SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.64 issue1 author indexsubject indexarticles search
Home Pagealphabetic serial listing  

HTS Theological Studies

Print version ISSN 0259-9422

Herv. teol. stud. vol.64 n.1 Pretoria Mar. 2008

 

Waren Judas en Thomas gnostici? Het evangelie naar Johannes met gnostische ogen gelezen

 

 

A van de Beek (Vrije Universiteit Amsterdam)*

Bijzonder hoogleraar van de Universiteit van Stellenbosch

 

 


ABSTRACT

Jude and Thomas, were they Gnostics? Reading the Gospel according to John from a Gnostic perspective
The discoveries of Gnostic texts since the mid of the twentieth century challenge biblical scholarship to read New Testament texts from new points of view. It is remarkable that Jesus' disciples who are prominently present in Gnostic texts, especially Jude, Thomas and Philip are also more conspicuous characters in the Gospel of John than in the Synoptics. This challenges scholars to read these sections in relation to Gnosticism. The article aims at reading the scenes dealing with Jude and Thomas in John's gospel with a Gnostic framework in mind. These texts gain more profile than by a traditional reading which is often based on a psychological understanding of Jude and Thomas. The article demonstrates that the author of John's gospel uses these passages in an anti-Gnostic discourse. Thomas is a Gnostic who could fully understand Jesus' words in a Gnostic way until he encounters the bodily risen Lord. Jude does not make such a conversion and disappears in the night. These are the option for Gnostics: either convert to the type of Christianity the Gospel of John teaches or being lost in darkness.


 

 

1. HET EVANGELIE VAN JUDAS

In het recent gepubliceerde Evangelie van Judas wordt deze discipel afgeschilderd als de ware discipel van Jezus. Judas was volgens dit geschrift een gnosticus voor wie de ware redding de bevrijding uit de materiële wereld is. Jezus zou deze leer hebben aangehangen en alleen aan ingewijden, van wie Judas de voornaamste was, deze hebben meegedeeld. Jezus zou de voorganger zijn in deze verlossing en Judas is degene geweest die deze bevrijding uit het materiële lichamelijke leven aan Hem heeft laten uitvoeren. Door Jezus te laten doden werd de onsterfelijke geest van Jezus losgemaakt van het minderwaardige lichaam en zo werd Judas de spil van het heilsgebeuren dat door Jezus is geïnitieerd en waarin anderen mogen participeren die eveneens zich van de binding aan het lichaam weten vrij te maken om uiteindelijk definitief van het materiële lichaam bevrijd te worden door de dood.

Het Evangelie van Judas mag dan recentelijk met veel ophef gepubliceerd zijn, maar in wezen is het een heruitgave. Het oorspronkelijk geschrift dateert uit de eerste eeuwen van het christendom, aangezien Irenaeus het in zijn boeken Tegen de Ketterijen (ong 180) al noemt met concrete informatie over de inhoud, waarbij de zinsnede die nu het meeste ophef heeft veroorzaakt ook toen al als het meest specifieke van het evangelie werd aangeduid: Judas die de weg bereidde tot de bevrijding uit het lichaam van Jezus als zuivere geest, en daarom de ware apostel is.1

Het Evangelie van Judas betoogt dat Jezus zelf ook een gnosticus was en dat Judas de ware discipel was. De nieuwtestamentische evangeliën betogen dat Jezus geen gnosticus was, ook geen gnostische verlosser, maar juist het vlees geworden Woord van God, een mens van vlees en bloed en dat Hij lichamelijk is gestorven en verrezen. Zelfs in zijn verheerlijkte bestaan heeft Hij vlees en benen en laat zien dat hij zo lijfelijk is dat Hij vis en honing eet (Luk 24:37-42). Dat plegen zuivere geesten niet te doen. Judas wordt in deze evangeliën niet afgeschilderd als de ware discipel maar als de verrader, die bovendien ook nog onbetrouwbaar was met geld en stal uit de armenkas (Joh 12:6). Dit beeld is in de kerkelijke traditie alleen maar versterkt: Judas is de discipel die de meest perverse identiteit heeft die een mens maar kan hebben, "an embodiness of wickedness, the incarnation of evil" (Zwiep 2004:8). De conclusie voor orthodoxe christenen die vasthouden aan de betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament is daarom voor de hand liggend: het Evangelie van Judas is een verzonnen verhaal, waarbij de geschetste intieme verhouding van Jezus en Judas wordt gebruikt om de eigen ketterse ideeën te rechtvaardigen. Het geschrift is interessant als document van deze ketterse stromingen, maar biedt geen informatie over de werkelijke Judas en zijn omgang met Jezus.

Zo lijkt het beeld simpel: óf Jezus en Judas waren gnostici en de gnostiek is de ware voortzetting van de leer van Jezus, óf Jezus was een lijfelijke, materiële presentie van God en Judas was zijn verrader om materieel gewin en op zijn gunstigst levend in de hoop op een aards materieel koninkrijk en dus evenmin als Jezus zelf een gnosticus. De gnostici plaatsen hen beiden in een gnostisch paradigma waarin geest en materie tegengestelden zijn. De orthodoxen plaatsen hen beide in een materiële wereld, waarbij ze tegenpolen zijn: de een geeft alles op, zelfs het allerkostbaarste wat Hij bezit, zijn eigen lichaam als gave in de dood; de ander neemt voor zichzelf ook wat hem niet toekomt.

Vanuit het orthodoxe paradigma wordt het gnostische verhaal gezien als een bewuste keuze om zich af te zetten tegen het ware geloof. Gnostici kiezen bij voorkeur tegenfiguren uit de bijbel als hun helden. Dat komt in hun geschriften herhaaldelijk voor en vinden we al in de antignostische teksten in het Nieuwe Testament. De ketters kiezen voor namen als Izebel (Op 2:15), Korach (Jud 11) en Bileam (2 Pet 2:14; Jud 11; Op 2:14). "Zij zijn de weg van Kaïn opgegaan", zegt de brief van Judas (11). Juist de gemeenschap waarin het geschrift van Judas werd gebruikt noemde zich de Kaïnieten (Irenaeus, Adv. Haer I.31.1). Binnen deze keuze voor tegenfiguren past dan de sleutelrol voor Judas die immers in het orthodoxe geloof een tegenfiguur bij uitstek is. Omgekeerd kan men dan vermoeden dat het fel antignostische geschrift dat de Judasbrief is, met opzet aan Judas is toegeschreven: er is een andere Judas, die niet de verrader is, maar zich houdt aan de ware leer, een tegen-Judas, die wordt aangeduid als dienaar van Jezus Christus en als de broer van Jakobus (Jud 1): de meest Joodse en op het concrete materiële leven gerichte van alle nieuwtestamentische schrijvers en bovendien de broer van Jezus.

 

2. POSITIES HERNOMEN

De posities lijken op deze wijze duidelijk en niet alleen orthodoxe christenen, maar ook de meeste historici zullen geneigd zijn het verhaal van de orthodoxie meer historische waarde toe te kennen dan het esoterische gedachtegoed van de gnosis, temeer daar deze stroming bol staat van allerlei fantastische beschrijvingen.

