SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.50 número1The Nation and the Subaltern in Yvonne Vera's Butterfly BurningMemory, verbal onslaught and persuasive eloquence in Armah's Two Thousand Seasons and The Healers índice de autoresíndice de assuntospesquisa de artigos
Home Pagelista alfabética de periódicos  

Serviços Personalizados

Artigo

Indicadores

Links relacionados

  • Em processo de indexaçãoCitado por Google
  • Em processo de indexaçãoSimilares em Google

Compartilhar


Tydskrif vir Letterkunde

versão On-line ISSN 2309-9070
versão impressa ISSN 0041-476X

Tydskr. letterkd. vol.50 no.1 Pretoria Jan. 2013

 

Wachten op de barbaren: Metageschiedenis in het werk van Peter Blum

 

Waiting for the Barbarians: Metahistory in the oeuvre of Peter Blum

 

 

Siegfried Huigen

Siegfried Huigen doceert Nederlandse literatuur en cultuurgeschiedenis en is verbonden aan de Uniwersytet Wroclawski in Polen en de Universiteit van Stellenbosch. Email: sh@sun.ac.za

 

 


ABSTRACT

This article explores metahistory in the poetry of Peter Blum. In many of Blum's poems Western civilisation is confronted with the forces of barbarism, without civilisation necessarily being given preference over barbarism. By focussing on the metahistorical aspects of Blum's work, it is possible to illuminate the dialectical relationships between apparently disparate cultural domains in his work-past and present, Europe and South Africa-which critics up till now have treated as self-contained entities. From this angle, Blum appears to be a poet who was highly critical of white South African culture of the 1950s.

Keywords: Peter Blum, Afrikaans poetry, metahistory, civilisational discourse, barbarians.


 

 

Auteurs van buitenlandse herkomst vormen een kleine minderheid binnen de Afrikaanse letterkunde en zijn meestal afkomstig uit Nederland.1 Zij pasten zich gewoonlijk aan bij het heersende discours en bekleedden soms, zoals Johannes van Melle, zelfs een prominente plaats. Een van de weinige niet-Nederlandstalige immigranten die een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de Afrikaanse letterkunde maar een oppositionele stem vertegenwoordigt, is Peter Blum (1925-90). Hij is een raadselachtige figuur over wie tegenstrijdige verhalen de ronde doen. Het is bijvoorbeeld niet met zekerheid vast te stellen waar hij is geboren. Toen hij zich als student in Stellenbosch inschreef, gaf hij aan dat hij op 4 mei 1925 in Triëst was geboren, maar bij het Zuid-Afrikaanse ministerie van Binnenlandse Zaken had hij Wenen als geboorteplaats opgegeven (Kannemeyer, Wat het geword 147). In 1936 emigreerde de familie Blum uit Oostenrijk of Duitsland naar Zuid-Afrika. Mogelijk vluchtte de familie voor Hitler, want er zijn aanwijzigingen dat Blum of in elk geval zijn moeder joods was (haar meisjesnaam was Levi). Om vast te stellen of Blum inderdaad joods was, heeft Blums biograaf Kannemeyer zelfs discreet bij een niet nader genoemde getuige geïnformeerd of hij besneden was, hetgeen niet het geval bleek te zijn (Kannemeyer, Wat het geword 10).

Blum bezocht in Zuid-Afrika Engelstalige middelbare scholen, maar studeerde in de jaren veertig en vijftig in Stellenbosch. In de tijden dat hij niet studeerde, werkte hij als bibliothecaris. Hij publiceerde, na pogingen om Engelstalige poëzie en romans te schrijven, vanaf de jaren vijftig twee dichtbundels in het Afrikaans: Steenbok tot Poolsee (1955) en Enklaves van die lig (1958). De eerste bundel werd op aanbeveling van D. J. Opperman uitgegeven bij Nasionale Pers; de tweede werd door dezelfde Opperman afgekeurd en verscheen bij de naar Zuid-Afrika geëmigreerde Nederlandse uitgever Balkema. Ondanks de beperkte omvang van Blums oeuvre bekleden deze twee bundels een prominente plaats in de Afrikaanse literatuurgeschiedenis, omdat ze door hun taalexperiment als voorlopers gezien worden van het werk van de Sestigers. Blum was in 1955 bijvoorbeeld de eerste die een eigen versie van Kaaps Afrikaans voor poëzie met esthetische pretenties gebruikte, zesjaar eerder dan Adam Small dat deed in Kitaar my kruis (1961).

Ondanks dat Blum in het Afrikaans schreef en later met een Afrikaner vrouw getrouwd was, voelde hij zich nooit een Afrikaner. Hij koesterde een diepe weerzin tegen het Afrikaner nationalisme van dejaren veertig en vijftig. Het Afrikaans noemde hij steeds "julle taal" (Kannemeyer, Wat het geword 43). Met uitzondering van het werk van D. J. Opperman, had hij ook weinig waardering voor Afrikaanse literatuur. De geringe kwaliteiten van de Afrikaanse literatuur waren volgens Blum onder meer te wijten aan een door kleinburgerlijke conventies bepaalde levensstijl van de auteurs: "[...] patrargale gesin in die mieliedriehoek, sondagskool, kerk, Trompie en Saartjie, ukovs of Puk vir cn2o, joppie in die skoolwese, uitsaai ofjoernalistiek, twee dronk-neste, groot berou, nooientjie, handjieshou, ouersvra, huwelik, vroeg slaap, krosie, ouderlingskap-O God dis geen loopbaan vir 'n kunstenaar nie" (geciteerd naar Kannemeyer, Wat het geword 94).

Hij had trouwens evenmin veel op met de Nederlandse dichtkunst. Kloos was volgens hem 'vroeg ryp, vroeg rot" en Gezelle was in vergelijking "met Hopkins [...] melkpoeding" (Blum, Briewe 55). Hij had alleen waardering voor Achterberg en Slauerhoff, in het geval van de laatste vanwege een veronderstelde zielsverwantschap (55). Van Slauerhoff vertaalde hij ook enkele gedichten in het Engels (332-33).

Op 18 mei 1960 verliet Blum Zuid-Afrika. Hij vestigde zich in Londen waar hij enige tijd werkte als samensteller van wetenschappelijke abstracts bij een mycologisch onderzoeksinstituut (Coetzee, Johan C.). In 1990 stierf hij in relatieve obscuriteit. Na zijn vertrek uit Zuid-Afrika publiceerde Blum in 1964-65 alleen nog enkele "Reisindrukke" in het Vlaamse tijdschrift Ons Erfdeel waarin hij op zoek ging naar overeenkomsten tussen de drie versies van de "Dietse" cultuur: die van Vlaanderen, van Nederland en van de Afrikaners. Zijn oordeel was niet gunstig. Volgens Blum werden ze alle drie gekenmerkt door kleinburgerlijke saaiheid. De Vlaamse versie van de Dietse cultuur was in zijn ogen misschien nog het meest acceptabel dankzij de sterke Franse invloed.

