeend van een latente anti-judaïstische ondertoon, stelde hij resoluut dat in het boek Prediker het oude verbond zijn eigen graf dolf (Delitzsch 1875:220). In een hegeliaanse opvatting van de heilsgeschiedenis vormde het boek, antithetisch beschouwd, het noodzakelijke element van vervreemding en discontinuïteit tussen de 'these' van het mozaïsche jodendom en de 'synthese' van het christendom.

 

2. BEMERKINGEN VANUIT HISTORISCH-KRITISCH PERSPECTIEF

Hoewel de allegoriserende lezing van het boek Prediker zich tot in de twintigste en zelfs de eenentwintigste eeuw bleef handhaven, leidde de opkomst van de historisch-kritische exegese in het algemeen tot een herwaardering van de letterlijke betekenis van dit intrigerende geschrift uit de oudtestamentische wijsheidstraditie. Immers, teneinde de oorspronkelijke bedoeling van de auteur op het spoor te komen en het boek te begrijpen in zijn ontstaanscontext - hetgeen één van de voornaamste doelstellingen van de historisch-kritische exegese is - moet minstens tijdelijk abstractie gemaakt worden van de latere receptiegeschiedenis van het boek. Ook in onze hedendaagse, postmoderne context kan een 'recontextualisering' slechts recht doen aan het boek indien voorafgaandelijk de oorspronkelijke context van de auteur en zijn lezerspubliek bestudeerd worden en op basis daarvan nagegaan wordt in hoeverre het boek nog relevantie bezit voor een nieuw lezerspubliek in een totaal verschillende context.

In dit verband is het allereerst van wezenlijk belang enige kritische aantekeningen te maken bij de traditionele toeschrijving van het boek Prediker aan koning Salomo. Enerzijds is deze gebaseerd op het opschrift van het boek, dat Qohelet 'zoon van David' en 'koning in Jeruzalem' noemt (Pr 1,1), en anderzijds leidt Qohelet zelf de beschrijving van zijn grootse ondernemingen als koning in de eerste hoofdstukken in met het weinig aan de verbeelding overlatende 'Ik, Qohelet, was koning in Jeruzalem' (Pr 1,12). In de rabbijnse interpretatiegeschiedenis gaf deze vereenzelviging aanleiding tot de legende dat Salomo na zijn apostasie - die beschreven staat in 1 Kon 11 - de troon ontnomen en uit Jeruzalem verbannen werd door de demon Asmodeus, waarna hij klagend doorheen het land trok om zijn spijt te betuigen over de 'ijdelheid' van zijn ontrouw aan God, die hij tevens optekende in het boek Prediker. Nadat God zijn oprechte berouw aanhoord had, zou Salomo in zijn oude dag in ere hersteld zijn op de troon, hetgeen volgens de rabbijnse exegese verklaart waarom hij in het boek Prediker in de verleden tijd kon schrijven over zijn koningschap en toch, zoals verhaald wordt aan het einde van 1 Kon 11, als koning gestorven is.9

Desalniettemin is het bijzonder onwaarschijnlijk dat deze vereenzelviging van Qohelet met koning Salomo de historische werkelijkheid weerspiegelt. Vanaf het derde hoofdstuk ontbreekt immers elke allusie op het koningschap van de auteur; hij geeft veeleer de indruk onderworpen te zijn aan het gezag van dwaze en onrechtvaardige heersers, wiens onderdrukking van de armen en schending van het recht hij aanklaagt (Pr 3,16; 5,7; 8,9; 10,2). Dat hij zich in de eerste hoofdstukken als koning voordoet, past binnen het literaire procédé van de fictionele autobiografie, waarmee hij in dit geval beoogt uitspraken te doen over de waarde van de rijkdom en de wijsheid die met een koning geassocieerd werden, maar die hij achterwege laat zodra hij zijn punt gemaakt heeft. Bovenal echter vertoont de taal waarin het boek geschreven werd overduidelijk de typische kenmerken van het zogenoemde 'Laat Bijbels Hebreeuws', de taal die na de terugkeer van de ballingen uit Babylonië tot ontwikkeling kwam. Bijgevolg maakt het linguïstische karakter van het boek een datering in de tiende eeuw voor Christus - de tijd van koning Salomo - onmogelijk, hetgeen de reeds vernoemde F. Delitzsch inspireerde tot de gevleugelde woorden dat, indien het boek Prediker aan Salomo toegeschreven moet worden, er geen geschiedenis van de Hebreeuwse taal mogelijk is.10