Toch kan men de vraag stellen of er geen reden is een ander en meer gecompliceerd beeld te schetsen en of het gnostische verhaal niet aspecten aandraagt die in de orthodoxe traditie zijn genegeerd maar waartoe ook het Nieuwe Testament wel aanleiding geeft. Daarmee bedoel ik niet alleen het theologische aspect dat ook het Nieuwe Testament aan Judas een rol toebedeelt in het heilsplan van God dat Christus heeft volbracht. Ook in het Nieuwe Testament wordt gezegd dat Judas zijn rol moest volvoeren "opdat de Schrift vervuld werd" (Joh 17:12; Hand 1:16). Judas speelt dus een rol in de vervulling van de Schrift en er kunnen zelfs expliciete bijbelverzen uit het Oude Testament (Ps 41:10 in Joh 13:18; Ps 69:26 en Ps 109:8 in Hand 1:20) worden aangehaald om dat te staven. Men kan er zelfs op wijzen dat het Griekse woord "paradidomi'" dat met "verraden" wordt vertaald als het om de daad van Judas gaat, eigenlijk overleveren betekent en ook wordt gebruikt voor de daad van God als Hij Jezus overlevert in de dood (Rom 8:32). Evenmin bedoek ik hier de theologische waarheid dat uiteindelijk alle volgelingen van Jezus achter Hem aan hun kruis op zich moeten nemen en Hem volgen (zo bijvoorbeeld Bultmann 1950:305; Carson 1991:410; Lincoln 2005:322).

Ook in deze theologische duidingen van de daad van Judas blijft Judas zelf de tegenfiguur. Hij is zelfs de zoon van het verderf (Joh 17:12). Hij mag dan een rol spelen in Gods bedoelingen, maar hij speelt daarin geen andere rol dan die van de sinistere verrader uit eigen kring die als vertrouweling, die samen met Jezus de maaltijd viert, zijn vriend en meester verraadt (Joh 13:18). Ook in deze duiding is er geen identificatie van Jezus' en Judas' bedoelingen, maar blijven zij tegenpolen. Judas mag dan heilstheologisch objectief Gods heil helpen voltrekken, subjectief blijft hij een schurk en het oordeel over hem is negatief: hij is de zoon van het verderf die als enige van de discipelen verloren gaat (Joh 17:12; cf Hand 1:18-20). Dat is wat anders dan het Judasevangelie voor wie hij de enige was die Jezus ware bedoelingen kende.

De vraag naar nuancering van het beeld strekt zich echter verder uit dan de theologische interpretatie. Het gaat ook om het historische beeld van Judas. Wat bewoog hem, wat waren zijn motieven en dus uiteindelijk: wat dacht hij? Dacht hij gnostisch en met Jezus mee? Of dacht hij begerig materialistisch en tegen Jezus in? Of zou er ook nog een derde mogelijkheid zijn: dacht hij gnostisch en tegen Jezus in? Zou Judas niet inderdaad een gnosticus geweest kunnen zijn die dacht dat hij met Jezus meedacht en juist daarin tegen Jezus in dacht? Om die vraag te beantwoorden kunnen we nauwelijks gebruik maken van het Evangelie van Judas zelf, met name vanwege het esoterische en vaak fantastische karakter van de gnostische geschriften. Deze bieden een schat aan historische informatie over wat de aanhangers van het gnosticisme dachten, maar weinig over historische gebeurtenissen en personen waarover ze het hebben. Als we dus over de historische Judas meer te weten willen komen, moeten we vooral terecht bij de nieuwtestamentische auteurs. Wel kunnen de gnostische teksten ons helpen om te verstaan wat zij schrijven over Judas en voor anderen, en vooral over de schaarse zinnen waarin deze personen zelf sprekend worden opgevoerd.

 

3. HET EVANGELIE NAAR JOHANNES

Voor het verstaan van de relatie van het vroegste orthodoxe christendom en de gnostiek zijn in het Nieuwe Testament vooral de geschriften van Johannes van belang. Zowel in het evangelie als in de brieven van Johannes gebruikt de auteur dikwijls gnostisch aandoende zinswendingen. De overeenkomst is zo sterk dat de indruk wordt gewekt dat beide behoren tot eenzelfde religieus-culturele context. Een vroegkerkelijke auteur schreef het evangelie zelfs toe aan de gnosticus Kerinthus (Feine-Behm-Kümmel 1962:132). Sommige meer recente auteurs beschouwden het evangelie naar Johannes als gnostisch beïnvloed (bijvoorbeeld Bultmann 1973). Inmiddels is niet alleen waarschijnlijk geworden dat de gnostiek al veel vroeger een invloedrijke stroming was, die mogelijk zelfs ouder is dan het christendom,2 maar ook dat het evangelie naar Johannes evenals zijn brieven juist antignostisch is. Dat is al de opvatting van Irenaeus (Adv Haereses III.11.1). De auteur gebruikt gnostische motieven om de gnostiek te bestrijden.3 Aan deze laatste gedachte wil dit artikel een bijdrage leveren.

Het evangelie naar Johannes besteedt bijzondere aandacht aan de persoon van Judas. De schrijver noemt details die andere evangelisten niet melden. Dat wil niet zeggen dat anderen niet hun eigen Judasverhalen hebben. Het andere karakter van de weergave van Judas en de theologische duiding daarvan bij Johannes geven de johanneïsche Judas echter een bijzonder profiel. In het licht van de betekenis van Judas in de gnostiek en het antignostische karakter van het evangelie van Johannes is het relevant om de aard van dat profiel nader te analyseren.

Dat is eveneens het geval bij de andere discipel die in de gnostiek bijzondere betekenis heeft gekregen: Thomas. Naast het Evangelie van Judas kennen we ook een gnostisch Evangelie van Thomas. Beide geschriften zijn van geheel verschillende aard. Het Evangelie van Thomas is een verzameling spreuken van Jezus die Thomas zou hebben opgeschreven; het Judasevangelie is niet van Judas maar een geschrift over de bijzondere rol van Judas met allerlei esoterische informatie. Maar beiden hebben gemeen dat ze in een gnostische context thuishoren. Daarbij is Thomas duidelijk veel minder extreem gnostisch als Judas. Wat Judas en Thomas ook gemeen hebben, is dat de personen die met de geschriften verbonden zijn in het Johannesevangelie bijzondere aandacht krijgen. Bij Thomas is dat zelfs nog karakteritieker dan bij Judas. In de synoptici is Thomas niet meer dan een naam in de opsomming van de discipelen van Jezus; bij Johannes krijgt hij een eigen profiel dat geleid heeft tot de befaamde "ongelovige Thomas". Om die reden is het eveneens relevant de passages over Thomas in het Johannesevangelie te bezien in het perspectief van het antignostische karakter van dat boek.

Het is methodisch wenselijk eerst de Thomaspassages uit Johannes na te gaan en pas daarna die over Judas. We noemden reeds dat Thomas alleen bij Johannes profiel krijgt. Blijkbaar was er niet zo'n brede Thomastraditie dat de andere evangelisten niet om hem heen konden. Dat maakt het mogelijk om de Johannesteksten in hun eigenheid te bezien, zonder de complicerende factor van andere aspecten uit het traditiegoed. Over Thomas kon Johannes vrij zijn eigen verhaal opzetten om zijn punt te maken naar de lezers. De figuur van Judas is daarentegen veel complexer waarbij het johanneïsche beeld verweven is met een bredere traditie. Het zal blijken dat de teksten over Judas dan ook minder helder geprofileerd zijn. Aan de andere kant geven juist de eigen accenten van Johannes ten opzichte van de synoptici inzicht in de functie van de Judasoverlevering in de confrontatie met de gnosis.

