SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.49 número2 índice de autoresíndice de assuntospesquisa de artigos
Home Pagelista alfabética de periódicos  

Serviços Personalizados

Artigo

Indicadores

    Links relacionados

    • Em processo de indexaçãoCitado por Google
    • Em processo de indexaçãoSimilares em Google

    Compartilhar


    Tydskrif vir Letterkunde

    versão impressa ISSN 0041-476X

    Tydskr. letterkd. v.49 n.2 Pretoria  2012

     

    An appeal for a more scientifically documented variant edition of Hugo Claus' collected poetry

     

    An appeal for a more scientifically documented variant edition of Hugo Claus' collected poetry

     

     

    Yves T'Sjoen

    Hoofddocent verbon-den aan de Vakgroep Letterkunde van de Universiteit Gent en als buiten-ge-woon hoogleraar aan het Departement Afrikaans en Nederlands, Universiteit van Stellenbosch. Hij is gespecialiseerd in moderne editiewetenschap en mo-der-ne poëziestudie (interbellum en naoorlogse Nederlandstalige poëzie). E-mail: Yves.TSjoen@UGent.be

     

     


    ABSTRACT

    The selection of a base text for textual edition is not only a matter of literary-historical data or a consideration based on the genetic process or the publishing history of a work of art. Also the poetics or aesthetics of the editor are in some cases decisive for that (final/fundamental) choice. Depending on the poetical ideas of an editor one or another authorized text is chosen for the final edition. In that way the editor's choice determines the image of a literary work for a cultural community and does so for several years, if not for ever. In some cases we deal with a variety of text versions in a literary archive. Each of these texts is written from an aesthetic point of view and represents a stage in the development of an author. From that perspective it is not only relevant but also necessary to present all full text versions and for instance not only the variants in a specific apparatus. For my article I want to consider the collected poems by Hugo Claus (1929 - 2008). Four years after his death it becomes necessary to discuss the way in which scientific editors will present the collected works of the Flemish author. I want to suggest an edition with all complete versions of the poems. Claus was a legendary re-writer of his own (and even other's) literary texts. For instance, when he presented a new collection of his poems in the sixties and the nineties, he worked on a different version. From this point of view, each version represents another or a slightly different poetical vision by the author. The digital medium can provide an environment to present all full text (versions). Also in a published edition I would like to consider a publication of all different versions. Perhaps we have to make a difference between a scholarly edition, intended for researchers who work on the complete works by Claus, and an edition for an interested public (of non-scholars). Although these readers also deserve a complete works by Claus, including all versions of texts Claus worked on during different periods in his writing career.

    Keywords: textual scholarship, textual variants, Flemish poetry, Hugo Claus.


     

     

    1

    De éminence grise van de Duitse editorenschool Siegfried Scheibe stelde in het editietheoretische opstel "Zum editorischen Problem des Textes", opgenomen in het "Sonderheft" Probleme neugermanistischer Edition van het Zeitschrift für deutsche Philologie (1982), dat één enkele afwijking in een tekstversie (met uitzondering van de "Sofortkorrekturen") voldoende aanleiding is om van een nieuwe "Fassung" te spre-ken. Volgens Scheibe, en later in het Nederlandse taalgebied ook volgens Marita Mathijsen, wijzigt een minimale tekstverandering de tekst. Elke variant in een versie van de tekst representeert een ander stadium in de tekstgeschiedenis (Mathijsen 40). Een maximale tekstwijziging levert misschien geen andere versie op maar gewoon een ander werk. Klaus Kanzog heeft in Editio (1987), met behulp van een analyse van twee gedichten (of twee versies van hetzelfde werk) van Else Lasker-Schüler, een poging ondernomen om die diffuse grens tussen "tekstversie" en nieuw "werk" te bepalen. We kunnen Scheibes uitspraak over auteursvariant en tekstversie ook nog als volgt lezen: zodra een auteur op een bepaald tijdstip in een tekst een wijziging aanbrengt, van welke aard ook, is sprake van een geautoriseerde ingreep en bijgevolg van een auteursintentionele handeling. De gewijzigde tekstversie werd in het editie-metadiscours onproblematisch toegeschreven aan een veranderde "auteursintentie". Kanzog, bijvoorbeeld, beschouwde geautoriseerde bronnen als getuigen van de bedoelingen van een auteur en ook Amerikaanse editeurs hanteerden aan de "auteur" gerelateerde termen als "authoritative" en "authority", waarin autorisatie pro-bleem-loos overeenstemt met auteursintentie (Mathijsen 126 - 27). Mogelijk is het beter te spreken van een (verschuivende) esthetische visie van de auteur, in zoverre die visie spreekt uit de overgeleverde bronnen, en niet over intentie. Waar in overgeleverde bronnen intenties worden gezocht, dreigt de val van de "intentional fallacy".