Over de eeuw waarin het boek dan wel gesitueerd moet worden, bestaat echter onenigheid onder de geleerden die zich gespecialiseerd hebben in het Hebreeuws van het boek Prediker.11 Terwijl Qohelet naar de mening van C-L. Seow schreef in de volkstaal van de vijfde of vierde eeuw voor Christus - wat hij in een recentere bijdrage terugbracht tot de vierde eeuw (Seow 2008:193) - beschouwt A. Schoors de tweede helft van de derde eeuw als meest plausibele ontstaanstijd voor het boek Prediker, omdat in het taalgebruik de overgang naar het latere rabbijnse Mshna-Hebreeuws reeds duidelijk begint te worden. In beider opinies moet de inhoud van het boek Prediker evenwel begrepen worden tegen de achtergrond van het turbulente tijdsvak van de hellenisering van het Midden Oosten, die in gang gezet werd door de veroveringen van de Macedonische veldheer Alexander de Grote (356-323)12. Vooreerst brachten de strijd om zijn opvolging tussen zijn generaals, de Diadochen, en de daaropvolgende twisten onder de uit hen ontstane dynastieën, hevige politieke schokgolven teweeg in Palestina, dat de speelbal werd van grensconflicten tussen de Ptolemaeën in Egypte en de Seleuciden in Klein-Azië en Iran. Daarnaast rukte onvermijdelijk ook de Griekse cultuur op en drukte haar stempel op alle aspecten van het dagelijkse leven. Precies in deze context moeten Qohelet's bespiegelingen over de 'ijdelheid' van de dingen begrepen worden.

 

3. QOHELET EN DE 'IJDELHEID' VAN HET BESTAAN

Onder invloed van de hellenisering van het Oude Nabije Oosten werd immers voor het eerst uitgebreid gereflecteerd over de mogelijkheid van een leven na de dood in Israël, dat traditioneel niet in een opwekking van de doden geloofde. De gangbare vergeldingsleer beperkte zich tot het geloof dat wie een rechtvaardig leven leidde, tijdens zijn leven door God beloond zou worden met rijkdom, een hoge ouderdom en een talrijk nageslacht, wat bijvoorbeeld blijkt uit de belofte die aan Abraham gedaan wordt in het boek Genesis. Exemplarisch in dit verband is de epiloog van het boek Job, waarin Job gezegend wordt met een geweldig grote veestapel, zeven zonen en drie dochters, en honderdveertig levensjaren (cf. Job 42,10-17). In de jongere lagen en de latere geschriften van het Oude Testament breekt vervolgens het inzicht door dat God de rechtvaardige ook met wijsheid zou belonen en hem aldus in staat zou stellen om de dood te overwinnen, of zoals het in het boek Spreuken beschreven staat: 'De weg van het leven loopt naar boven voor de verstandige, die zo ontkomt aan het dodenrijk daar beneden' (Spr 15,24).

Het geloof in een lichamelijke opstanding uit de doden wordt echter niet eerder verwoord dan in het boek Daniël, dat in de loop van de tweede eeuw voor Christus geschreven werd:

En velen die slapen in het land van het stof zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om de vernedering van een eeuwige schande te ondervinden (Dan 12:2).

Ook in het eveneens uit de tweede eeuw voor Christus stammende tweede boek der Makkabeeën - dat oorspronkelijk in het Grieks geschreven werd en als dusdanig niet tot de joodse TeNaK behoort - wordt in de context van de marteling van zeven broers gealludeerd op het geloof dat de rechtvaardigen door God opgewekt zullen worden tot eeuwig leven (2 Makk 7,9).