 

4. THOMAS (1): JOHANNES 11:16

De eerste keer dat Thomas in het Johannesevangelie ter sprake komt, is tegelijk de meest karakteristieke vanuit een gnostisch perspectief. Het betreft zijn opmerking aan het begin van het lange hoofdstuk 11 dat gaat over de opwekking van Lazarus. Jezus krijgt bericht dat zijn vriend Lazarus in Bethanië ziek is. De discipelen raden Jezus af daarheen te gaan, omdat ze in Judea dreigen Jezus te doden. Maar Jezus gaat toch. Dan zegt Thomas: "Laten wij ook gaan om met Hem te sterven" (11:16).

Gewoonlijk worden deze woorden van Thomas geïnterpreteerd als een sarcastische opmerking ( bijvoorbeeld Köstenberger 2004:332). Thomas is een pessimist en legt zich berustend neer bij het dwaze besluit van zijn meester.4 Als we echter deze woorden lezen in een gnostisch perspectief krijgen ze een heel andere betekenis. Hoe zullen lezers in de gnostische context waarin het Johannesevangelie functioneerde en waartegen het opponeerde deze tekst hebben gelezen? Mensen die dachten zoals het Judasevangelie, dat spreekt over de dood van Jezus als een bevrijding, zullen deze zin volstrekt niet cynisch hebben verstaan. Als we de pericoop proberen te lezen met gnostische ogen dan krijgt deze een heel andere betekenis. De zusters van Lazarus sturen bericht dat deze ziek is; ze duiden hun broer aan als degene "die Gij liefhebt" (11:3). Jezus reactie daarop is dat de ziekte niet ten dode is maar ter ere van God (vs 4). De evangelist informeert de lezer dat Jezus Lazarus en zijn zusters liefheeft (vs 5) en bevestigt daarmee wat de zusters al zeiden in vers 3. In dat licht is het volgende vers merkwaardig: Jezus blijft nog twee dagen waar Hij was. Hij onderneemt niets om Lazarus te redden. De discipelen interpreteren dit kennelijk als wijze voorzichtigheid gezien hun protest als Jezus daarna toch wil gaan. Maar een gnostische lezer zal zeggen dat daarin juist Jezus liefde blijkt. Dan krijgt de ingelaste opmerking over Jezus liefde voor Lazarus en zijn zusters pas profiel: omdat Jezus hen liefhad bleef Hij waar Hij was. Want waarom zou je een geliefde van ziekte genezen? Dat is misschien goed voor mensen die niet de ware kennis hebben, maar de geliefde gun je ontbonden te worden, bevrijd van het lichaam te leven als reine geest.

Dan volgt een gedeelte over het ware zien: wie in het duister wandelt stoot zich overal aan, maar wie in het licht wandelt weet te onderscheiden. Het ware handelen vindt op de juiste tijd plaats. De discipelen begrijpen niets. Ze begrijpen niet waarom Jezus gaat en ze begrijpen niet als Jezus spreekt over Lazarus' slaap. Ze nemen alles letterlijk en doorzien niet de diepere betekenis (vs 9-13).

Uiteindelijk spreekt Jezus zonder beeldspraak: Lazarus is gestorven. Voor de niet begrijpende discipelen zal dat een reden temeer zijn geweest om niet te gaan. Want er viel toch niets meer te redden. Maar voor de gnosticus is wat nu volgt zo helder als kristal. Lazarus is gestorven."En het verblijdt Mij om u, dat Ik daar niet geweest ben" (vs 15). Jezus is blij dat Lazarus gestorven is. Iedere gnosticus zal dat begrijpen. Iemand die behoorde bij de kring van de geliefden, was bevrijd uit de materie. En dat is van betekenis voor de anderen: zij moeten ook tot dat geloof komen. "Laten we dus tot hem gaan." De reine ziel van Lazarus is bevrijd uit de kerker van het lichaam en zich bij hem te voegen is een blij vooruitzicht. En dan spreekt Thomas tot zijn medediscipelen wat elke gnosticus zou willen belijden: "Laten wij ook gaan om met hem te sterven." Dit is geen cynische opmerking, maar een diepe geloofsbelijdenis. Het is een vreugdevol vooruitzicht. Lazarus is al bevrijd en als zij met Jezus meegaan zullen zij in die verlossing delen. Daarbij maakt het zelfs niet uit of "met hem" slaat op Jezus of op Lazarus.5

Een lezer in een gnostische context kan de woorden van Thomas nauwelijks anders hebben verstaan dan als een belijdenis van de ware kennis. Thomas is de discipel die verlicht is en de anderen moeten nog veel leren. Ze verstaan de echte betekenis van Jezus' woorden en handelen niet. In de context waarin het evangelie geschreven is, kan Thomas moeilijk anders worden verstaan dan als een ware gnosticus.

Allerlei elementen uit het vervolg van het verhaal bevestigen de gnostische lezer in zijn mening. Eerst is er het gesprek met Martha over de opstanding (vs 21-27). Martha denkt aan een opstanding in het laatste der dagen. Jezus stelt daartegen over dat wie in Hem gelooft, leeft ook al is hij gestorven. Wie in Hem gelooft, sterft nooit. De biologische dood is volstrekt irrelevant. Uiteraard is die irrelevant, want het is slechts het verlies van het lichaam. Wie geestelijk is, is al vrij in Christus. De biologische dood is alleen de voltooiing daarvan, maar doet aan het wezenlijke van de verlossing niets toe of af.

Maria blijkt in de volgende scène net zover als Martha aan het begin van de vorige. Ze zegt precies dezelfde woorden: "Here, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn" (vs 21, 32). Als Jezus al die mensen ziet huilen, wordt hij verbolgen en diep ontroerd (vs 33). Sommigen uit de omstanders vragen zich ook af waarom Jezus de dood van Lazarus niet heeft voorkomen (vs 37). Dan wordt opnieuw gesproken over woede van Jezus. Tweemaal wordt gezegd dat Hij Lazarus had kunnen redden. Tweemaal wordt Jezus kwaad. Is dat de woede van wie een onterecht verwijt krijgt? Of de machteloze woede van wie mogelijk een terecht verwijt krijgt, omdat Hij tenslotte gewacht had. Het had in elk geval niets geholpen want Lazarus was al vier dagen begraven (vs 17). Hij was dus toch te laat gekomen. Een gnosticus zal de woede van Jezus beter verstaan: het is de woede over het gebrek aan inzicht dat de dood niet iets is om te huilen als het om iemand in de kring van Jezus gaat.

Wat doet Jezus dan? Hij laat het graf openen. Dat roept protest op bij Martha: "Er is al een lijklucht, het is al de vierde dag." Maar Jezus laat het toch openen. Terecht: alsof er niet altijd al een lijklucht om het lichaam is. Laat het maar duidelijk worden, wat het lichaam is.