    In deze omschrijvingen duiken problematische termen op die de editietheoretische reflectie in het Engels-Amerikaanse, Duitse en later ook in het Nederlandse taalgebied de afgelopen decennia hebben bepaald: "tekstversie", "autorisatie" en "auteurs-intentie". Zoals bekend wordt in editiewetenschappelijke kringen, sinds Siegfried Scheibes "brede" en dus rekbare definitie van "autorisatie" in "Zu einigen Grund-prinzipien einer historisch-kritischen Ausgabe" (1971), een geanimeerde discussie gevoerd over de conceptualisering van deze sleutelbegrippen.

    Hoewel problematisch liggen de theoretische en methodologische uitgangspunten in gezaghebbende theoretische opstellen van de "Editorik" of de Duitse "Textologie" ten grondslag aan de editiepraktijk in het Nederlandse taalgebied in de jaren tachtig en negentig. Het standaardwerk van Marita Mathijsen, Naar de letter. Handboek editiewetenschap (1995), biedt niet alleen een panoramisch overzicht van de ontwikkelingen en de normatieve standpunten van de Duitse en Angelsaksische editiescholen. Tegelijk heeft het boek, naast een overzichtelijke documentair-descriptieve, sinds het verschijnen medio jaren negentig, een prescriptieve of normerende functie gekregen. Mathijsen bezorgt de tekstediteur in het Nederlandse taalgebied aan de hand van een verkennend vademecum richtlijnen voor de edito-rische onderzoekspraktijk. Daarvoor is zij schatplichtig aan concepten en definities die in de Editionswissenschaft van de jaren zeventig en tachtig gangbaar waren, met als gezaghebbende stemmen Scheibe, Woesler, Martens, Kanzog en Zeller. Inmiddels, na de computertechnologische ontwikkelingen van de afgelopen decennia en de uiteenlopende theoretische reflecties op het belang en de principes van het digitaal editeren (o.a. McGann, Shillingsburg, Robinson, Eggert), is het handboek voor de Nederlandse editietechniek toe aan een grondige revisie. Zo is het ontbreken van een hoofdstuk over het digitaal editeren vandaag een aanzienlijke omissie. Naar verluidt werkt het Huygens Instituut (Den Haag) intussen aan dat ontbrekende deel van hoofdstuk 16.

    In mijn bijdrage focus ik op het belang van een documentaire varianteneditie die tegelijk een bruikbare en informatieve leeseditie wil zijn. Daarvoor grijp ik terug naar die opmerkelijke uitspraak van Scheibe waarmee ik mijn bijdrage aanving. Zodra een auteur een tekst reviseert, ook al betreft het een minieme (i.e. geautoriseerde) tekst-ingreep, dan is sprake van een "auteursintentionele" handeling die resulteert in een gewijzigde tekstversie, aldus Scheibe. Elke geautoriseerde tekstuitgave of "auteurs-editie", dat wil zeggen (met de woorden van Scheibe) elke tekst die door bemoeienis van een auteur is tot stand gekomen, komt in aanmerking voor een variantenonderzoek. De term "auteurseditie" is niet geijkt in het editorische discours. Ik gebruik het begrip in dit artikel als een alternatieve term voor een geautoriseerde druk die een per definitie door de auteur bezorgde verzameling van (of een door de auteur samengestelde bloemlezing uit) eerder gepubliceerd literair werk presenteert. Dat het voor een breed, en dus niet uitsluitend een gespecialiseerd, lezerspubliek relevant kan zijn ook variante lezingen van gepubliceerde teksten in een leesuitgave aan te bieden, wil ik kort toelichten aan de hand van een concrete casus uit de poëzie in Vlaanderen.