Qohelet, de auteur van het boek Prediker, toont zich echter uitermate sceptisch ten aanzien van dergelijke speculaties over wat er na de dood met de mens zal gebeuren. Naar zijn oordeel kan een mens zich beter richten op de uitbouw van een kwalitatief waardevol leven in het heden dan zich te verliezen in bezorgdheid en angst omtrent de toekomst, want á la limite weet hij niet wat 'na hem' zal komen (Pr 3,22). Aldus trekt hij niet alleen de in zijn tijd opkomende overtuiging in twijfel dat God de wijzen in staat zou stellen om de dood te overwinnen, maar bovendien ook de traditionele vergeldingsleer, die eveneens gebaseerd was op het geloof in de samenhang tussen wat de mens in het heden doet en hoë het hem in de toekomst zal vergaan, de zogenoemde Tun-Ergehen-Zusammenhang. Qohelet stelt immers in de praktijk vast dat onrechtvaardigen soms beloond lijken te worden voor hun onrechtvaardige daden, terwijl de rechtvaardigen het lot beschoren is dat volgens de traditionele vergeldingsleer aan de onrechtvaardigen toekomt (Pr 8,14). Daarenboven, zo herhaalt hij meermaals, valt allen eenzelfde lot te beurt en moeten allen eenzelfde dood sterven: wijzen en dwazen, rechtvaardigen en zondaars, mensen en dieren (Pr 2,15-16; 3,18-21; 9,1-3). Niemand kan de dood ontlopen, en voor de doden rest niet de minste hoop meer (Pr 9,5-6).13

Om te beschrijven wat hij geobserveerd en bedacht heeft, bedient de auteur van het boek Prediker zich van het begrip 'ijdel', dat vooral bekendheid geniet in de spreekwoordelijke openingswoorden van het boek, die traditioneel vertaald worden als 'ijdelheid der ijdelheden', naar het Latijnse vanitas vanitatum. Wanneer hij schrijft dat alles 'ijdel' is (1,2; 12,8), doelt Qohelet uiteraard niet op pronkzucht of verwaandheid: het Hebreeuwse betekent letterlijk 'damp' of 'wind' en wordt in de figuurlijke zin gebruikt om kortstondigheid of vergankelijkheid aan te duiden.14 Ook de traditionele Nederlandse vertaling 'ijdel', die teruggaat op het Duitse eitel waarmee Luther vertaalde, refereert etymologisch gezien aan vluchtigheid of leegheid, maar wordt tegenwoordig in die hoedanigheid meestal vervangen door het kortere 'ijl'. In dat verband doet de Willibrordvertaling met de tautologie 'ijl en ijdel' een verdienstelijke poging om op een begrijpelijke wijze te vertalen en tegelijkertijd de traditionele weergave van met 'ijdel' te behouden. De Nieuwe Bijbelvertaling kiest daarentegen voor het allitererende 'lucht en leegte', waarmee de vertalers wellicht recht trachten te doen aan het ruimtelijke aspect waarvan drager is, dat onder meer naar voren komt wanneer Qohelet stelt dat alles ' en grijpen naar wind' is.

Met deze uitdrukking geeft Qohelet aan dat volgens hem het leven van de mens minstens ten dele bepaald wordt door toevallige omstandigheden die hij niet zelf in de hand heeft, net zoals een mens nooit vat kan krijgen op de ijle wind. Deze overtuiging brengt hem er vervolgens toe één welbepaalde vraag regelmatig te herhalen doorheen zijn beschouwingen: wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en tobben onder de zon? Hiermee doelt Qohelet niet zozeer op het materiële gewin dat de mens aan zijn arbeid overhoudt, maar wel op de sporen die hij achterlaat en die aan zijn bestaan herinneren. Net zoals voetsporen in het zand door de zee uitgewist worden, zo gaat op termijn ook de herinnering aan een mens verloren, stelt Qohelet vast (Pr 9,5), hoë wijs of rijk de mens in kwestie ook geweest moge zijn tijdens zijn leven (Pr 2,11.16). Wanneer een mens sterft, blijft er bitter weinig over van hetgeen hij tijdens zijn leven heeft verricht of bereikt: even naakt als hij uit de schoot van zijn moeder is gekomen, moet hij de wereld verlaten (5,14). Bovendien weet geen mens wanneer zijn kortstondige bestaan abrupt ten einde komt door zijn onafwendbare sterven (9,12).