Dan wordt Lazarus opgewekt. Voor de gnostische lezer moet hier de wereld even stilstaan. Dat past niet in het beeld. Thomas met zijn gnostische belijdenis staat met zijn mond vol tanden. Er zal heel wat moeten gebeuren om die weer open te krijgen. Want niet zíj zijn tot Lazarus gegaan en met hem gestorven, samen met Jezus, maar Lazarus is teruggekomen bij hen als een wandelend lijk in een materieel lichaam.

 

5. THOMAS (2): JOHANNES 16:5-6

De eerste keer dat Thomas zijn mond weer opendoet, is met een vraag. Dat is aan het begin van de afscheidswoorden van Jezus in hoofdstuk 14. Judas is inmiddels vertrokken. Dan spreekt Jezus over waarheen Hij gaat. De discipelen weten waar dat is en ook wat de weg is. Dan is onmiddellijk Thomas de eerste die met een vraag komt. De vanzelfsprekendheid van het sterven met Jezus en het delen van de dood van Lazarus is gebroken. Het leek aan het begin van hoofdstuk 11 zo simpel, maar nu is er onduidelijkheid. "Here, wij weten niet waarheen Gij gaat; hoe weten we dan de weg?" (Joh 14:5). De gnostiek leerde een weg van verlossing door inwijding in de ware kennis. Die weg is minder helder dan Thomas had gedacht. Zijn vraag kan gezien worden als een vraag om verlichting door de grote Voorganger op de weg naar de verlossing. Hij krijgt prompt antwoord: Jezus zelf is de weg en de waarheid en het leven. De ware kennis van God loopt via Hem. Nu zij Jezus kennen, kennen zij Hem (Joh 14:7). Kennelijk is dat voor Thomas genoeg, maar Filippus blijft het niet begrijpen: "Toon ons de Vader en het is ons genoeg." Filippus wordt berispt over zijn onkunde. Hij is hardleers, in tegenstelling tot Thomas die niet berispt wordt over zijn vraag en met Jezus antwoord genoegen neemt.

 

6. THOMAS (3): JOHANNES 20:24-29

Thomas keert pas laat terug in het evangelie na de opstanding van Jezus. De discipelen zijn op de avond van de verrijzenis samen bijeen en zijn bang voor de Joden. Ze hebben de deuren dicht (Joh 20:19). Maar dat belet Jezus niet om in hun midden te verschijnen. De evangelist besteedt er opvallend weinig aandacht aan. Er staat alleen dat ze verblijd waren toen ze Hem zagen (20:20). Vervolgens ontvangen ze de Heilige Geest en worden uitgezonden. Voor de lezers was het niet nodig om dit uitvoerig uiteen te zetten.

Veel breder gaat de evangelist in op de bijzondere rol van Thomas. Die vroeg kennelijk verheldering. We zagen dat de johanneïsche Thomas de rol van de gnosticus heeft. In dat perspectief krijgt ook zijn afwezigheid op de paasavond een andere betekenis. Ook die afwezigheid wordt gewoonlijk toegeschreven aan het cynisme van Thomas. Hij kan zich niet voorstellen dat Jezus werkelijk is opgestaan en is zo teleurgesteld en verdrietig dat hij zich aan de kring van de discipelen onttrekt. Maar als Thomas een gnosticus is, is het logisch dat hij zich niet ophoudt bij de discipelen die eerst verdrietig zijn over Jezus dood en waarin vervolgens verhalen over verschijningen beginnen op te dagen. Thomas heeft daaraan geen enkele behoefte. Voor Thomas is Golgotha triomf. Het is dan toch gebeurd: Jezus heeft het lichaam vaarwel gezegd. Het is volbracht (Joh 19:30). De opwekking van Lazarus is in een nieuw perspectief gekomen. Het ging niet om Lazarus, maar om Jezus die de eerste is van de verlosten. Lazarus mocht inderdaad terugkomen om als een wandelend lijk te symboliseren wat wij zijn, maar Jezus is de ware verloste. Na de dood van Jezus kan Thomas met zijn belijdenis weer helemaal op zijn voeten staan en hij kan de discipelen rustig te woord staan. "Indien ik in zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de plaats der nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven" (Joh 20:25). Dat zijn niet de woorden van een diep verlangen, maar de hautaine woorden van degene die beter weet. De anderen zoeken nog naar materiële vervulling, Thomas weet dat het daarom niet gaat en dat we, nu de ware verlossing is aangebroken, daarop ook volstrekt niet moeten rekenen. Het is met dezelfde overtuiging als de sceptische ongelovige zegt: "Zolang als ik niet met eigen ogen gezien heb dat doden opstaan, zal ik dat niet geloven."' Die rekent er echt niet op dat dat zal gebeuren.

Thomas kan met die overtuiging rustig bij de andere discipelen zijn, niet als een ontroostbare broeder die men uiteindelijk heeft weten over te halen toch te komen, maar als de enige die verlicht is en beter weet. Hij kan die rol vervullen - totdat Jezus zelf verschijnt, lijfelijk en zo materieel dat Hij Thomas kan vragen de wonden te voelen, om met zijn vingers en hand in zijn lichaam in te gaan (20:27). Een gnosticus gruwt van de gedachte alleen al. Maar het wordt Thomas' nieuwe realiteit. Thomas is gnosticus af. De lichamelijke Jezus wordt door hem beleden als "mijn Here en mijn God" (Joh 20:28). Niemand is zo radicaal als de bekeerling, want geen van de andere apostelen had dat nog gezegd.

De lezer van het evangelie die met Thomas meedacht, wordt uitgenodigd dezelfde omkeer te maken. Misschien heeft de evangelist nog meer de leden van de gemeente op het oog die sympathiseren met gnostische gedachten en die hij wil vermanen om de goede belijdenis te bewaren: het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (Joh 1:14) en van Hem te zeggen: 'Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven' (1 Joh 5:20). Voor Thomas was het nodig dat hij eerst zag, de lezers worden opgeroepen om wijzer te zijn: "Zalig zijn zij die niet gezien hebben en toch geloven" (Joh 20:29). Voor hen is dit evangelie geschreven (Joh 20:31). De eerste versie van het evangelie6 eindigt met de omkeer van Thomas. Dat is blijkbaar de climax van dit antignostische boek. Thomas is geen ongelovige Thomas, Thomas is een verkeerd gelovige Thomas. Dat is veel erger. Want wie niet gelooft dat Jezus Christus in het vlees is gekomen, deze is de antichrist (1 Joh 4:1-3). Wie niet in de lichamelijke presentie van God in het vlees gelooft zoals de gnostici, is misleider en antichrist (2 Joh 7).

In de recente literatuur over Thomas wordt vermeld dat er drie tradities over hem bestaan: die van de nieuwtestamentische evangeliën, een gnostische en een over zijn zendingswerk in India (Schnackenburg 1971:403f). De eerste en de laatste lijken goed samen te gaan, terwijl de eerste twee elkaar uitsluiten. Toch is het de vraag of dat zo is. Ze gaan niet samen als ze beide betrekking hebben op dezelfde fase van Thomas leven. Maar diachroon gaan ze zeer wel samen. Thomas was eerst een overtuigde gnosticus, maar heeft zich later bekeerd tot het orthodoxe geloof, net zoals Saulus eerst een overtuigde Farizeeër was en later een even felle verkondiger van de opwekking van Jezus uit de dood.7 De gnostische teksten bewaren dan oud traditiegoed over Thomas en ontkennen de lichamelijke opstanding van Jezus. Als die niet heeft plaatsgevonden dan houd je de in hun ogen ware Thomas over.