 

Perspectieven op het werk van Blum

Blum heeft, zoals gezegd, een vaste plaats in de canon van de Afrikaanse literatuur en wordt algemeen gezien als de belangrijkste debutant uit de jaren vijftig. Zijn werk komt zowel in literair-historische overzichten als individueel uitgebreid aan bod in de opstellen van Odendaal (1998) en Ohlhoff (1999) in de nieuwste editie van Perspektief en profiel waarbij de talige kwaliteiten van zijn gedichten geprezen worden. Nog steeds bepalend voor de heersende visie op het werk van Blum is een opstel A. P. Grové uit 1975. Hierin constateert Grové dat Blum in tegenstelling tot zijn tijdgenoten een a-metafysische dichter was, maar deze constatering verdampt bij Grové in weinigzeggende abstracties:

As ons by die Dertigers en by Opperman van 'n vertikale spanning kan praat, sal ons dit in Blum se geval 'n horisontale spanning kan noem. Soms is dit twee wêrelde wat teenoor mekaar gestel word, soms is dit twee moontlikhede of twee geestes-houdings. Soms is dit 'n spanning tussen hede en verlede, hede en toekomst, 'n wêreld wat is, 'n spanning tussen ideaal en werklikheid, maar dan 'n spanning wat steeds menslik, sosiaal, polities, kortom, horisontaal voelbaar is. Hierdie teenstellings vorm die grondpatroon van gedig na gedig in Steenbok tot Poolsee ('n opvallend "horisontale" titel naas die "vertikale" titels van Opperman). (Grové 44).

Een dergelijke abstracte karakteristiek van het werk van Blum vindt men ook bij latere commentatoren. Ik zal er hieronder voorbeelden van geven.

Op zichzelf heeft Grové natuurlijk gelijk. Inderdaad wordt Blums werk gekenmerkt door contrasten. Alleen had Grové aan de door hem geconstateerde "horisontale spanning" een concretere invulling kunnen geven, want zeer veel gedichten van Blum handelen over historische conflicten. Veel gedichten schetsen situaties uit het Europese verleden en de Zuid-Afrikaanse actualiteit van de jaren vijftig waarin wildheid en barbarij met elkaar worden geconfronteerd, vaak ook nog in concrete historische situaties.2 Omdat de conflictmomenten exemplarisch bedoeld lijken te zijn, zou ik willen spreken van een metahistorische thematiek in Blums werk.

Dit begrip-metahistorie of metageschiedenis-is ontleend aan het werk van de Amerikaanse historicus Hayden White die het begrip heeft ontworpen om hiermee de poëtische impuls in het werk van negentiende-eeuwse geschiedschrijvers mee te kunnen duiden.3 Volgens White creëert elke historicus een narratieve structuur door zijn data op zo'n manier te selecteren en te ordenen dat ze een verklaring moeten geven voor historische processen die hij wil beschrijven. Deze ordening noemt White "metahistorisch", omdat de ordening niet is afgeleid van de data. De narratieve structuur prefigureert juist het paradigma volgens welke de historicus de geschiedenis beoordeelt en de data ordent (White 30-31). Deze orde noemt White een poetic act (x, 4, 30): "On this level, I believe, the historian performs an essentially poetic act, in which he prefigures the historical field and constitutes it as a domain upon which to bring to bear the specific theories he will use to explain "what was really happening" in it" (White x).

White heeft een nogal star schema uitgewerkt met matrices waarbinnen negen-tiende-eeuwse historici en geschiedfilosofen de geschiedenis geprocesseerd zouden hebben, waaraan we hier voorbij kunnen gaan. Belangrijk voor ons doel is alleen White's gedachte dat een poetic act bepalend is voor de manier waarop het verleden in het geschiedverhaal geordend wordt en die uiteindelijk bepalend is voor de betekenis van historische episodes.

Mijn stelling is dat ook het werk van Peter Blum door een metahistorische problematiek wordt gestructureerd, iets wat in de Afrikaanse literatuurkritiek niet of nauwelijks is opgemekt. In veel van Blums gedichten botsen de krachten van beschaving en barbarij op elkaar, waarbij de ondergang van de beschaving in het vooruitzicht wordt gesteld. Daarbij gaat het hier niet om een binaire oppositie waarbij een deel van het paar-de beschaving-per definitie gunstig wordt beoordeeld, maar om een tegenstelling die in een hoge mate ambivalent blijft. In veel gedichten, wil ik verder beweren, wordt op een indirecte manierjuist kritiek geleverd op de beschaving, zonder dat overigens de barbarij wordt aangeprezen. Daarnaast schetst Blum in enkele gedichten ook situaties waarin de beschaving al vernietigd is en de spanning tussen wildheid en beschaving definitief of voor een moment is opgeheven.4 Ook deze gedichten veronderstellen echter het genoemde metahistorische spanningsveld.

 

Wildheid en beschaving

Blum schreef over barbarij en beschaving binnen een sterk gevestigde traditie. De barbaren zijn reeds lang de negatieve tegenpool van de beschaving en dat niet alleen in de westerse cultuur. Ook niet-westerse talen beschikken over woorden die overeenkomen met het Europese beschaving of barbaren. Europeanen werden in Japan bijvoorbeeld nanbanjin (zuidelijke barbaren) genoemd (Unno 377, nt. 128). Ze waren volgens de Japanners niet alleen onverstaanbaar, maar ze stonken ook. Binnen de westerse traditie gaat het beschavingsdiscours natuurlijk terug op de oude Grieken. Een barbaar (barbaros) was bij de Grieken wie een onverstaanbare taal sprak, wat dan meestal vergezeld ging van andere onplezierige eigenschappen. Universeel is ook dat het begrip beschaving alleen betekenis heeft vanuit de oppositie met barbarij of wildheid; de beschaving veronderstelt haar tegendeel als bestaansvoorwaarde. Als de barbarij zou zijn verdwenen zou er geen maatstaf zijn voor het zelfgenoegzame besef beschaafd te zijn (Fisch; Salter; Osterhammel 1172-73).