Toch geven deze vaststellingen geen aanleiding tot een pessimistisch nihilisme bij Qohelet. Meermaals wijst hij er op dat hij toch iets goeds heeft ontdekt, meer bepaald dat het goed is voor een mens om te eten, te drinken en van het goede te genieten bij al het werken en tobben onder de zon, want dat is het enige wat hij heeft (2,24; 3,12-13; 5,17; 8,15). Na een beschrijving van het ogenschijnlijk hopeloze lot van de mens in het negende hoofdstuk, werkt Qohelet dit meer in detail uit door zijn lezers aan te raden hun brood met vreugde te eten en hun wijn met een opgewekt gemoed te drinken, altijd feestelijk gekleed te gaan en te genieten van het leven met een vrouw die ze liefhebben (9,7-9). De mens kan maar beter met beide handen deze mogelijkheden grijpen die hem in het heden geboden worden (9,10), want, zo stelt Qohelet, hij weet niet wat de toekomst hem zal brengen.

Deze aanbevelingen hebben ertoe geleid dat het boek Prediker door sommige geleerden gekarakteriseerd werd als een hedonistisch vlugschrift en zelfs met de Griekse filosofische stroming van het Epicurisme in verband gebracht werd.15 Echter, los van de vraag naar eventuele overeenkomsten met de levenshouding van Epicurus - die overigens eveneens vaak op een ongenuanceerde wijze wordt voorgesteld - zou het van kortzichtigheid getuigen de auteur van het boek Prediker te verwijten een ongebreidelde genotzucht voor te staan. Zijn pleidooi om vreugde te vinden in de kansen die zich aandienen, is geworteld in het besef dat het leven onvermijdelijk uitloopt op de dood, die door niemand ontlopen kan worden en van waaruit niemand kan terugkeren. Ondanks zijn kritische bedenkingen ten aanzien van het streven naar wijsheid, blijft hij vasthouden aan het voordeel van de wijsheid op de dwaasheid, die hij in verband brengt met feesten, lachen en het verkopen van onzin (7,5-6; 9,17-10,2; 10,12-14), in die mate dat hij stelt dat het beter is naar een huis van rouwen te gaan dan naar een feest, want de levenden doen er goed aan te bedenken dat de dood het einde is van iedere mens (7,2). Wie echter slecht leeft en handelt als een dwaas, stelt zichzelf bloot aan het risico vroegtijdig te sterven (7,17), terwijl de wijze sterk staat dankzij zijn wijsheid (7,19). Ook al zal de wijze er nooit in slagen de betekenis van het leven te doorgronden, toch biedt zijn praktische levenswijsheid een voordeel op de dwaasheid: de wijze beseft immers dat geen mens weet wanneer zijn tijd gekomen is en geniet daarom met wijsheid van het goede dat zich aandient.

 

4. BESLUIT: HET BOEK PREDIKER IN DE BIBLIOTHEEK VAN DE BIJBEL

Gesteld dat Qohelet met deze levensbeschouwing een antwoord trachtte te bieden op de uitdagingen van zijn tijd, kan tot slot de vraag opgeworpen worden of zijn geschrift in de huidige, radicaal verschillende historische context nog enige relevantie bezit en ook op de uitdagingen van onze tijd een antwoord kan bieden. Zonder enige twijfel verdienen zijn intrigerende overwegingen gelezen te worden in een postmoderne context, want voor een steeds groeiende groep van zoekende gelovigen kan het, zeker in het licht van de beslistheid waarmee leerstellige documenten bepaalde standpunten verdedigen, een verademing zijn vast te stellen dat existentiële twijfels ook in de joods-christelijke traditie zelf een plaats hebben gekregen. In het boek Prediker ziet de lezer een sceptische wijze aan het woord komen, die zich afvraagt of zijn bittere zwoegen wel enig resultaat zal opleveren, iemand die kritische bedenkingen uit ten aanzien van de mogelijkheid van een leven na de dood en tot de conclusie komt dat de mens maar beter kan genieten van de kansen die zich in het heden aandienen dan zijn hoop te stellen op een onbestemde toekomst. Dat het boek Prediker ondanks deze naar heterodoxie neigende beschouwingen een plaats gekregen heeft in de canon van bijbelse geschriften, toont aan dat ook voor de mondige gelovige die in een postmoderne wereld weifelend naar zin zoekt, plaats is in het 'huis voor velen'.