 

7. JUDAS (1): JOHANNES 12:4-8

Thomas is de bekeerde gnosticus. De lezers van het evangelie worden uitgenodigd hun sympathie voor Thomas tot het einde vol te houden en te komen tot de belijdenis van de lichamelijke Jezus als hun Here en God. Geheel anders is dat met de sympathie voor Judas die onder de radicale gnostici nog evidenter is dan die voor Thomas, zoals uit het Judasevangelie blijkt. De vereenzelviging met Judas leidt tot niets. Hij is de zoon van het verderf volgens de evangelist.

Judas is in het Johannesevangelie veel minder karakteristiek een gnosticus dan Thomas. Dat is ook niet nodig. In een gnostische context zal zijn naam toch wel onmiddellijk met die stroming verbonden worden. Daarom kan de evangelist volstaan met hem zo zwart mogelijk af te schilderen, net als de tweede Petrusbrief en de Judasbrief weinig inhoudelijks zeggen over het gnostische gedachtegoed maar volstaan met een scheldpartij tegen deze mensen. Zoals het voor Judas voldoende is om over de gnostische Kaïnieten te zeggen dat ze inderdaad de weg van Kaïn zijn opgegaan, zo is het voor Johannes voldoende om diezelfde gnostici de kwalijke rol van Judas en het gruwelijke oordeel over hem voor te houden. Want Judas is "een duivel" (Joh 6:70).

Judas komt de eerste maal ter sprake in de pericoop die volgt op de opwekking van Lazarus: de zalving van Jezus' voeten door Maria (12:1-8). Beide pericopen zijn expliciet aan elkaar gekoppeld. Johannes 12 refereert aan de opwekking van Lazarus en bovendien is deze bij de maaltijd aanwezig. Martha bedient bij de maaltijd.

Omgekeerd legt de evangelist aan het begin van hoofdstuk 11 een relatie door te verwijzen naar de zalving door Maria (11:2). Daar wordt gesuggereerd dat die gebeurtenis eerder heeft plaatsgevonden ('gezalfd had'). Het gaat in de volgorde van de hoofdstukken 11 en 12 dus niet om een chronologische volgorde, maar om een inhoudelijke koppeling.

Ook de synoptici vermelden de zalving van Jezus door een vrouw. Er zijn een aantal opvallende verschillen tussen de versies van de synoptici en die van Johannes. In de eerste plaats melden de synoptici niet dat het Maria was. Lukas plaatst het verhaal trouwens ver buiten de directe geschiedenis van Jezus' laatste dagen voor zijn kruisiging, maar in het huis van Simon de melaatse in Galilea (Luk 7:36-30). Volgens Lukas zalfde zij de voeten van Jezus en volgens Mattheüs en Markus het hoofd. Volgens Lukas gaat het om een zondares en is de pointe de grootte van de vergeving, terwijl de andere evangeliën de nadruk leggen op de reactie over de verspilling van de kostbare zalf.

Dit laatste punt is van belang voor de rol van Judas in het gebeuren volgens het Johannesevangelie. Bij zowel Mattheüs en Markus als Johannes is de zalving de aanleiding tot Judas' voornemen Jezus te verraden. De synoptici zeggen dat de discipelen in het algemeen spreken over de verspilling, terwijl Johannes zegt dat het Judas was die dat deed. Bovendien deed hij dat niet uit medelijden met de armen, maar omdat hij zelf de armenkas beheerde en een dief was. Judas wordt door Johannes veel zwarter afgeschilderd dan door de synoptici en de vrouw wordt door haar te identificeren met Maria hoger gewaardeerd. Dat maakt Judas reactie des te erger. Het is onbegrijpelijk dat Judas hierin aanleiding ziet zijn meester te verraden. Ook bij de synoptici was Judas' reactie al scherper dan van de anderen. Alle discipelen mopperen, maar Judas trekt zijn radicale conclusie. Johannes geeft nog wat meer brandstof om het vuur tegen Judas aan te wakkeren: het misdadige gedrag van Judas die in de kas graaide. Het lijkt puur eigenbelang dat hem dreef. Maar is dat allemaal een voldoende verklaring voor Judas' reactie Jezus te verraden?

Voor een gnosticus ligt dat echter anders. Als we de gang van een met de gnostiek bekende lezer trachten te volgen, dan wordt de reactie van Judas heel begrijpelijk. De lezer heeft net hoofdstuk 11 gelezen, eindigend met de onbegrijpelijk opwekking van het lichaam van Lazarus. Nu komt dezelfde Maria die eerst al niet begreep waarom het gaat in de ware kennis en zalft de voeten van Jezus. Ze geeft daarvoor haar kostbare zalf. Zij zalft zijn lichaam alsof dat dat kostbare waard is. Het lijkt ook nog of het gaat om onuitsprekelijke dank voor de opwekking van het lichaam van haar broer. Als Judas er iets van zegt, krijgt hij als reactie van Jezus dat ze het gedaan heeft ter voorbereiding op zijn begrafenis. Specerijen en begrafenis horen bij elkaar als symbool voor het bewaren van het lichaam. Om het lichaam zo lang mogelijk te bewaren zalf je het en nog liever balsem je het. Je wilt de lijklucht tegen gaan.

Dat alles past niet in het denkraam van een gnosticus. De gnostische lezer, in wiens kringen Judas in aanzien was, begrijpt dus ten volle Judas' reactie. Dat wil niet zeggen dat Judas boos was op Jezus. Het gaat veeleer om een scheiding van de geesten. Hier is het hoogtepunt van de lichaamscultus: wandelende lijken en zalving van de doden. Maria is het toppunt van het onbegrip, van de oningewijde die niets heeft van de ware gnostische kennis. Nu zal Judas het tegendeel laten zien. Deze reactie van Judas hoeft Johannes, in tegenstelling tot de synoptici, niet eens expliciet te vermelden. Mattheüs en Markus zeggen dat Judas na de scène met de vrouw naar de overpriesters gaat (Matt 26:14; Markus 14:10). Johannes volstaat met het antwoord van Jezus op Judas' protest. De ingewijde lezer kan zelf zijn conclusie trekken, die geen andere kan zijn dan die van Judas: Jezus moet dood om waarlijk de Verlosser te kunnen zijn. Dat had Kajafas trouwens ook al gezegd als conclusie uit de opwekking van Lazarus, zonder te begrijpen wat dat werkelijk inhield (11:49-53).