Binnen dit universele discours over barbarij en beschaving zijn echter ook regionale tradities te onderscheiden. Tot vandaag vormt de dialectiek tussen beschaving en barbarij een centraal thema in de Zuid-Amerikaanse cultuur en literatuur (Echevarría 2). Hetzelfde zou beweerd kunnen worden voor Zuid-Afrika, hoewel de geschiedenis van het begrippenpaar beschaving en barbarij in Zuid-Afrika nog geschreven moet worden. De dialectiek tussen barbarij en beschaving stond centraal in het blanke discours, tot het begrip ras in de tweede helft van de twintigste eeuw het belangrijkste kenmerk van beschaving werd (Huigen, Monomotapa; Posel 321). Het begrip beschaving, dat aanvankelijk de bruinmense insloot, had in Zuid-Afrika sinds de negentiende eeuw een uitsluitende functie door de voorrechten van blanken (en bruinmense) te legitimeren op grond van een verondersteld hoger beschavingspeil (Giliomee 165, 168; Posel 321, 331). Sinds 1924 bestond er in Zuid-Afrika bijvoorbeeld een civilised labour' policy waaraan het recht gekoppeld was op een civilised standard of living waarbij blanke (en in mindere mate bruine) werknemers beschermd werden voor concurrentie door zwarten en ze salarissen ontvingen die vaak hoger lagen dan die in Engeland (Nattrass en Seekings 520, 530). Anderzijds bestond er sinds de negentiende eeuw ook een beschavingsmissie die vooral gedragen werd door de Engelstalige kerken en Engelstalige liberals en die tot doel had zwarten op te voeden tot het peil van blanke beschaving (De Kock, Civilising Barbarians). Dit project was dermate invloedrijk dat oppositionele zwarte intellectuelen het aan het begin van de twintigste eeuw zelfs gebruikten om hun eigen aanspraken op burgerrechten te legitimeren (De Kock, "Sitting"; Marks 206).

In de gedichten van Blum, waarin wildheid en beschaving op elkaar botsen, resoneert dit Zuid-Afrikaanse discours, met al zijn politieke implicaties. Dat het voor lezers in de eenentwintigste eeuw niet meer zo duidelijk klinkt als in de jaren vijftig van de vorige eeuw, komt doordat het discours over ras het oudere beschavingsdiscours gemarginaliseerd heeft.

Tegen de achtergrond van het beschavingsdiscours functioneren de gedichten van Blum die de dialectiek van wildheid en beschaving thematiseren voor de goede verstaander als objective correlative voor de politieke spanningen binnen het Zuid-Afrika van de jaren vijftig, ook zonder dat hierbij expliciet een verband wordt gelegd met Zuid-Afrika. Op dezelfde wijze als Waiting for the Barbarians van J. M. Coetzee kunnen veel gedichten van Blum daarom allegorisch en historiserend worden gelezen en betrokken worden op de percepties van blank Zuid-Afrika in het midden van de twintigste eeuw, ook wanneer er niet direct wordt gerefereerd aan Zuid-Afrikaanse omstandigheden, omdat het gedicht bijvoorbeeld handelt over een historische situatie in Europa. Blum heeft een dergelijke allegorische leeswijze van zijn gedichten overigens zelf gesuggereerd in een brief uit 1963:

My "opvattings" pas ewemin by die "liberale" skema in as by die "nasionale", want ek koester geen illusies omtrent die mensliewendheid van die kaffers (ek noem hulle onbeskroomd kaffers) en ander heidense rasse nie. Wat my betref kan hulle mekaar daar opvreet: ek sal vir albei kante 'n pot mosterd elk stuur. [...]

Dus: die enigste element daar wat my simpatie kry (vir wat dit werd is) is die buitegroepe wat ewemin genade van die kaffers kan verwag as van die Ware Volk.

As jy my 2 bundeltjies byderhand het [...] lees weer Grenswagte in Steenbok (niemand het sy aktueelheid gesnap nie, want die Afridom sien hom nie as sulks nie [als grenswachten], maar as Bewoners van die Middelpunt van die Aarde, foeitog), Aan Katte in Enklaves, en die vers wat begin "Hiervoor gestaal deur eeue leeujagterdom" [...]. (Blum, Briewe 316)

Typerend in dit rijtje is de verwijzing naar de sectie "Grenswagte" uit Steenbok tot Poolsee. De gedichten in deze sectie handelen over de ondergang van Pompeï en Herculanaeum in de eerste eeuw na Christus en het Franse koloniale imperium in Indo-China in de jaren vijftig. Centraal staat de korte gedichtencyclus "Die Romeinse Grensprovinsies", waarvan Blum dus beweert dat deze betrekking heeft op de situatie in Zuid-Afrika.

"Die Romeinse grensprovinsies" bestaat uit negen genummerde kwatrijnen die de namen dragen van Romeinse grensprovincies, beginnend bij de meest westelijke, Britannia, en eindigend bij de oostelijkste, Arabia Petraea. Alle kwatrijnen handelen over de bedreiging van de Romeinse grensverdedigers door barbaren van buiten het imperium. Van keizer tot soldaat doen de grensverdedigers hun vreugdeloze plicht. Terwijl de barbaren buiten het rijk hun "drifte" en "byle" scherp houden ("Britannia"), doen de soldaten en de keizer hun plicht "sonder die minste lewensvreugde" ("Noricum"). Er is geen beloning en geen uitzicht dat de neergang van het imperium tegengehouden kan worden. De geringste verslapping van de aandacht kan fataal worden. Op de vooravond van de ondergang verdedigen deze soldaten de beschaving tegen de onstuitbare krachten van barbarij die buiten de grenzen op de loer liggen en die-zoals de geschiedenis leert-uiteindelijk zullen overwinnen. Deze uitkomst is niet helemaal tegen de zin van de grensverdedigers, want diep in hun hart is er al een "hunkering" naar een andere "religie" dan de vreugdeloze "dissipline" waaraan ze zijn onderworpen. De barbarenvrouwen staan bovendien al voor ze klaar ("Syria-Commagene"; "Arabia Petraea").

In de Blum-commentaren heeft de reeks nooit veel aandacht gekregen. Als enige noemt Odendaal (255) "Grenswagte" "hoewel belangrik binne die Blum-oeuvre, miskien minder bekend en meesal ook van ietwat mindere stoffasie", dus niet de moeite waard om er veel aandacht aan te schenken.

"Die Romeinse Grensprovinsies" wekt sterke associaties met de visie van de achttiende-eeuwse Engelse geschiedschrijver Edward Gibbon op de teloorgang van het Romeinse rijk in zijn klassieke werk The History of the Decline and Fall of the Roman Empire, waar in het begin ook een enumeratieve beschrijving wordt gegeven van de Romeinse provincies die doet denken aan de lijst van Blum (Gibbon I, 47-55). Er is ook overeenstemming met Gibbons oordeel over het verloop van de geschiedenis. Bij Gibbon vindt men dezelfde ambivalentie als bij Blum tegenover wildheid en beschaving. Hoewel Gibbon weinig goeds te melden had over de barbaren die het Romeinse rijk uiteindelijk zouden verwoesten, moet hij ze wel nageven dat ze een einde maakten aan het pygmy race waartoe de Romeinen in de latere jaren van het bestaan van hun imperium waren vervallen. Dankzij de invallen van de barbaren verkreeg Europa nieuwe vitaliteit die voorwaarde was voor de latere opbloei van de beschaving in de moderne tijd (Gibbon I, 84).