Toch is de aanwezigheid van het boek Prediker in de bibliotheek van de bijbel in het verleden meer als vloek dan als zegen ervaren, zoals onder meer blijkt uit de selectieve en spiritualiserende lezing van de kerkvaders. Eeuwenlang is Qohelet monddood gemaakt en voorgesteld als pleitbezorger van een wereldverachting die hem eigenlijk vreemd was, teneinde de bijbel met één stem te laten spreken en gelovigen een ondubbelzinnig antwoord te geven op hun vragen. De historisch-kritische exegese heeft echter aangetoond dat de bijbel in feite geen eenstemmig antwoord biedt op de grote vragen des levens, doch een waaier van antwoorden die in verschillende historische contexten neergeschreven werden en die de lezer voor de uitdaging plaatsen om zelf kritisch na te denken over zijn lotsbestemming in de wereld en zijn verhouding tot God. Ook het antwoord van het boek Prediker op de vraag naar de 'zin van het leven' prikkelt de lezer om te reflecteren over zijn plaats 'onder de zon'.

Bovendien waarschuwt de aanwezigheid van het boek Prediker in de bijbelse canon impliciet voor een sluipende tendens van wereldverachting in het christendom. De hoop dat het Rijk Gods komende is, mag christenen er niet van weerhouden waardering op te brengen voor het goede dat de wereld te bieden heeft. Deze noodzaak om van het goede in de wereld te genieten, wordt in geen enkel ander bijbelboek op een treffender wijze beschrijven dan in het boek Prediker. Alleen al om deze reden werd het door de joodse rabbi's terecht een plaats toegekend onder de bijbelse geschriften.

 

BIBLIOGRAFIE

AALDERS, G.C. 1948. De prediker. Kampen: Kok. COT.         [ Links ]

AUSLOOS, H. 2006. Oud maar niet verouderd. Een inleiding tot de studie van het Oude Testament. Leuven-Voorburg: Acco.         [ Links ]

BONS, E. 1997. Das Buch Kohelet in jüdischer und christlicher Interpretation. In: L. Schwienhorst-Schönberger (ed.), Das Buch Kohelet. Studien zur Struktur, Geschichte, Rezeption und Theologie (Berlin-New York: de Gruyter, BZAW 254), pp. 327-361.         [ Links ]

DEBEL, H. 2007. Gedenk, o mens, dat je zult sterven ... Het perspectief van het boek Prediker op het leven vóór en na de dood. In: H. Ausloos & B. Lemmelijn (eds.), Bijbelse wijsheid aan het woord (Leuven: VBS-Acco), pp. 85-119.         [ Links ]

DEBEL, H. 2009. Life-and-death advice from a conservative sage. Qohelet's perspective on life after death. In: L.D. Matassa & J.M. Silverman (eds.), Text, theology, and trowel. New investigations in the Biblical world (Scranton, PA: University Press), in druk.         [ Links ]

DELITZSCH, F. 1875. Hoheslied und Koheleth. Leipzig: Dörffling und Franke. BC IV/4.         [ Links ]

DRIJVERS, P. 2004. Alles is lucht? De betekenis van het woord in het bijbelboek Prediker. In: G.J. Venema (ed.), Prediker (Maastricht: Shaker, ACEBT 21), pp. 51-61.         [ Links ]

FOX, M.V. 1986. The meaning of Hebel for Qohelet. JBL 105:409-427.         [ Links ]