 

8. JUDAS (2): JOHANNES 13:26-30

De tweede scène met Judas in het evangelie naar Johannes komt het meest overeen met de gedachten in het Judasevangelie. Dat is tijdens de viering van het laatste avondmaal in hoofdstuk 13. Jezus zegt tegen Judas: "Wat gij doen wilt, doe het met spoed" (vs 27). Uit het voorgaande blijkt dat het niet alleen maar een kwestie van willen van Judas is. Er is er één die de taak op zich moet nemen om Jezus over te leveren en wel de man die samen met Hem het brood eet - wie Hem het meest na staat. Zo staat het in de Schrift en die moet worden vervuld (vs 18). Wat Judas wil, is dus in lijn met de vervulling van de Schrift. De andere discipelen blijken geen ingewijden in dit geheimenis. Zij denken alleen maar aan de armen en aan geld en niet aan het diepe geheim van overlevering en verlossing. Gnostische lezers weten het geheimenis en weten wat Judas gaat doen. Zij begrijpen dan ook beter dan de discipelen wat Jezus zegt toen Judas vertrokken was: "Nu is de Zoon verheerlijkt" (vs 31). Dat de anderen oningewijden zijn blijkt wel doordat Jezus zegt dat zij niet kunnen komen waarheen Hij gaat, terwijl Hij in het gesprek met Thomas juist zegt dat zij komen waar Hij is (Joh 14:3). Er is dus een scheiding van de geesten. Niet van iedereen kan worden gezegd: "Ik weet wie Ik heb uitgekozen" (Joh 13:18). Van Judas is dat blijkbaar wel duidelijk: Hij is uitgekozen om het Schriftwoord te vervullen. De gnostisch beïnvloede lezer zal dus de scheiding der geesten toestemmen, maar positief en negatief net anders verdelen.

Ook in de versie van de synoptici wordt het verraad van Judas voorzegd (Matt 26:21-25; Markus 14:17-21; Luk 22:21-23). Daar ligt de spits echter veel meer op de vraag van de discipelen wie het zijn zal, bij Mattheüs 26:22, waarbij Judas afzonderlijk wordt genoemd in vs 25 en Markus (14:19) gericht op zichzelf, bij Lukas gericht op de ander (22:23). Bij de synoptici ontbreekt het element dat Jezus zelf aan Judas de opdracht geeft om te gaan. Daardoor komt Johannes veel dichter bij de gnostische versie ook al omdat het accent van de vervulling van de Schrift zwaarder is aangezet dan bij de synoptici.

Een opmerkelijk verschil is verder de interventie van Petrus en "de discipel dien Jezus liefhad". Petrus geeft deze een teken aan Jezus te vragen wie het is en de geliefde discipel wordt door Jezus door het teken van het indopen van het brood op de hoogte gebracht (13:23-26). Hij is de ingewijde. Omdat de geliefde discipel te identificeren is met de auteur van het evangelie is de auteur (in relatie met Petrus) de ware ingewijde in het geheimenis van Christus, boven de geheimenisvolle rol van Judas uit.8

 

9. JUDAS (3): JOHANNES 18:2-5

De laatste maal dat Johannes Judas noemt is bij de gevangenneming van Jezus (18:1-11). Ook hier wijkt Johannes aanzienlijk van de synoptici af. Aan de ene kant verzwaart hij de rol van Judas door deze zelf als de eigenlijke leider van het arrestatieteam te noemen: "Judas dan kwam daar die een afdeling soldaten tot zijn beschikking had gekregen." Over de kus van de verrader zwijgt de evangelist echter. Dat kan betekenen dat die niet nodig was, omdat immers Judas zelf de leiding had. Maar de evangelist geeft een andere wending aan het verhaal. Judas komt als de aanvoerder, maar Jezus zelf neemt onmiddellijk de leiding over. Hij treedt naar voren en vraagt wie ze zoeken (vs 4). Judas is als het ware terzijde geschoven. "En ook Judas, zijn verrader stond bij hen" (vs 5). Hij stond erbij, niet meer als leider, maar als meeloper. In die context past geen kus die de bijzondere relatie van Judas en Jezus bevestigt.

"En ook Judas, zijn verrader stond bij hen." Het is het laatste wat we in het evangelie over Judas lezen. Het is alsof zijn rol voor Jezus voorbij is sinds Hij hem wegzond uit de zaal van het avondmaal. Judas komt nog wel als de leider van de soldaten, maar Jezus schenkt aan hem geen aandacht meer. Hij staat bij de vijanden van Jezus en dat was het dan. Hij leek de leiding te hebben, maar hij is een betekenisloze meeloper geworden van de vijanden van Jezus. De volle aandacht gaat nu uit naar Petrus en de vraag naar het gebruik van geweld in de naam van Jezus.

 

10. JUDAS (4)

Johannes zet in de eerste twee scènes waarin Judas in de evangeliën voorkomt diens rol opmerkelijk zwaarder aan dan de synoptici. Bij de zalving wordt de reactie helemaal aan hem toegeschreven, zonder dat de andere discipelen ter sprake komen. Bij het laatste avondmaal is er een delen van het geheimenis tussen hem en Jezus. Bij de derde scène, de gevangenneming, wordt Judas plotseling tot een randfiguur. In de eerste scène schildert de evangelist hem bovendien af als moreel minderwaardig door te vertellen dat hij steelt uit de armenkas die hij beheert en in de tweede wordt dat in herinnering geroepen doordat de evangelist vertelt dat zij dachten dat Judas iets aan de armen moest gaan geven. Hier gaat een misdadiger naar buiten. Johannes hecht er blijkbaar aan Judas negatiever af te schilderen dan dat de synoptici dat doen. Dat past in zijn antignostische intenties: de discipel die gnostici als de ingewijde zien, is immoreel. Het is trouwens de vraag of het afschilderen van Judas als een dief voor gnostici zo negatief was. Zij hechten niet zozeer aan de moraal als wel aan inwijding. Het is overigens een algemeen menselijke neiging van mensen die zich als ingewijden beschouwen om met de middelen die zij in dat kader beheren makkelijk om te gaan. Maar voor orthodoxe christenen uit de omgeving van de auteur zal de diefstal van Judas wel zwaar hebben gewogen. Zij hechtten immers aan een moreel hoogstaand leven.

Daarom is het des te opvallender dat de verraderskus door Johannes niet wordt genoemd. Het is immers een perverse daad die Lukas kernachtig uitdrukt met de vraag van Jezus: "Judas, verraadt gij de Zoon des Mensen met een kus?" (Luk 22:48). Waarom benut Johannes deze daad van Judas niet om Judas verder zwart te maken?

Nog meer opmerkelijk is dat de evangelist een vierde scène over Judas die zowel Mattheüs (27:3-10) als Lukas in het boek Handelingen (1:16-26) noemen, niet vermeldt: de zelfmoord van Judas. Het berouw van Judas dat Mattheüs vermeldt (27:4) zou zelfs een aanleiding kunnen zijn om gnostici erop te wijzen dat ook Judas uiteindelijk moest inzien dat hij fout zat. Toch doet de evangelist dit niet. Hij laat Judas verdwijnen uit de wereld van Jezus. Zelfs de laatste keer dat hij er nog is, staat hij er alleen maar bij, maar wordt door Jezus niet meer in aanmerking genomen. De rol van Judas is uitgespeeld. Eén klein zinnetje aan het eind van de scène van het avondmaal geeft dat weer: "En het was nacht." (Joh 13:30). Dat herinnert aan wat Jezus heeft gezegd in het verhaal over de opwekking van Lazarus: "Gaan er geen twaalf uren in de dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is" (Joh 11:9 v). Judas loopt de nacht in en ziet het Licht der wereld niet. Hij stoot zich omdat het licht niet in hem is. Die zin reikt verder dan dat hij een onverlichte is. Het betekent ook dat wie niet in het licht van Jezus wandelt, in de nacht is. Mensen hebben het licht niet in zichzelf. Het gaat niet om innerlijke verlichting maar om het Licht der wereld. Judas vertrekt in de nacht en is buiten de kring van het licht. Zelfs het berouw en een laatste wanhoopsdaad worden hem niet gegund. Het blijft bij het oordeel over hem dat hij naar de Schriften moest dragen: hij is de zoon des verderfs.