     

    2

    Vier jaar geleden overleed het zogeheten monstre sacré van de literatuur in Vlaanderen. Hugo Claus (1929 - 2008), gedoodverfd Nobelprijs-kandidaat en laureaat van de prestigieuze Europese Aristeion-prijs (naast Cees Nooteboom, Herta Müller, Salman Rushdie, en Christoph Ransmayr), schrijver en schilder, theaterregisseur en cineast, was de auteur van een stilistisch bijzonder rijk geschakeerd en omvangrijk literair oeuvre. Hoewel Claus' verhalen en romans, door de vele vertalingen, een wereldwijde reputatie genieten, beschouwen criticien blijkens interviews ook de schrijver zelfde poëzie als het centrum van diens literaire productie. Hugo Claus debuteerde met vrij klassieke en vormvaste gedichten, maar zal zich al in zijn tweede dichtbundel bewegen in een modernistische, in casu meer surrealistisch georiënteerde richting. Het onmiskenbare hoogtepunt van Claus' experimentele poëzie is de vitalistische en intertekstuele bundel De Oostakkerse gedichten (1955). Als dichter was Claus niet alleen productief, poëzie is het genre dat hij zijn hele actieve periode ononderbroken heeft beoefend.

    Enkele jaren na het overlijden van Hugo Claus wordt het stilaan tijd na te denken over de wijze waarop het poëtische oeuvre kan worden beschikbaar gesteld. Cruciaal voor die overweging is een visie op de werkwijze van de auteur en vooral op de overleveringsgeschiedenis (onder andere de publicatiegeschiedenis) van het literaire werk. Ik beperk me tot de poëzie in zoverre die tijdens het leven van de schrijver is gepubliceerd. Claus kan worden gezien als het prototype van "de herschrijver". Dit schrijverstype stelt zich niet tevreden met de tekst zoals die in druk is gegaan. Het schrijf- en ontstaansproces eindigen niet wanneer de kopij wordt afgesloten. Wanneer de schrijver de weloverwogen beslissing neemt de tekst voor het eerst op het publieke forum te presenteren markeert voor deze schrijver geen eindpunt. De uitgave van de zogenaamde "prima editio" is geen slotakkoord, veeleer een zorgvuldig uit-gekozen momentopname die inzicht biedt in het poëticale denken van deze auteur. Er zijn wel meer schrijvers die hun teksten in gedrukte vorm niet loslaten (zoals Couperus en Elsschot dat bijvoorbeeld wel deden). Zij blijven de hele tijd, ook na een eerste uitgave, intensief bezig met wat als het ideële of het immateriële aspect van hun publicatie kan worden beschouwd. Het problematische karakter van het begrip "auteursintentie" heeft betrekking op deze zienswijze: auteursintenties zijn een continuüm waarvan het maar de vraag is of bronnen daar een beeld van geven.

    Auteursintenties zijn behalve niet achterhaalbaar, want altijd hypothetisch en dus constructies van de literatuuronderzoeker, aan permanente verschuivingen onderhevig. De schrijver die een decennium, een jaar of een week na datum verder werkt aan een tekstversie, doet dat vanuit een steeds min of meer gewijzigde visie op de tekst. Als Nabokov of Beckett een eerder losgelaten (dat wil zeggen een publiek gemaakte) tekst bewerken voor een volgende uitgave, dan vindt de belangstellende op basis van drukvergelijkend tekstonderzoek indicaties van een bijgestelde visie op het literaire werk zelf. Bekend in het Nederlandse taalgebied en veel geciteerd zijn de gevallen W. F. Hermans en M. Nijhoff. Beide gecanoniseerde Nederlandse schrijvers presteerden het bij elke (her)druk van een literair werk veranderingen in de tekst aan te brengen, soms tot ergernis of zelfs ontmoediging van hun respectieve uitgevers. Die uitgevers waren dan weer veroordeeld nieuw zetsel aan te maken, zodat bestaand zetwerk niet langer kon dienen voor een volgende druk. Verschillende drukken van Nooit meer slapen (1966), een klassieke roman in de moderne Nederlandse literatuur, vertonen ingrijpende tekstwijzigingen en ook vrijwel alle drukken van Nijhoffs poëzie leveren een verzameling van drukvarianten op. Voor een hermeneutische benadering van deze gedrukte bronnen is het dan ook van belang eerst een heuristisch onderzoek te ondernemen en duidelijk te maken op basis van welke (her)druk(ken) de tekstinterpretatie is ondernomen. De tekst die de lezer aangeboden krijgt, is vanuit deze optiek nooit "de tekst" maar "een tekst".