Volgens de terminologie Bachtin zou je "Die Romeinse Grensprovinsies" double voiced (Dentith 218) kunnen noemen, in de zin dat de vertelstemmen in deze cyclus ideologisch verschillen van de sarcastische stem van Blum in zijn Briewe, die je zou kunnen gebruiken als model voor de impliciete auteur in Blums gedichten (vergelijk Herman en Vervaeck 16-18). "Die Romeinse Grensprovinsies" bevat in zijn dubbelheid beschavingskritiek. Niet alleen zal het verdedigingsstelsel op den duur instorten, zoals de geschiedenis leert, maar de cyclus laat ook zien dat de verdedigers van de beschaving onvervuld blijven bij het verrichten van hun plicht. Vooral daar gaat het om.

Dit aspect doet sterk denken aan Freuds kritiek op de beschaving in Das Unbehagen in der Kultur. Freud legt in dit klassieke werk uit 1930 verbanden tussen de psychologie van het individu en de cultuur. Volgens hem werkt de cultuur remmend en onderdrukkend op het menselijke gevoelsleven dat bevrediging van libido en agressie zoekt. Omdat libido en agressie schadelijk zijn voor het gemeenschapsleven worden ze door de cultuur onderdrukt. Deze Triebverzicht leidt bij het individu tot een toestand van onbehagen. Dat is ook te zien in "Die Romeinse Grensprovinsies". Terwijl de barbaren hun bijlen en hun driften scherp houden zit er voor de verdedigers van de beschaving niets anders op dan hun vreugdeloze plicht te doen.

Blum schetst meer situaties waar rationaliteit en misplaatst plichtsbesef het levensgeluk smoren. Deze situaties verkrijgen een bijzonder pregnante uitdrukking wanneer het onbehagen gecombineerd wordt met een ander Freudiaans motief: het Unheimliche. Dit is onder meer het geval in twee van de bekendste gedichten van Blum, "Nuus uit die binneland" en "Drosterhonde bo Oranjesig". In beide gedichten manifesteert zich het Unheimliche in de bedreiging van de veilige huiselijkheid door vijandige krachten, wat leidt tot een angstaanjagend gevoel van onzekerheid (vergelijk Postel 120, 127). Beide gedichten zijn gefocaliseerd vanuit een blank, koloniaal perspectief dat zich onderscheidt van het perspectief van de impliciete auteur zoals men dat kan construeren op grond van Blums Briewe; ze zijn dus ook weer beide double voiced in Bachtiniaanse termen. De vertellers in de gedichten spreken hun angst voor natuurverschijnselen uit die door de lezer met het Zuid-Afrikaanse discours van barbarij en beschaving in verband gebracht kan worden. Het verband wordt gesuggereerd door de manier waarop de natuurverschijnselen zich in de waarneming van de focalisator in de gedichten manifesteren.

 

Drosterhonde bo Oranjesig

Wat sou hulle makeer het, daardie brakke? om weg te dros uit gawe buurte waar hulle onder vriendelike dakke beskerm was teen die winterguurte -alles gehad het wat 'n hond in sy eenvoud kan vra? kos in groot bakke (ten spyte van die lewensduurte), 'n kaggelvuur om saans voor neer te vly binne ons dampkring, ons aroma; haas elke aand met Baas 'n wandeling, en, as hul siek was, die behandeling van 'n veearts met 'n diploma! snuffelpartytjies op straathoeke, en die uitdagende lapbroeke wat die aflewerjong gedra het- daardie brakke-wat sou hulle gepla het?

Niks moes hul ontbeer nie. Wie kon milder as ons wees? Nietemin gaan die vermiste honde tekere, kompleet soos terroriste, bo in die berg, en trek als bende saam- met 'n bloeddorstige rifrug sonder naam as leier... Niemand het hul tog verwilder!

Vannag klink hulle deurmekaar geblaf wild-vreesaanjaend van die ho-er hang se digte dennebosse af wat soos 'n oerwoud stadig nader kom met 'n wrede eie lewe binne hom -tot in ons erf.

My kind is bang,

my vrou se senuwees is skoon op hol -sy sê ek moet 'n punt-twee-twee aanskaf- Wat kan hul tog makeer? Is hulle dol? (Blum, Steenbok 16-17)

Voor wie er op let, ligt de politieke dimensie er in "Drosterhonde bo Oranjesig" dik bovenop. De verteller is een brave huisvader uit een keurige blanke woonwijk die zich meent te moeten bewapenen tegen weggelopen honden die zich schuilhouden "bo in die berg". Zijn knusse huis is daardoor plotseling unheimlich geworden. De titel van het gedicht stuurt de lektuur ervan meteen al in een richting. De naam "Oranjesig" is mogelijk afgeleid van de blanke woonbuurt Oranjezicht in Kaapstad, maar door de verafrikaansing van de naam is de letterlijke betekenis geaccentueerd. Men ziet in deze woonbuurt oranje zowel in de zin van een gekleurd perspectief op de werkelijkheid als wat betreft de aard van het uitzicht. De kleur oranje wordt in Zuid-Afrika immers geassocieerd met het Afrikaner nationalisme. De weggelopen honden ("Drosterhonde") worden bovendien "terroriste" genoemd, een term die in het apartheidsdiscours van staatsveiligheid gebruikt werd voor politieke tegenstanders (Posel 347). De associatie met de politieke verhoudingen van de jaren vijftig wordt nog duidelijker wanneer blijkt dat de honden-terroristen zich bovendien onttrokken hebben aan de goede zorgen van de "Baas" uit de blanke woonbuurt. Ook dit gedicht is double voiced. De verontwaardiging en het onbegrip van de verteller klinken vals wanneer men ze contrasteert met een impliciete auteur die geconstrueerd is naar het model van Blum in zijn briefwisseling. In zijn brieven heeft Blum zich altijd laatdunkend uitgelaten over de bekrompen kleinburgerlijkheid en het gebrek aan wereldwijsheid van zo iemand als de verteller in "Drosterhonde".

In de Afrikaanse literatuurkritiek wordt nergens gerept over een cultuurkritische dimensie van "Drosterhonde bo Oranjesig". De Afrikaanse commentatoren geven in het voetspoor van Grové een weinig zeggende betekenis aan het gedicht. Ze lijken een verband met de politieke en culturele werkelijkheid van de apartheidsjaren te vermijden. Dit gebeurde ook nog in de periode dat de heerschappij van het New Criticism in de Afrikaanse literatuurkritiek al was uitgewerkt: Kannemeyer (Geskiedenis II 275) beweert dat de honden "die gevaarlike, natuurlike lewe in die bosse bo die veiligheid en rus van 'n burgerlike bestaan" verkiezen; Odendaal (254) spreekt van een "toenemende gevoel van bedreiging deur die onbegrypelike verwildering van die honde"; Ohlhoff (205) ten slotte heeft het over een "ironiese kontras tussen die rustige lewenswyse waaraan die honde saam met hulle base deel kon geneem het en die wilde lewe wat hulle verkies".