 

11. CONCLUSIE

Johannes is een antignostisch evangelie. Dat wil niet zeggen dat de evangelist helemaal op de andere pool gaat staan. Hij wijst ook claims van zichtbaarheid en tastbaarheid af. Filippus' vraag om de Vader te tonen wordt nog krachtiger afgewezen dan Thomas' vraag naar de weg (14:8 v). Maria van Magdala mag Hem niet vasthouden (Joh 20:17). Zijn koninkrijk is niet van deze wereld waarin mensen voor een machthebber strijden (Joh 19:36). In de afwijzing van claims van zichtbaarheid en tastbaarheid staat Johannes dichter bij de gnostici dan de synoptici. Meijering stelt dat de gnostici er aan hebben bijgedragen dat het christendom niet vooral een morele ideologie is geworden (Meijering 2004:270). Johannes staat precies in dat spanningsveld: hij is geen gnosticus, maar ook geen zoeker van een aards koninkrijk van morele waarden. Dat laatste kan men trouwens ook van de synoptici niet zeggen. Eerder moet men stellen dat beide aspecten, zichtbare verandering van mensen en eeuwige verlossing in het nieuwtestamentische christendom in balans worden gehouden. Daarbij ligt de ene kant van de balans meer bij de synoptici en de andere kant meer bij Johannes. En zoals gewoonlijk is het conflict het hevigst tegen hen wie men het meest nadert. Mattheüs vermeldt heftige verwijten tegen de Farizeeën en schriftgeleerden (zie vooral Matt 23), die voor witgepleisterde graven worden uitgemaakt (Matt 23:27). Johannes zet zich vooral af tegen de gnostiek. Om duidelijk te maken dat de verlossingsleer van de christenen niet identiek was met de gnostiek, moesten juist degenen die het verlossingsaspect van het christendom benadrukten zich heftig afzetten tegen de gnostiek. Daarbij loopt hun taalveld voor een groot gedeelte parallel, waardoor het moeilijk is om het verschil aan te geven. Men kan stellen dat Johannes van deze nood een deugd heeft gemaakt. Zijn taalveld is zo gnostisch gekleurd dat de lezer met een gnostisch paradigma heel lang met hem kan meelopen, totdat plotseling de radicale tegenpool aan het licht komt.

Bij de figuur van Thomas gebeurt dat met een positieve spits. Thomas vervult de rol van de gnosticus en dat lijkt de hoofdrol te worden in hoofdstuk 11 waar het gaat over de dood. Totdat de dode opstaat. Thomas lijkt na het kruis niet geschokt zoals het hoopje verbijsterde discipelen, totdat hij de lijfelijke Jezus belijdt als Here en God. Zo staat Thomas model voor de gnosticus die zich laat overtuigen door de waarheid.

Judas heeft de negatieve rol. Deze kerndiscipel van gnostische kringen lijkt de hoogste opdracht in de verlossingsweg van Jezus te mogen gaan vervullen. De auteur van het Judasevangelie en die van Johannes 13 lijken elkaar de hand te reiken. Judas neemt zijn door de Schriften voorzegde rol op zich. "Hij nam het stuk brood en vertrok terstond" (Joh 13:30). En dan valt het lapidaire oordeel: "En het was nacht." De gnosticus die het bij Judas houdt, wordt uit het verhaal van Jezus weggeschreven. Hij is geen ingewijde maar een figurant van de ware tegenstanders.

Johannes gebruikt in zijn antignostische vertoog discipelen die bij de gnostici in aanzien stonden als model. Hij doet dat door hen de rol als gnosticus te laten spelen en zo de gnosticus mee te nemen in de gedachtegang van het verhaal. De gnostici of waarschijnlijk meer nog degenen die in de kerk met de gnostiek sympatiseerden, worden daarmee tot een keuze gedwongen: Thomas of Judas. Komen zij tot de ware belijdenis van Thomas of worden zij weggeschreven uit het verhaal van Jezus?

De johanneïsche Thomas en Judas zijn gnostici, of minstens als gnostici te interpreteren. De vraag is of de werkelijke Thomas en Judas dat ook zijn geweest. Van Thomas weten we vanuit het Nieuwe Testament niet meer dan Johannes ons meldt. Van Judas weten we ook uit de synoptici, maar die geven weinig licht op zijn theologische positie. Daar is hij alleen de onbetrouwbare verrader.

Gezien het feit dat het gnosticisme in de eerste eeuw al ruim verspreid was en meerdere van de nieuwtestamentische geschriften deze stroming heftig bestrijden, dikwijls zelfs zonder inhoudelijk op haar leer in te gaan, mag worden geconcludeerd dat ze van meet af aan vaste grond in het christendom heeft zoeken te vinden. De gnostisch getinte stromingen die het Johannesevangelie, de brieven en Openbaring bestrijden, zijn geen stromingen buiten het christendom maar daarbinnen. Het is niet iets dat ver af is. Ook al valt er uiteraard niets over personen met zekerheid vast te stellen buiten de teksten om, er is alle aanleiding om te denken dat de gnostiek vanaf het allereerste begin in het christendom aanwezig is geweest. Dan is het ook niet vreemd dat in het vreemde samenraapsel van leerlingen van Jezus ook gnostici aanwezig waren net als Simon de Zeloot en de tollenaar Levi.

Men kan mogelijk voorzichtig concluderen van de literaire gnostici Thomas en Judas naar de historische gnostici Thomas en Judas net als we met iets meer zekerheid van de literaire tollenaar Levi naar de historische tollenaar concluderen kunnen. Het is een andere vraag of Jezus hun gnostische ideeën heeft aanvaard. Johannes heeft dat in elk geval niet en volgens dat evangelie was de discipel dien Jezus liefhad de ware ingewijde en was dat niet Judas. Bij de synoptici past de gnostiek nog veel minder. De Jezus van de nieuwtestamentische evangeliën en de gnostiek gaan niet samen. Zoals eerder gezegd is de historische betrouwbaarheid van gnostische teksten niet te vergelijken met die van de canonieke evangeliën. Dat betekent dat Jezus Zeloten, tollenaars en gnostici in zijn gevolg kon hebben, maar ook dat zij die identiteit moesten opgeven in de navolging van Hem. Thomas moest zijn gnosticisme evengoed opgeven als Levi zijn tolhuis. Judas heeft het volgehouden tot het bittere einde. Dat einde was inderdaad bitter. 'En het was nacht.' In een door de gnostiek gekleurde context is dat zinnetje dramatischer dan de plastische beschrijving van het lot van Judas door Petrus in Handelingen 1.