    Ik keer terug naar mijn casus Claus en het pleidooi voor een documentaire varianteneditie. Voor dit tweede, meer verkennende deel van de bijdrage beperk ik me tot de drukgeschiedenis van de poëzie van Hugo Claus. Tijdens zijn leven heeft de auteur in totaal vier keer een verzameling van zijn eigen dichtwerk bezorgd: Gedichten (1948 - 1963) (1965), Gedichten 1969 - 1978 (1979), Gedichten 1948 - 1993 (1994) en Gedichten 1948 - 2004 (2004). Telkens nam hij de gelegenheid te baat de eerder ge-publiceerde en/of gebundelde gedichten aan een al dan niet grondige revisie te onderwerpen. Variantenstudie heeft inmiddels uitgewezen dat Claus bij elke her-druk van zijn werk in bepaalde van zijn teksten heeft ingegrepen. In een door "H[ugo] C[laus]" ondertekende verantwoording van Gedichten 1948 - 1993 lezen we dat "hier en daar, zoals dichters doen, gedichten toegevoegd, geschrapt, herschikt of herschreven" zijn. De Nederlandse dichter en criticus Ad Zuiderent spreekt in dit verband over "zelfbloemlezingen": "Het element zelf in deze benaming dient ter onderscheiding van bloemlezingen die door anderen zijn samengesteld. Bij de zelf-bloemlezing is ondubbelzinnig sprake van een keuze en een ordening waarvoor de dichter zelf verantwoordelijk kan worden gehouden." (274)

    Ook Claus nam bij elke herdruk zijn werk onder handen, en hij maakte een eigengereide keuze uit of reviseerde gepubliceerd werk. Op die manier droeg hij bij tot de (poëticale) zelfpresentatie op een bepaald moment in zijn artistieke ontwikkeling. Titels, reekstitels en versregels verdwenen in een latere druk, strofen werden toegevoegd, gedichten geschrapt of bewerkt. Zuiderents begrip "zelfbloemlezing" vat ik op als een bruikbare alternatieve term voor de eerder ge-hanteerde, weliswaar niet gemunte term "auteurseditie". Het betreft edities "waarvoor de dichter zelf verantwoordelijk kan worden gehouden". Strategische ogenblikken, wanneer een nieuwe druk van de verzamelde poëzie de auteur een eigen interpretatie van het vroegere werk laat bieden die als een (impliciet) poëticaal statement kan worden gelezen, zijn door Claus telkens weer ten volle benut. Bij die gelegenheden greep hij in mindere of meerdere mate in in zijn teksten, in de compositie van een bundel of hij achtte het wenselijk gedichten te schrappen, te wijzigen of toe te voegen.

    Bovenstaande vaststelling is niet verrassend. Deze schrijfpraktijk komt zoals gezegd wel vaker voor. De altijd weer specifieke overleveringsgeschiedenis van geautoriseerde drukken, met een auteur die zich in verschillende fasen van zijn poëticale ont-wikkeling eerder gepubliceerde teksten weer toe-eigent door ze te bewerken, moet vanzelfsprekend gevolgen hebben voor de manier waarop Claus' verzamelde dichtwerk in een wetenschappelijk betrouwbare leeseditie wordt gepresenteerd. Leesuitgaven bieden vooralsnog één enkele tekst en online edities zijn voor poëzielezers meestal een gruwel. Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa (in Cottyn) sprak onlangs over de beperkingen van het e-book en maakte kanttekeningen bij de digitalisering van het boekenvak. Digitalisering zou banalisering van de literatuur in de hand werken. Als onderzoeker zie ik weliswaar de mogelijkheden van digitale edities en digitale archieven. Er zijn voldoende inspirerende voorbeelden. Als lezer daarentegen wil ik toch vooral een boek als materieel object in handen houden. Zeker als het de poëzie van Hugo Claus betreft. Welke opties dienen zich dan aan?