GINSBURG, C.D. 1861 (repr. 1970). The Song of Songs and Coheleth, commonly called the Book of Ecclesiastes. Translated from the original Hebrew, with a commentary, historical and critical. New York: KTAV Publishing House.         [ Links ]

JARICK, J. 1995. Theodore of Mopsuestia and the interpretation of Ecclesiastes. In: M.D.R. Carroll, D.J.A. Clines & P.R. Davies (eds.), The Bible in human society. Essays in honour of John Rogerson (Sheffield: Academic Press, JSOT SS 200), pp. 306-316.         [ Links ]

LAUHA, A. 1983. Omnia vanitas. Die Bedeutung von hbl bei Kohelet. In: J. Kiilunen, V. Riekkinen & H. Räisänen (Hrsg.), Glaube und Gerechtigkeit. In Memoriam Rafaël Gyllenberg (Helsinki: Finnische Exegetische Gesellschaft, SESJ 38), pp. 19-25.         [ Links ]

LEWIS, J.P. 1992. Jamnia (Jabneh), Council of. ABD 3:634-637.         [ Links ]

MILLER, D.B. 1998. Qohelet's symbolic use of . JBL 117:437-454.         [ Links ]

OGDEN, G.S. 1987. 'Vanity' it certainly is not. BiTrans 38:301-307.         [ Links ]

RUDMAN, D. 2007. The use of as an indicator of chaos in Ecclesiastes. In: A. Berlejung & P. Van Hecke (eds.), The language of Qohelet in its context. Essays in honour of Prof. A. Schoors on the occasion of his seventieth birthday (Leuven-Paris-Dudley, MA: Peeters - Departement Oosterse Studies, OLA 164), pp. 121-141.         [ Links ]

SCHOORS, A. 1996. Qoheleth: A book in a changing society. OTE 9:68-87.         [ Links ]

SCHOORS, A. 2001. Prediker. In: E. Eynikel, E. Noort, T. Baarda & A. Denaux (eds.), Internationaal commentaar op de Biibel. Vol. 1 (Kampen: Kok), pp. 1020-1030.         [ Links ]

SCHOORS, A. 2004. The preacher sought to find pleasing words. A study of the language of Qoheleth. Part II: Vocabulary. Leuven-Paris-Dudley, MA: Peeters - Departement Oosterse Studies. OLA 143.         [ Links ]

SCHWIENHORST-SCHÖNBERGER, L. 1994. Nicht im Menschen grundet das Gluck (Koh 2,24). Kohelet im Spannungsfeld judischer Weisheit und hellenistischer Philosophie. Freiburg-Basel-Wien-Barcelona-Roma-New York: Herder. HBS 2.         [ Links ]

SCHWIENHORST-SCHÖNBERGER, L. 2004. Kohelet. Freiburg-Basel-Wien: Herder. HThKAT.         [ Links ]

SEOW, C.-L. 2000. Beyond mortal grasp: The usage of hebel in Ecclesiastes. ABR 48:1-16.         [ Links ]

SEOW, C.-L. 2008. The social world of Ecclesiastes. In: L.G. Perdue (ed.), Scribes, sages and seers. The sage in the Eastern Mediterranean world (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, FRLANT 219), pp. 189-217.         [ Links ]

SEYBOLD, K. 1978. Art. . TDOT 3:313-320.         [ Links ]

 

 

Hans Debel is als aspirant van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (F.W.O.-Vlaanderen) verbonden aan het Centrum voor Septuaginta Studies en Tekstkritiek (http://www.theo.kuleuven.be/lxxtc/) van de onderzoekseenheid bijbelwetenschappen van de Faculteit Godgeleerdheid aan de K.U.Leuven (BE). Onder het promotorschap van prof. dr. Bénédicte Lemmelijn - naast professor Oude Testament aan de K.U.Leuven ook 'navorsingsgenoof aan de Fakulteit Teologie van de Universiteit van die Vrystaat te Bloemfontein, SA - bereidt hij een doctoraatsproefschrift voor over de tekstkritiek en vertaaltechniek in de Hebreeuwse en Griekse tekstgetuigen van het boek Prediker.