De enige commentator die het gedicht wel betrekt op de Zuid-Afrikaans politieke context is de Nederlandse dichter Gerrit Komrij (43), al ontkent hij tegelijk dat het gedicht te maken zou hebben met de hierboven genoemde metahistorische thematiek van wildheid en beschaving: "Is het een gedicht over de tweedeling van beschaving en wildernis? [...] Nee, het is een parabel voor Zuid-Afrika." (43)

"Nuus uit die binneland" schetst een vergelijkbare situatie als "Drosterhonde bo Oranjesig". In "Nuus" wordt de hele, op illusies gebaseerde blanke levensstijl van de Wes-Kaap, het sterkste gekoloniseerde gebied van Zuid-Afrika, bedreigd, terwijl de

Kapenaar wegdroomt in een uit Engelse en Nederlandse attributen samengesteld namaak-Europa. Wanneer de klimaatsomstandigheden de zoete droom verstoren en de warme, binnenlandse "bergwind" de zorgvuldig geconstrueerde illusie verwaait, dringt de realiteit van Afrika zich op en weet de Kapenaar dat hij is blootgesteld aan alle bedreigingen van het continent. Het Afrikaanse binnenland dient zich aan als een verzameling Bijbelse plagen in de vorm van "droogte en brand / en gerug van sprinkaan, aardbewing en oproer". Deze wind is mogelijk een metafoor voor de barbaarse inboorling; de wind bladert immers als een "barbaar in 'n keurige boek".

Nuus uit die binneland

Vir Dirk Opperman

Soms in die winter as die reën sag stuif op grasperke, dig en diep soos 'n tapyt- as hy die rotsige bergreeks wegskuif agter 'n misgordyn as voor die ruit popliere, eike en kastaiingbome saamvloei, en ons versink in blaargroen drome terwyl ons oor 'n ou beskawing lees- dan gryp die onwerklikheid ons met die loop van waters wat kalmeer, en in die gees vou grys en sat die graafskap Surrey oop.

Soms in 'n najaarsdag se skemerty stap ons in 'n stil straatjie en gewaar deur 'n ou bolig, kunstig uitgesny in vlegtende patroon van druif en blaar, die lig van verre dae: Ons word gesluk soos deur 'n mond; die luiterse getik van 'n ou horlosie vervang ons ontstoke harte se ritme in die kamerhoek, en ons gestaltes kwyn tot stywe spoke in die vernislaag van 'n Delftse doek.

Maar as die bergwind so rukkerig waai en tussen ons rondkrap soos 'n stok in 'n miershoop in die palms blaai nes 'n barbaar in 'n keurige boek- dan is ons rillend buite alle mure wat ons opstapel in redelike ure met doel en plan- ruik ons droogte en brand, en gerug van sprinkaan, aardbewing en oproer op daardie skroeiende binnelandse lug -dan, dan weet ons op watter vasteland ons boer. (Blum, Steenbok 9-10)

In "Nuus" is er niet alleen sprake van een contrast tussen het Kaapse neo-Europa en Afrika, maar ook van vervreemding van de lokale geografie. Het gedicht doet denken aan "Myths" van Guy Butler (eerste druk in Stranger to Europe, 1960) waarin een vergelijkbare situatie geschetst wordt. Ook hier symboliseren Europese planten en Europese literatuur de onaangepastheid van de blanke aan de Zuid-Afrikaanse context:

[...]

Never quite the same again poplar, oak or pine, no, none of the multifarious shapes and scents that breed about the homestead, below the dam, along the canal, or any place where a European, making the most of a fistful of water, splits the brown and grey with wedges of daring green- known as invaders now, alien, like the sounds on my tongue, the pink on my skin; and, like my heroes, Jason, David, Robin Hood, leaving tentative footprints on the sand between the aloe and the rock, uncertain if this were part of their proper destiny. Reading Keats's Lamia and Saint Agnes' Eve beneath a giant pear tree buzzing with bloom I glanced at the galvanised windmill turning its iron sunflower under the white-hot sky and wondered if a Grecian or Medieval dream could ever strike root away from our wedges of green, could ever belong down there where the level sheen on new lucerne stops short: where aloes and thorns thrust roughly out of the slate-blue shales and purple dolerite.

[...]

(Butler 109-10)

Wat ik bij Butler niet lees, maar wel bij Blum is een verbinding van het koloniale Unbehagen met het Unheimliche dat zich bij Blum al in de tweede strofe aandient en de heimische behaaglijkheid uit de eerste strofe verandert in een bedreigende ruimte, waar het dode uurwerk het getik van het hart vervangt en "ons gestaltes" schimmen worden in een uit Delft afkomstig schilderij (cf. Vermeer). De bewoners van het Kaapse woonhuis hebben alle vitaliteit verloren en zijn alleen nog spoken. De heftige binnenlandse wind dreigt in de derde strofe, om met Gibbon te spreken, weliswaar een einde te maken aan dit pygmeeënbestaan, waarvan ook de familievader uit "Drosterhonde" een exponent is, maar biedt geen aantrekkelijk alternatief. De wind bladert "nes 'n barbaar in 'n keurige boek". "Nuus" confronteert de lezer daarmee met een ethisch dilemma waarbij het niet mogelijk is te kiezen tussen een wrakke beschaving en de alles vernietigende en stupiede barbaarse krachten.

Evenals bij "Drosterhonde bo Oranjesig" gaan de opmerkingen van de Zuid-Afrikaanse commentatoren voorbij aan de politieke dimensie van het gedicht: volgens Grové (44) krijgen "In 'Nuus uit die binneland' [...] die ruwe werklikhede van 'n harde kontinent aksent teen die agtergrond van die beskutte sorgloosheid van 'n sagter, milder klimaat en 'n artistiek-romantiese bestaan"; Kannemeyer (Geskiedenis II 274) constateert: "Teenoor die voorstelling van die Bolanders [...] weet die binnelander uit die harde werklikheid van Afrika [...] 'op watter vasteland ons boer'"; Ohlhoff constateert een "spanning Europa-Afrika" (203), "meer spesifiek die Boland met sy Europese, ouwêreldse maar suwwe, doodse atmosfeer en die harde binneland" (40); Odendaal (254) komt iets dichter bij een politieke interpretatie: "'Nuus uit die binneland', wat op grond van bepaalde verwysings nie net die Boland en die binneland kontrasteer nie, maar ook die kultuurversadigde Europa en nog byna barbaarse Afrika [...]." J. M. Coetzee (51) las "Nuus uit die binneland" in White Writing binnen het kader van Zuid-Afrikaanse landschapspoëzie als een voorbeeld van het ontbreken van een sublieme natuurervaring.