    Met de bedoeling recht te doen aan de dynamiek van een drukgeschiedenis en dus aan alle historisch variante versies van Claus' gedichten, met versies die ver-scheidene keren een bewerking hebben ondergaan, kan bij voorkeur worden ge-opteerd voor een digitale editie. Hypertext-edities stellen de pc-gebruiker in staat gelijktijdig verschillende vensters te openen zodat variante lezingen van teksten simultaan kunnen worden gelezen en vergeleken. Gezien de canonieke status van Claus' literaire werk, maar ook gelet op de beperkingen van de digitale editie inzake bruikbaarheid en toegankelijkheidhet lezen van poëzie en bij uitbreiding van literaire teksten op een computerscherm is voor mij alvast een ware geselingverdient het wellicht aanbeveling ook in een papieren editie variante lezingen ter beschikking te stellen. Over de relevantie en de legitimiteit van deze optie kunnen de meeste onderzoekers het wellicht snel eens zijn, over de praktische realisatie ervan in een boekuitgave zullen weer andere, meer pragmatische overwegingen een rol spelen.

    Ik heb het al eerder gesteld: aan elke lezing van een tekst ligt een poëticale houding ten grondslag. Indien de tekstediteur opteert voor een statische basistekst, zoals destijds het geval was in de Duitse en Nederlandse editiepraktijk, wordt uiteraard maar één van de vele dichters Claus gepresenteerd. Wordt het arsenaal van alle variante tekstversies beschikbaar gesteld, dan hoeft de editeur zelf geen beeldbepalende keuzes meer te maken en kan hij de focus, naast de tekstversies, richten op (de grilligheid van) de tekstgeschiedenissen. Een schrijver is altijd weer de interpreet van de eigen teksten, en elke tekstwijziging sluit aan bij een particuliere esthetische keuze, een specifieke poëticale overweging, een tijdgebonden visie op de plaats en de werking van een tekst tussen andere teksten. Teneinde de dichter als lezer van het eigen werk te presenteren, is het van belang ook in een leesuitgave diachrone tekstontwikkelingen zichtbaar te maken. Niet alleen voor een gespecialiseerd publiek van onderzoekers, ook voor de belangstellende lezer en de bibliofiel.

    De digitale editiepraktijk heeft inmiddels afdoende aangetoond dat we makkelijk kunnen afstappen van die ene basistekst, dat de keuze voor alle teksten als basistekst geen enkel probleem oplevert. De selectie van één welbepaalde geautoriseerde tekstversie als basistekst heeft als nadeel dat de editeur eigen esthetische premissen of dus een bepaalde voorkeur kan laten spreken. De poëticale visie van een tekstediteur kan ertoe leiden dat de gekozen tekstversie als de definitieve tekst wordt gepresenteerd aan een hele cultuurgemeenschap. De "definitieve" Claus: welke is die? Door te opteren voor een varianteneditie, vanuit een documentair perspectief, hoeft niet dat ene beeld (een momentopname) maar kan de variëteit aan beelden (een caleidoscoop) die een schrijver van het eigen werk heeft geconstrueerd worden gepresenteerd. De cultuurgemeenschap, maar ook het dichterschap zelf, kan alleen maar gebaat zijn bij een niet selectief aanbod van alle volledige tekstversies en hoeft zich niet tevreden te stellen met wat een editeur als relevant of als esthetisch verkieslijk beschouwt.