 

 

1 Getuige hiervan de etymologie van de term 'bijbel', die via het Latijnse biblia teruggaat op de Griekse meervoudsvorm , 'de boeken' (zie Ausloos (2006:37)).
2 Reeds in de talmoed wordt op deze tegenstrijdigheden gewezen, cf. het traktaat shabbat 30a, dat gericht is tot salomo, de vermeende auteur van het boek Prediker: "Salomo, waar is je wijsheid, waar is je verstand? Niet alleen spreken je woorden de woorden van je vader David tegen, maar ze spreken ook elkaar tegen" (vertaling genomen uit Schoors (2001:1021-1022)). Voor een kritische beoordeling van het vermeende auteurschap van Salomo zij verwezen naar mijn bijdrage Debel (2007:90-93), waarvan de argumentatie infra beknopt wordt samengevat.
3 Traditioneel werd aangenomen dat de afsluiting van de canon van de TeNaK geschiedde op de zogenoemde Synode van Jamnia, waar ook een formele beslissing genomen zou zijn aangaande het boek Prediker. Uit het recente onderzoek blijkt echter dat de omvang en de impact van deze rabbijnse vergadering schromelijk overschat werden in het verleden; zie onder meer Lewis (1992).
4 Voor een vertaling van deze passage uit het commentaar van Hiëronymus, zie Schoors (2001:1022).
5 Voor een beknopt overzicht van de christelijke interpretatiegeschiedenis van het boek, zie Schwienhorst-Schönberger (2004:123-134).
6 Dat hij ook de geïnspireerdheid van het boek Prediker ontkend zou hebben, zoals te lezen staat in zijn veroordeling, berust op een ongenuanceerde interpretatie van zijn polemiek met de allegorische interpretatie van het boek; aldus Bons (1997:332) en Jarick (1995:308-309).
7 Voor enkele uittreksels uit het werk van deze auteurs zij verwezen naar Ginsburg (1861:104-109).
8 Cf. tevens Aalders (1948:26): "Al bevat het derhalve geen rechtstreeksche of typische verkondiging van den Messias, het heeft in het geheel van den Oud-Testamentischen Kanon toch zijne van God gewilde plaats, om, in de tentoonstelling van de nietigheid en waardeloosheid van al het menschelijk zwoegen in dit leven, te prediken den Christus, die eeuwige en onvergankelijke waarde schenkt aan het naar blijvende waarde dorstende menschenhart."
9 Voor deze legende, zie bijvoorbeeld Ginsburg (1861:33).
10 Cf. Delitzsch (1875:197): "Wenn das buch Koheleth altsalomonisch ware, so gäbe es keine Geschichte der hebräischen Sprache".
11 Voor een omstandiger bespreking van en uitgebreide bibliografie omtrent de datering van het boek Prediker zij verwezen naar mijn bijdrage Debel (2009).
12 Zie dienaangaande bijvoorbeeld Schoors (1996).
13 Voor een uitgebreidere bespreking van de houding van Qohelet ten aanzien van de dood, zie mijn bijdrage Debel (2007).
14 Met betrekking tot de complexe discussie omtrent de betekenis van bij Qohelet zij onder meer verwezen naar Drijvers (2004); Fox (1986); Lauha (1983); Miller (1998); Ogden (1987); Rudman (2007); Schoors (2004:119-129); Seow (2000) en Seybold (1978).
15 Ook de kwestie van een eventuele beïnvloeding van Qohelet door de Griekse filosofische stromingen van het Epicurisme, Stoïcisme en Cynisme, is een bijzonder complexe aangelegenheid waarin al te vaak vage overeenkomsten als een bewijs van literaire afhankelijkheid beschouwd werden. Een meer genuanceerd beeld kan aangetroffen worden in het Habilitationsschrift van L. Schwienhorst-Schönberger (1994), die de hellenistische invloed op het denken van Qohelet beperkt tot een gemeenschappelijk perspectief van waaruit gedacht wordt, meer bepaald de vraag hoë de individuele mens het geluk kan bereiken.