 

Uitwegen uit de impasse

Men zou op grond van het voorgaande kunnen besluiten dat Blum een somber geschiedbeeld huldigt (Hayden White zou zo'n geschiedbeeld "ironisch" noemen). In zekere zin is dat ook zo. In de hierboven aangehaalde gedichten zie je dat een gebrekkige beschaving dreigt te worden weggevaagd, zonder dat er voorlopig een perspectief is op iets beters. Ook al wil Blum zichzelf blijkens het eerdere citaat geen liberal noemen, stemt hij in politiek opzicht wel overeen met de gangbare opinies van contemporaine Engelstalige liberals die zich weliswaar verzetten tegen segregatie en apartheid, maar zich ook niet helemaal konden bevrijden van hun angst dat de barbaren uiteindelijk de beschaving in Zuid-Afrika zouden uitwissen (Cocks). Een opmerkelijk voorbeeld hiervan is het in de jaren veertig en vijftig invloedrijke boek dat de links-liberale historicus Arthur Kepler-Jones aan de vooravond van de verkiezingen van 1948 publiceerde, When Smuts goes. Dit boek biedt een fictieve geschiedenis van Zuid-Afrika tussen 1952 en 2010 en een op sommige punten helderziend toekomstperspectief op Zuid-Afrika voor het geval de Nasionale Party de verkiezingen mocht winnen-wat volgens Kepler-Jones overigens pas in 1952 zou gebeuren, tijdens het Van Riebeeck-herdenkingsjaar. Na de overwinning van de nationalisten zou het land veranderen in een dictatuur, de staatkundige banden met Engeland zouden worden doorgesneden, de zwarte bevolking zou in opstand komen en er zou, na interventie van de westerse mogendheden, een corrupt zwart bewind aan de macht komen. Het laatste hoofdstuk van dit boek, dat zogenaamd in 2015 is verschenen, heet "The return of barbarism" en schetst een verarmd Zuid-Afrika in de eenentwintigste eeuw dat getroffen wordt door een vreselijke epidemie. Opmerkelijk is dat Kepler-Jones blijvende Britse invloed een voorwaarde acht voor welvaart in Afrika. Om dit te demonstreren wordt Swaziland gesteld tegenover Zuid-Afrika. Swaziland zou zich onder Britse bescherming in de eenentwintigste eeuw ontwikkeld hebben tot een welvarend land, terwijl Zuid-Afrika verscheurd door burgeroorlog en wanbestuur compleet verarmd zou zijn. De angst dat de beschaving zonder Britse bescherming door de barbaren zal worden uitgewist zat zelfs bij progressieve blanke Zuid-Afrikaanse intellectuelen heel diep.

In zekere zin is het perspectief van Blum toch enigszins optimistischer. Hoewel ook Blum blijkens het eerder gegeven citaat somber was over de vooruitzichten als de 'barbaren' het voor het zeggen mochten krijgen, was het binnen zijn metahistorische perspectief wel mogelijk om te ontsnappen aan de ondergang van de beschaving. Dat kon allereerst periodiek gebeuren in de "brewwe ligmomente", de "enklaves van die lig" in het eigen leven en in de geschiedenis ("Die vuurhoutjie", Enklaves). Het betreft hier momenten in de geschiedenis waarin een vorm van rationaliteit heerst die emotioneel niet onderdrukkend is en zich te midden van barbarij en bijgeloof kan handhaven. Een voorbeeld hiervan is het optreden van de West-Gotische Koning Atawulf en de Romeinse prinses Galla Placidia in de nadagen van het Romeinse Rijk in de gedichten "Kentang" en "Die vuurhoutjie" (Enklaves). Maar deze perioden zijn van korte duur. De ideale beschavingen zijn, zoals Atlantis ("Oorlewendes", Steenbok), gedoemd ten onder te gaan. Zelfs de herinnering van de overlevenden aan deze goede tijden slijt. Het enige wat kan overblijven is een mate van onaangepastheid in de nieuwe omgeving, gesymboliseerd in het accent van de verteller en het verkeerde moment dat een uit verdronken wereld meegebrachte sering begint te bloeien in "Oorlewendes".

Andere gedichten bieden meer hoop. Blum lijkt daarin een uitweg uit het dilemma van tekortschietende beschaving en verwoestende barbarij te bieden in wat ik een nomadisch cultuurbegrip zou willen noemen. De beschaving wordt bedreigd voor zover ze materieel van aard en aan plaats gebonden is. Voor zover de cultuur im- materieel is en daardoor draagbaar en doorgeefbaar, kan zij overleven. Vooral taal en literatuur functioneren bij Blum als 'draagbare' cultuurgoederen.

Vrij duidelijk komt dit nomadische cultuurbegrip bijvoorbeeld aan bod in "Na 'n nuwe somer" uit Steenbok, een gedicht met een vermoedelijk Europese setting, in een van de vele steden die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn vernietigd, waar de verteller zijn kameraad uitnodigt om gitaar en de Ilias op te nemen en zonder treuren de ruines van de verwoeste stad te verlaten. Terwijl de materiële voortbrengselen van de cultuur veranderd zijn in puinhopen die al door gras overgroeid worden, kunnen literatuur en muziek worden gered en meegenomen op een tocht naar een ander land. De keuze voor de Ilias-het epos over de verwoesting van Troje-is binnen deze context niet toevallig.

In het lange, groteske gedicht "Woordafleiding" (Steenbok) wordt dit inzicht aan de dingen zelf geleerd. Het verstarde Zuid-Afrikaanse dorp (vergelijk de NG-kerk), het materie geworden Unbehagen in derKultur, komt op grond van de etymologie van het woord dorp, op een manier die aan Heideggers werkwijze herinnert, tot een nieuw inzicht in zijn eigen wezen. Het gedicht laat zien dat het Afrikaanse woord dorp op verwante woorden uit andere talen teruggaat die verband houden met een nomadische levensstijl. Door de etymologie van zijn benaming onderhoudt ook het beperkte en beperkende Zuid-Afrikaanse dorp een band met een nomadische voorgeschiedenis in andere werelddelen. Dit inzicht wordt in het gedicht gedemonstreerd, want als het dorp zijn herkomst heeft begrepen, volgt de materie de betekenis van het woord en trekken de gebouwen in een groteske optocht de wijde wereld in.