     

    3

    Het editiebeleid dat met het oog op een wetenschappelijke variantenuitgave van Claus' verzamelde dichtwerk nog moet worden uitgestippeld, kan rekening houden met wat ik op tekstniveau zonet presenteerde (alle tekstvarianten), maar ook met enkele van de volgende vier overwegingen. Vermoedelijk zijn niet alle vaststellingen relevant voor de keuze voor wat ik hier een documentaire varianteneditie noem. De term is in de Nederlandstalige editiepraktijk voor het eerst gebruikt door Edward Vanhoutte in diens editie van De moerbeitoppen ruischten van de Vlaamse priester-dichter Anton van Wilderode (2010).

    a. Intermediale kunstprojecten. Hugo Claus vond kort na de Tweede Wereldoorlog aansluiting bij Cobra, een internationaal samengestelde vereniging van experimentele plastische kunstenaars die samenwerkten met schrijvers. Met de Nederlandse schilders Karel Appel en Corneille verzorgde hij twee bibliofiele uitgaven, met name De Blijde en Onvoorziene Week (1950, gepubliceerd in 1952, samen met Appel) en Paal en Perk (1951, gepubliceerd in 1955, samen met Corneille). In diezelfde periode ontwierp Claus in samenwerking met Pierre Alechinsky de uitgave van Zonder vorm van proces (Tijd en Mens, 1950). De interdisciplinaire status van dergelijke plaquettes, waarbij woord en beeld (gouaches, lithografieën) interageren en in nauwe wisselwerking zijn ontstaan, wettigt een opname van beeldmateriaal, eventueel in facsimile, van dergelijke bibliofiele artefacten. Bij uitbreiding kunnen ook andere intermediale publicaties, zoals Oktober '43 (1998) met foto's van Rik Selleslags, integraalmet inbegrip van het fotomateriaalin een volledige editie worden opgenomen. Vanuit documentair oogpunt is het relevant deze gedrukte bronnen in een varianteneditie een volwaardig plaats te geven en de gedichten niet los te maken van de intermediale context waarin ze zijn ontstaan, gedrukt en gelezen (Buelens 594 - 95).

    b. Boekomslagen. Hugo Claus hechtte belang aan boekomslagen. Wat Gérard Genette in Seuils (1987) als periteksten aanduidde, zoals motto's en opdrachten, aantekeningen bij gedichten en bronnenopgaven, maar dus ook boekomsla-gen, verdienen in een documentaire varianteneditie de nodige aandacht. In-dien de auteursbetrokkenheid bij de keuze voor een omslag kan worden vast-gesteld, zou ik er alvast voor opteren een overzicht samen te stellen van alle boek-vormelijke gegevens die gepaard gaan met publicaties van Claus' literaire werk, in dit geval de poëzie.

    c. Vertalingen en hertalingen. Hugo Claus verwierf niet alleen naam en faam met de eigen literaire (scheppende) productie. Hij was ook actief als vertaler en hertaler van poëzie. De begrippen "vertaling" en "hertaling" gebruik ik conform de definities in het Lexicon van literaire termen (respectievelijk "letterlijke vertaling" en "vrije vertaling"):

      Principieel kan men twee soorten literaire vertalingen onderscheiden: a. vertalingen van het zgn. adequate, brontekstgerichte type, die zich zo strikt mogelijk aan de brontekst houden ("letterlijke vertaling") en b. vertalingen van het zgn. acceptabele, doelsysteemgerichte type ("vrije vertaling"), waarbij de brontekst qua inhoud (semantisch), vorm (syntactisch) of effectiviteit (pragmatisch) in mindere of meerdere mate wordt aangepast aan acceptabel gemaakt voor het doelsysteem (traditie, smaak van het publiek, socio-culturele context, enz.) (Van Gorp et.al. 434)

      Er is al eerder gewezen op de vertaalstrategieën die de dichter Claus aan-wendde: hij zette teksten naar de eigen hand zonder veel rekening te houden met de brontekst. Zonder overdrijving kan worden gesteld dat Claus zich de teksten van andere dichters toe-eigende en een onuitgegeven, weinig brongerelateerd gedicht componeerde. Vertaalde of hertaalde gedichten zijn tijdens het leven van de auteur geweerd uit verzamelbundels. Toch verdient het aanbeveling ook die hertalingen en bewerkingen op te nemen in een documentaire editie van Claus' verzameld dichtwerk (Naaijkens en Vanasten; T'Sjoen)

    d. Ongepubliceerd dichtwerk. De leesuitgave beperkt zich tot het door Claus verspreid gepubliceerde en gebundelde dichtwerk. Alleen de teksten die door de auteur in druk zijn gegeven, waar hij bemoeienis mee had, behoren tot het teksten-corpus dat met het oog op de documentaire varianteneditie moet worden gepresenteerd. Tekstgenetisch onderzoek kan resulteren in deeledities, zoals onder andere voor de bundels tancredo infrasonic (1952) (Cailliau) en Een huis dat tussen nacht en morgen staat (1953) (Roelens en Vanhoutte) is ondernomen.