De eye opener die het opnieuw gepubliceerde Judasevangelie biedt bij het lezen van de canonieke teksten, maakt eens te meer duidelijk dat gnosis en christelijk geloof niet samengaan. Hij maakt tegelijk duidelijk dat een christendom dat niet moet vechten met de taal van de gnosis op zijn minst eenzijdig is. Zonder het Johannesevangelie verliezen de synoptici hun betekenis. Dan zijn het interessante geschriften maar geen deel van de canon.

 

Literatuurverwysings

Beasley-Murray, G R 1999. John, 2nd ed. Nashville, TN: Thomas Nelson. (Word Biblical Commentary 36.         [ Links ])

Beck, D R 1997. The discipleship paradigm: Readers and anonymous characters in the Fourth Gospel. Leiden: Brill. (Biblical Interpretation Series 27.         [ Links ])

Bernard, J H 1942. A critical and exegetical commentary on the Gospel according to St John, Vol II. Edinburgh: Clark.         [ Links ]

Broer, I 1998. Einleitung in das Neue Testament, I: Die synoptische Evangeliën, die Apostelgeschichte und die johanneische Literatur. Würzburg: Echter Verlag.         [ Links ]

Bultmann, R 1950. Das Evangelium des Johannes. 11. Auflage. Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht. (Kritisch-exegetischer Kommentar über das Neue Testament, 2. Abteilung.         [ Links ])

Bultmann, R 1973. Die Bedeutung der neuentschlossenen mandäischen und manichäischen Quellen für das Verständnis des Johannesevangeliums, in K H Rengstorf (Hrsg), Johannes und sein Evangelium. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft.         [ Links ]

Carson, D A 1991. The Gospel according to John. Leicester: Intervarsity Press.         [ Links ]

Charlesworth, J H 1995. The beloved disciple: Whose's witness validates the Gospel of John? Valley Forge, PA: Trinity Press International.         [ Links ]

Köstenberger, A J 2004. John. Grand Rapids, MI: Baker Academic Books. (Exegetical Commentary on the New Testament.         [ Links ])

Feine, P, Behm, J & Kümmel, P 1962. Einleitung in das Neue Testament. 14. Auflage. Heidelberg: Quelle und Meyer.         [ Links ]

Lincoln, A 2005. The Gospel according to St John. London: Hendrickson. (Black's New Testament Commentaries.         [ Links ])

Haenchen, E 1980. Das Johannes Evangelium: Ein Kommentar. Tübingen: Mohr Paul Siebeck.         [ Links ]

Meijering, E P 2004. Geschiedenis van het vroege Christendom: Van de Jood Jezus van Nazareth tot de Romeinse keizer Constantijn. Amsterdam: Balans.         [ Links ]

Schnackenburg, R 1971. Das Johannesevangelium, II. Teil: Kommentar zu Kap. 5-12. Freiburg: Herder. (Kommentar zum Neuen Testament IV, 2.         [ Links ])

Van den Broek, R 2006. Hermes Trismegistos: Inleiding, Teksten, Commentaren. Amsterdam: In de Pelikaan.         [ Links ]

Van Houwelingen, P H R 1997. Johannes: Het evangelie van het Woord. Kampen: Kok. (Commentaar op het Nieuwe Testament, 3e serie.         [ Links ])

Zahn, T 1921. Das Evangelium des Johannes. 5. und 6. Auflage. Leipzig: Deichertsche Verlagsbuchhandlung. (Kommentar zum Neuen Testament IV.         [ Links ])

Zwiep, A W 2004. Judas and the choice of Matthias. Tübingen: Mohr Siebeck. (WUNT 2. Reihe 187.         [ Links ])

 

 

* Prof dr A van de Beek, hoogleraar symboliek aan de faculteit godgeleerdheid van de Vrije Universiteit in Amsterdam en bijzonder hoogleraar van de Universiteit van Stellenbosch, is lid van de "Internationale Adviesraad van HTS Teologiese Studies.
1 Irenaeus, Adv Haereses I.31.1. Zie over gnostische speculaties over Judas ook Adv Haereses I.3.3 en II.20.
2 Dit maakt tegelijkertijd de term "gnostiek" onhelder, omdat daarmee veel kan worden aangeduid, waarom er een nadere specificatie nodig is (Van den Broek 2006:73v).
3 Voor een overzicht van de opvattingen over de godsdiensthistorische positie van het Johannesevangelie zie Feine-Behm-Kümmel (1962:149-157); Broer (1998:202-204).
4 Haenchen (1980:403) spreekt over "Resignation", maar houdt ook andere interpretaties, die trouwens ook door Köstenberger niet worden uitgesloten. Juist als aangevochten persoon die eerst wil zien, voordat hij gelooft wordt Thomas zo een troost voor twijfelende gelovigen (Schackenburg 1971:411). Volgens Haenchen (1980:403) is juist met het oog op hen de scène Joh 20:24-28 toegevoegd. Zahn (1921:483) interpreteert de twijfel juist negatief: "Hinter Worten, die wie Äusserungen mannhaften Trotzes klingen, ... verbirgt sich eine zweispältige Seele, die schwer zu entschieden kommt." Anderen spreken over een "sober, realistic human mind" (Köstenberger 2004:332; vgl Van Houwelingen 1997:237), "blind devotion" (Beasley-Murray 1999:189; vgl Bultmann 1950:305) of "raw devotion and courage" (Carson 1991:410). Van deze moed blijft echter net als bij Petrus weinig over als het er op aan komt (Köstenberger 2004:332). Bernhard (1942:381) vat de beelden over Thomas kernachtig samen: hij is "a man whose temper of mind we can thoroughly understand. Thomas always looks at the dark sides of the things, and is a pessimist by disposition, while entirely loyal to his convictions and ready to act on them at all cost."
5 Verschillende auteurs wijzen op de mogelijkheid dat "hem" op Lazarus slaat (Zahn 1921:482; Köstenberger 2004:332; Lincoln 2005:321f). Bultmann (1950:305, noot 4) wijst deze gedachte zonder verdere argumentatie radicaal af.
6 "Eerste" moet hierbij uiteraard niet al te letterlijk worden opgevat. De wordingsgeschiedenis van de evangeliën is complex. Maar het einde van Joh 20 geeft een duidelijke afsluiting van het boek, waaraan h 21 nog een geschiedenis toevoegt, waarna het slot nogmaals wordt geformuleerd. Waarschijnlijk heeft deze toevoeging te maken met discussies over de rol van Petrus, die in de johanneïsche literatuur aanmerkelijk geringer is dan bij de synoptici (zie Bernard 1942:381f). Hoofdstuk 21 geeft Petrus een solide plaats in de christelijke gemeenschap als hoeder van de schapen, zonder dat hij daarmee overigens vat krijgt op Johannes (21:22: "'wat gaat dat jou aan?"). Vgl ook de wisselende voorsprong bij de komst naar het lege graf in Joh 20:2-10.
7 Dit strekt verder dan de idee van Schnackenburg (1971:411) dat de gnostische traditie een ontwikkeling is uit de vroegere johanneïsche traditie. Het gaat om een referentie naar de kring van Jezus' eigen leerlingen.
8 De idee van Charlesworth (1995) dat Judas zelf "de discipel dien Jezus liefhad" was, is afdoende weerlegd, bijvoorbeeld door Beck (1997:127-131).