De taal openbaart dus een diepere waarheid en blijkt een belangrijk medium om een cultuur te laten overleven. De taal en daarmee de literatuur zijn immers doorgeefbaar. Taal in de vorm van inscripties blijft deel van de historische sedimentatie van een land en kan de ondergang van een beschaving overleven. Dit geeft ook een sprankje hoop voor het dichterschap dat in Blums gedicht "Slotsom" (Steenbok) gekenmerkt wordt door "grade van mislukking". Door haar immateriële bestaansvorm, kan de dichtkunst de vernietiging overleven. Het is dan ook niet toevallig dat het epos van de verwoesting van Troje, de Ilias, in het gedicht "Na 'n nuwe somer" meegenomen wordt uit de door oorlog verwoeste stad. De literatuur overleeft, wanneer de gebouwen al vervallen zijn tot ruïnes.

Door materiële en literaire cultuur in zijn metageschiedenis van elkaar te onderscheiden, volgt Blum een traditie in de cultuurbeschouwing die in de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw vooral in het Duitse taalgebied en in Engeland populair was. Binnen deze traditie werden de materiële beschaving en kunst vaak (maar niet consequent) van elkaar onderscheiden door twee begrippen: (technische, materiële) Zivilisation en (geestelijke, artistieke) Kultur. Dat laatste betitelde Matthew Arnold (6), die deze opvatting deelde, als "the best which has been thought and said in the world". Van deze twee was de Kultur het hogere goed (Fisch, Geuss).

Ook Blum lijkt neer te zien op de materiële Zivilisation als beperkend, castrerend en verdommend. In het ergste geval kan men binnen de Zivilisation eindigen als verkalkte "sinnebeeldvoëls, simboolvlerke", zoals de afgeschreven empire builders in Blums gedicht "Rooinekke op Hermanus" (Steenbok) of als "stywe spoke in 'n Delftse doek" met een hart dat tikt als een uurwerk in "Nuus uit die binneland", gespeend van heroïek en veroordeeld tot impotentie. Verstarde cultuurvormen kunnen bovendien tot een gewelddadig einde leiden. Blum laat dit zien in "Bittereinders" (Enklaves 40), een gedicht dat in een onbepaalde toekomst is gesitueerd en waarnaar hij ook in het hierboven geciteerde brieffragment verwees met de beginregel "Hiervoor gestaal deur eeue leeujagterdom". Hij achtte dit gedicht bijzonder toepasselijk op de actuele situatie van Afrikaners in het Zuid-Afrika van de jaren zestig. De culturele bagage- "epos en psalm"-van de personages in "Bittereinders" heeft ze gedetermineerd tot volharding tot het bittere einde in een uitzichtloze situatie. Ze hebben de fatale subjectpositie die het beschavingsdiscours voor ze heeft geconstrueerd niet kunnen vermijden en worden daardoor slachtoffers van het historische proces waarin de beschaving altijd het onderspit delft tegen de barbaarse krachten.

 

Besluit

Dit artikel heeft willen aantonen dat Blums metageschiedenis temporeel en geografisch een groot bereik heeft. Ze reikt van de Klassieke Oudheid tot Blums eigen tijd en van Europa tot Zuid-Afrika. Anders dan in de commentaren op Blums werk beweerd is, hebben gedichten met een Europese lokalisering daarin een niet minder belangrijke plaats dan gedichten die Zuid-Afrikaanse situaties beschrijven. Het conflict tussen beschaving en barbarij staat in Blums metageschiedenis centraal, maar leidt nergens tot een morele bevoordeling van een component uit de dichotomie boven de andere; de dichotomie blijft ambivalent. Bovendien bezit zijn metageschiedenis een ethisch aspect, doordat hij wijst op een uitweg uit de fatale cyclus van opkomst en ondergang van beschavingen door een intensieve beleving van "brewwe ligmomente" en de keuze voor een nomadisch bestaan. Dat laatste bevat ook poëticale elementen, omdat taal, literatuur, herinneringen en gitaar tot de lichte bagage van Blums nomade behoren. In plaats van zich vast te klampen aan de vergankelijke constructies van de beschaving-lijkt de suggestie te zijn-is de Kultur met al zijn beperkingen een duurzamere investering. De Kultur is niet alleen de geest die boven de materie staat, maar ook de geest die op allerlei manieren kan overleven: in de literaire traditie, de geschiedenis van een land of in ballingschap als herinnering aan het land van herkomst. Niettemin hebben Blums meest indrukwekkende gedichten betrekking op de dreigende ondergangen van wrakke beschavingen in heden en verleden. Op een alternatief bestaan wordt alleen gezinspeeld. Een uitgewerkte "nomadologie" (Deleuze en Guattari 351-421) biedt Blum daarom niet.

 

Noten

1. Dit artikel is een bewerking van een lezing bij het Seminarie Afrikaans van de Universteit Gent in juli 2012. Enkele aspecten die in dit artikel worden aangesproken, kwamen ook aan bod in Huigen, "Wildheid en beschaving".

2. In Steenbok tot Poolsee: "Nuus uit die binneland", "Rooinekke op Hermanus", "Drosterhonde bo Oranjesig", "Die terugblik", "Na 'n nuwe somer", 'Aftelrympie", "Woordafleiding", "Oorlewendes", "Die Romeinse grensprovinsies", "Indochina", "Oud-Gediende", "Oor Monnemente gepraat", "Aan 'n goeie dogter", "Stad aan die water", "Wat die hart vol van is, nr 9". In Enklaves van die lig: "Voltaire op Ferney", "Kleindorpse winteraand", "Die horing van Lehel", "Kentang", "Plegtige opening", "Die vuurhoutjie", "Bittereinders".

3. Ik ben geen voorbeelden tegengekomen van toepassing van het begrip metahistory bij de interpretatie van poëzie.

4. In Steenbok tot Poolsee: "Na 'n nuwe somer", "Woordafleiding", "Stad aan die water", "Wat die hart vol van is, nr 9"; Enklaves van die lig: "Voltaire op Ferney", "Kentang", "Die vuurhoutjie".

 

Bibliografie

Arnold, M. Culture and Anarchy. Cambridge: Cambridge UP 1954 [1869]         [ Links ].

Blum, P Enklaves van die lig. Kaapstad: Human & Rousseau, 1963 [1958]         [ Links ].

-. Steenbok tot Poolsee: Verse. Kaapstad en Johannesburg: Tafelberg, 1974 [1955]         [ Links ].