    Ik formuleer een besluit. Het spreekt voor zich dat dit pleidooi voor een documentaire varianteneditie van Claus' gepubliceerde poëzie, waarin aandacht is voor elke tekstversie die door de auteur zelf in druk is gegeven, velerlei implicaties heeft. Aan het voorstel voor een papieren variantenuitgave hangt trouwens een niet onaardig prijskaartje vast. Een schrijver van de status van Hugo Claus wettigt mijns inziens een monumentale editie waarin wisselende poëticale inzichten van een auteur of teksten met een eigen drukgeschiedenis worden neergezet. Door op bepaalde tijdstippen te werken aan "zelfbloemlezingen", met teksten die eerder al in gedrukte vorm zijn uitgegeven, en zich de teksten vervolgens weer toe te eigenen door ze te herschrijven, hebben de gedichten van Claus verscheidene gedaanteverwisselingen ondergaan. De drukvarianten dragen sporen van (meestal doordachte) poëticale beslissingen. Alle teksten van Claus, ook al zijn het tekstversies in hun wisselende composities, zijn het daarom waard te editeren. Voor Hugo Claus was poëzie immers een dynamisch proces dat alleen op tijdstippen tijdelijk definitief was. Voor de hedendaagse lezer is het relevant te zien hoe deze schrijver de beeldvorming van het eigen werk in de loop van zijn schrijverschap voortdurend bijstuurde.

    In vrijwel alle gevallen van Claus' herschrijvingen betreft het tekstversies die méér varianten bevatten dan die ene komma van Siegfried Scheibe. Een varianteneditie stelt de lezer in staat de verrassende en soms ingrijpende metamorfosen van teksten te verkennen. Dit documentaire editietype, anders dan een "archiefeditie", stelt de onderzoeker in staat een disparaat beeld naar voren te schuiven van de dynamische drukgeschiedenis van Claus' verzamelde dichtwerk. Kiest men voor één tekstversie, en de vraag is dan natuurlijk welke, reduceert men het semantisch potentieel van Claus' poëzie.

    Het Claus-editieteam, bij voorkeur samengesteld uit kenners verbonden aan het Claus-centrum (Universiteit Antwerpen) en professionele tekstediteurs, zal zich moeten buigen over de wijze waarop het volledig dichtwerk, in alle door de auteur geënsceneerde verschijningsvormen, gebruiksvriendelijk maar ook met aandacht voor alle auteursvarianten en dus voor de poëticale ontwikkeling van de schrijver ter beschikking zal worden gesteld. Zowel voor specialisten als voor niet-specialisten. Dit verkennende voorstel voor een uitgewerkt editieplan, vier jaar na het overlijden van het monstre sacré, kan daarvoor misschien een eerste ambitieuze aanzet leveren.

     

    Erkenning

    De Engelstalige concepttekst voor deze bijdrage is gepresenteerd op het internationale symposium "Texts Worth Editing", Seventh Annual Conference of The European Society for Textual Scholarship, Pisa en Firenze, 25 - 27 november 2010.

     

    Bibliografie

    Buelens, Geert. Van Ostaijen tot heden. Zijn invloed op de Vlaamse poëzie. Nijmegen/Gent: Vantilt/KANTL, 2001.        [ Links ]

    Cailliau, Charlotte. Engagement in diminuendo. Historisch-kritische uitgave van Hugo Claus' tancredo infrasonic. Licentiaatsverhandeling. U Gent, 2006.        [ Links ]

    Claus, Hugo. Gedichten. (Eerste druk). Amsterdam: De Bezige Bij, 1965.        [ Links ]

    . Gedichten 1969 - 1978. (Eerste druk). Amsterdam: De Bezige Bij, 1979.        [ Links ]

    . Gedichten 1948 - 1993. (Eerste druk). Amsterdam: De Bezige Bij, 1994.        [ Links ]

    . Gedichten 1948 - 2004. (Eerste druk). Amsterdam: De Bezige Bij, 2004.        [ Links ]

    . Kleine reeks. Gedichten. Ed. Edward Vanhoutte. Gent: KANTL/CTB, 2005.        [ Links ]

    Cottyn, Hans. "Vargas Llosa: "Digitalisering leidt tot banale literatuur"", weblog De papieren man 18.10.2010. <www.depapierenman.be/blog/2010/10/18>.        [ Links ]

    Deegan, Marilyn & Kathryn Sutherland (eds.). Text editing, Print and the Digital World. Farnham, Surrey: Ashgate, 2009.        [ Links ]

    Gorp. H. van, et.al. Lexicon van literaire termen. (Vijfde volledig herziene druk). Leuven: Wolters, 1991.        [ Links ]

    Het teken van de ram. Jaarboek voor de Claus-studie. Red. Georges Wildemeersch. Antwerpen/Amsterdam: Kritak/De Bezige Bij (afleveringen 1 - 2), 1994/1996.        [ Links ]

    Het teken van de ram. Bijdragen tot de Claus-studie. Red. Georges Wildemeersch. Amsterdam: De Bezige Bij (afleveringen 3 - 4), 2000/2004.        [ Links ]

    Jacobs, Katrien, Kris Landuyt, Kris Lembrechts & Georges Wildemeersch (red.). Hugo Claus. Voor twaalf lezers en een snurkende recensent. Rijswijk: Elmar, 2004.        [ Links ]

    Mathijsen, Marita. Naar de letter. Handboek editiewetenschap. (Eerste druk). Assen: Van Gorcum, 1995.        [ Links ]

    Naaijkens, Ton. "Op tweetijdige voeten. Hugo Claus, resoluut poëzievertaler." Filter. Tijdschrift voor vertalen 15.3 (2008): 3 - 10.        [ Links ]

    Roelens, Peter & Edward Vanhoutte. "Een huis dat tussen nacht en morgen staat. Varianten bij Hugo Claus." Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 108.1, (1998): 79 - 208.        [ Links ]

    Scheibe, Siegfried. "Zu einigen Grundprinzipien einer historisch-kritischen Ausgabe." Red. Gunter Martens & Hans Zeller. Texte und Varianten. Probleme ihrer Edition und Interpretation. München: C. H. Beck, 1971. 1 - 44.        [ Links ]

    . "Zum editorischen Problem des Textes." Zeitschrift für deutsche Philologie 101 (1982): 12 - 29.        [ Links ]

    . "Probleme der Autorisation in der textologischen Arbeit." Editio 4 (1990): 57 - 72.        [ Links ]

    Shillingsburg, Peter. From Gutenberg to Google. Electronic Representations of Literary Texts. Cambridge: Cambridge UP, 2006.        [ Links ]

    Steding, Sören. Computer-Based Scholarly Editions. Context - Concept - Creation - Clientele. Berlin: Logos Verlag, 2002.        [ Links ]

    T'Sjoen, Yves. "Hugo Claus en de hertaalde poëzie." Idem, Aansporingen. Essays en reflecties. Leuven/Den Haag: Acco, 2010. 59 - 62.        [ Links ]

    Vanasten, Stéphanie. 2008. "Een Vlaamse tango. De dichter Claus als vertaler." Filter. Tijdschrift voor vertalen 15.3 (2008): 11 - 22.        [ Links ]

    Wilderode, Anton van. De moerbeitoppen ruischten. Documentaire varianteneditie met een kroniek van de genese. Ed. Edward Vanhoutte. Gent: KANTL, 2010.        [ Links ]

    Zeller, Hans. "Befund und Deutung. Interpretation und Dokumentation als Ziel und Methode der Edition". Red. Gunter Martens & Hans Zeller. Texte und Varianten. Probleme ihrer Edition und Interpretation. München: C. H. Beck, 1971. 45 - 89.        [ Links ]

    Zuiderent, Ad. "Het eigen werk als readymade. Zelfbloemlezingen van K. Schippers". De tweede gisting. Over de compositie van dichtbundels. Red. Ad Zuiderent en Evert van der Starre. Amsterdam: Amsterdam University Press, 2001. 273 - 88.        [ Links ]