-. Briewe van Peter Blum. Red. J.C. Kannemeyer. Hermanus: Hemel & See Boeke, 2008.         [ Links ]

Butler, G. Collected Poems. Cape Town: David Philip Publishers, 1999.         [ Links ]

Cocks, Paul. "Max Gluckman and the Critique of Segregation in South African Anthropology, 1921-1940." Journal of Southern African Studies 2001 {27): 739-56.         [ Links ]

Coetzee, J. M. White Writing: On the Culture of Letters in South Africa. New Haven: Yale UP 1988.         [ Links ] Coetzee, Johan. C. "Peter Blum en die Commonwealth Mycological Institute: Van digter tot abstraheerder." LitNet Akademies 6 {2009): 197-203. 2012. <http://www.oulitnet.co.za/newlitnet/pdf/la/LA_6_2_coetzee.pdf>         [ Links ].

De Kock, L. Civilising Barbarians: Missionary Narrative and African Textual Response in Nineteenth-Century South Africa. Johannesburg: Witwatersrand UP, 1996.         [ Links ]

--. "Sitting for the Civilization Test: The Making{s) of a Civil Imaginary in Colonial South Africa." Poetics Today 22 {2001): 391-412.         [ Links ]

Deleuze, G., en F. Guattari. A Thousand Plateaus: Capitalism and Schizophrenia. London: Athlone Press, 1988.         [ Links ]

Dentith, S. Bakhtinian Thought: An Introductory Reader. London: Routledge, 1996.         [ Links ]

Dubow, S. 2011. "South Africa and South Africans: Nationality, Belonging, Citizenship." The Cambridge History of South Africa: Volume 2. Eds. R. Ross, A.K. Mager, & B. Nasson. Cambridge: Cambridge UP, 2011. 17-65.         [ Links ]

Echevarría, R. G. "Facundo: An Introduction." Facundo Civilization and Barbarism: The First Complete English Translation. Ed. D.F. Sarmiento en K. Ross. Berkeley: U of California P 2003. 1-15.         [ Links ]

Fisch, J. 1992. "Zivilisation, Kultur." Geschichtliche Grundbegriffe: Historisches Lexikon zur politisch-sozialen Sprache in Deutschland. Band 7. Ed. Otto Brunner, Werner Conze en Reinhart Koselleck. Stuttgart: Klett Cotta. 679-774.         [ Links ]

Freud, S. "Das Unheimliche." 1919. Gesammelte Werke: Chronologisch geordnet. Zwölfter Band. Werke aus den Jahren 1917-1920. Frankfurt am Main: Fischer Verlag, 1972. 227-68.         [ Links ]

-. Das Unbehagen in der Kultur. 1930. Gesammelte Werke. Chronologisch geordnet. Vierzehnter Band. Werke aus den Jahren 1925-1931. Frankfurt am Main: Fischer Verlag, 1972. 419-506.         [ Links ]

Geuss, R. "Kultur, Bildung, Geist." History and Theory 35 (1996): 151-64.         [ Links ]

Gibbon, E. The History of the Decline and Fall of the Roman Empire. 1776-1788. 3 Vols. Harmondsworth: Penguin, 1995.         [ Links ]

Giliomee, H. B. The Afrikaners: Biography of a People. London: Hurst & Company, 2011.         [ Links ]

Grové, A. P "Peter Blum: digter tussen twee wêrelde." Dagsoom: Letterkundige opstelle uitgegee by geleentheid van die skrywer se sestigste verjaardag op 10 Junie, 1978. Kaapstad: Tafelberg, 1978. 40-54.         [ Links ]

Guelke, A. Rethinking the Rise and Fall of Apartheid: South Africa and World Politics. Basingstoke, Hampshire: Palgrave Macmillan, 2005.         [ Links ]

Herman, L., en B. Vervaeck. Handbook of Narrative Analysis. Lincoln: U Nebraska P 2005.         [ Links ]

Huigen, S. De weg naar Monomotapa. Nederlandstalige representaties van geografische, historische en sociale werkelijkheden in Zuid-Afrika. Amsterdam: Amsterdam UP, 1996.         [ Links ] -. "Wildheid en beschaving bij Peter Blum." Tydskrif vir Nederlands en Afrikaans 7 (2000): 76-86.         [ Links ]

Kannemeyer, J. C. Geskiedenis van die Afrikaanse literatuur. Deel 2. Pretoria/Kaapstad: Academica, 1983.         [ Links ] -. Wat het geword van Peter Blum? Die speurtog na die Steppewolf Kaapstad: Tafelberg, 1993.         [ Links ]

Keppel-Jones, A. When Smuts Goes: A History of South Africa from 1952 to 2010, First Published in 2015. London: V. Gollancz, 1947.         [ Links ]

Komrij, G. De Afrikaanse poëzie: 10 gedichten en een lexicon. Amsterdam: Bert Bakker, 1999.         [ Links ] Marks, S. 2011. "War and Union, 1899-1910." The Cambridge History of South Africa: Volume 2. Eds. R. Ross, A. K. Mager & B. Nasson. Cambridge: Cambridge UP 2011. 157-210.         [ Links ]

Nattrass, N., en J. Seekings. 2011. "The Economy and Poverty in the Twentieth Century." The Cambridge History of South Africa: Volume 2. Eds R. Ross, A. K. Mager en B. Nasson. Cambridge: Cambridge UP, 2011. 518-72.         [ Links ]

Odendaal, B. J. 1998. "Peter Blum." Perspektief en profiel: I Afrikaanse literatuurgeskiedenis. Deel 1. Red. H. P. van Coller. Pretoria: J. L. van Schaik. 250-61.         [ Links ]

Ohlhoff, H. "Perspektief op die Afrikaanse poësie: Die poësie van voor 1900 tot 1960." Perspektief en profiel: I Afrikaanse literatuurgeskiedenis. Deel 2. Red. H. P. van Coller. Pretoria: J. L. van Schaik. 21-243.         [ Links ]

Osterhammel, J. Die Verwandlung der Welt: Eine Geschichte des 19. Jahrhunderts. Munchen: Beck, 2011.         [ Links ] Posel, D. 2011. "The Apartheid Project, 1948-1970." The Cambridge History of South Africa: Volume 2. Eds. R. Ross, A. K. Mager en B. Nasson. Cambridge: Cambridge UP, 2011. 319-68.         [ Links ]

Postel, C. G. Unheimlich moederland: (anti-)pastorale letteren in Zuid-Afrika. Leiden: Leiden UP, 2006.         [ Links ]

Salter, M. B. Barbarians and Civilization in International Relations. London: Pluto Press, 2002.         [ Links ]

Unno, K. 1994. "Cartography in Japan." The History of Cartography, Volume Two, Book Two. Cartography in the Traditional East and Southeast Asian Societies. Eds. J. B. Harley en David Woodward. Chicago: U of Chicago P. 346-477.         [ Links ]

White, H.V Metahistory: The Historical Imagination in Nineteenth-Century Europe. Baltimore: Johns Hopkins UP, 1973.         [ Links ]

Creative Commons License Todo o conteúdo deste periódico, exceto onde está identificado, está licenciado sob uma Licença Creative Commons