SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.49 issue2Classical Dialogue: allusion and intertextuality in Charl-Pierre Naudé's Against the Light author indexsubject indexarticles search
Home Pagealphabetic serial listing  

Services on Demand

Article

Indicators

Related links

  • On index processCited by Google
  • On index processSimilars in Google

Share


Tydskrif vir Letterkunde

On-line version ISSN 2309-9070
Print version ISSN 0041-476X

Tydskr. letterkd. vol.49 n.2 Pretoria Jan. 2012

 

'Zou de wereldbol een beetje aan het leeglopen zijn?'Herman de Coninck over het Afrikaans en Afrikaner maatschappij, cultuur en politiek

 

Herman de Coninck on Afrikaans and Afrikaner society, culture and politics

 

 

Yves T'Sjoen

Hhoofddocent ver-bonden aan de Vakgroep Letterkunde van de Universiteit Gent en als buitenge-woon hoogleraar aan het Departement Afrikaans en Nederlands, Universiteit van Stellenbosch. Hij is gespecialiseerd in moderne editiewetenschap en moder-ne poëziestudie (interbellum en naoor-log-se Nederlandstalige poëzie). E-mail: Yves.TSjoen@UGent.be

 

 


ABSTRACT

In the institutional context of literature in Flanders Herman de Coninck (1944 - 97) was an important player (or "actor"). The author is well known as a poet, a literary critic and editor of the Dutch Granta-like magazine Nieuw Wereldtijdschrift (NWT). Academics and essayists have paid much critical attention to de Coninck's poetics and aesthetic views. In a recent anthology of Flemish poetry since the sixties, Hotel New Flandres (2008), he is called an innovative "paradigmatic poet" in the poetry system of Flanders. Much less known is his place in and relationship to the field of Afrikaans literature. Daniel Hugo published two anthologies with poetry of de Coninck in Afrikaans and Antjie Krog was invited by the Flemish editor to participate in NWT. Later on, these essays were rewritten and brought together in Krog's Country of My Skull. Reading prose and poetry by de Coninck and focusing on references to South Africa, we can study his perspective on Afrikaans (language and literature), his points of view on social and political developments in the post-apartheid era. The purpose of this article is to present documentary material to illustrate and comment on de Coninck's ideas on literature, language and society. This commentary on ideological and aesthetic opinions can form the basis for further discursive and institutional research with regard to the presence in and the image building of South Africa in the works by a canonized Flemish writer.

Keywords: Flemish literature, Afrikaans literature, language and society, political and cultural discourse.


 

 

In de inleidende tekst van de invloedrijke studie De productie van literatuur (2006), die in Nederland (en Vlaanderen) het literair-institutioneel onderzoek op de kaart heeft gezet, hebben samenstellers Kees van Rees en Gillis Dorleijn een poging ondernomen om vanuit veldtheoretische inzichten (o.a. van de Franse socioloog Pierre Bourdieu) het maatschappelijke veld te definiëren. Kort samengevat: het literaire veld (een complex van instituties, actoren, mechanismen en strategieën) wordt als een onderdeel van het culturele en het maatschappelijke veld beschouwd. Het culturele veld is ingebed in een samenleving die als een "geheel van onderling afhankelijke sferen" wordt omschreven (cultuur, politiek, economie). Politieke en socio-economische factoren kunnen een impact hebben op de ontwikkeling van het culturele veld en ook andersom kan cultuur een effect sorteren in het maatschappelijke leven. Een actor in een specifiek literair veld kan uiteraard ook bemoeienis hebben met andere culturen en taalgebieden. Of concreet: in het institutioneel onderzoek kan worden gepeild naar netwerken van schrijvers die zich via contacten, vertalingen, het redacteurschap van tijdschriften et cetera over de landsgrenzen spreiden. In hun tekst spreken beide auteurs, met betrekking tot het studieboek, over "de instituties en actoren die in Nederland het literaire veld uitmaken en de inbedding van dit veld in andere maatschappelijke velden in Nederland" (Dorleijn en Van Rees 23).

Herman de Coninck is een actor die in het Nederlandse taalgebied (in Nederland en Vlaanderen) op verschillende terreinen present was. Institutioneel als tijd-schrift-redacteur en journalist, dichter en vertaler; poëticaal (of beter: in de functie van verstrekker van symbolisch kapitaal) als gezaghebbend criticus, bloemlezer, lector en essayist. Een aspect dat tot vandaag minder aandacht kreeg, zijn De Conincks banden en opvattingen omtrent de Afrikaanse literatuur in Zuid-Afrika. De Coninck was er enkele keren op uitnodiging te gast en in de vertaling van Daniel Hugo is de dichter aanwezig in het Afrikaanse literaire veld. Hugo bezorgde een eerste Afrikaanse ver-taling met Liefde, miskien (1996), een bloemlezing uit De Conincks eerste drie dicht-bundels, en in 2009 verscheen Die lenige liefde (naar de titel van De Conincks de-buutbundel in 1969). Die laatste publicatie biedt een Afrikaanse anthologie van vijftig gedichten (met name een keuze van twintig teksten uit Liefde, miskien, aangevuld met dertig nieuwe vertalingen) uit De Conincks postuum uitgegeven verzamelbundel De gedichten (2000).

De opzet van deze bijdrage is, naast de poëticale opvattingen, de visie van De Coninck op de Zuid-Afrikaanse politiek en maatschappij te duiden aan de hand van expliciete uitspraken en autobiografische fragmenten uit het literaire oeuvre.

Deze verkennende inventariserende tekst presenteert een globaal overzicht van de institutionele banden met en ideologische uitspraken van de Vlaamse actor De Coninck over Zuid-Afrika en het Afrikaans. In mijn overwegend documentaire bijdrage bied ik een becommentarieerd overzicht van alle tekstplaatsen in De Conincks oeuvre waar wordt gerefereerd aan Zuid-Afrika en het Afrikaans. Een netwerkanalyse, waarbij allerlei contacten met schrijvers, uitgevers en vertalers aan bod moeten komen, dient nog een aanvang te nemen.

Naar de werkexterne opvattingen van Herman de Coninck (1944 - 97), over Afrikaanse taal en politiek, en meer specifiek over maatschappelijke en politieke ontwikkelingen in Zuid-Afrika na de eerste democratische verkiezingen sinds de opheffing van het apartheidsysteem (27 april 1994), is nog maar weinig onderzoek verricht. Nochtans heeft De Coninck in vijf genummerde autobiografische proza-fragmenten, getiteld "Het niets tussen twee plekken" en gebundeld in De cowboybroek van Maria Magdalena en andere reisverhalen (107 - 34; Het proza 649 - 82), zijn zienswijze geformuleerd op de levensvatbaarheid van Mandela's zogeheten Regenboognatie, en de perspectieven van het Afrikaans als een van de elf officiële ambtelijke talen van het nieuwe Zuid-Afrika. De Conincks beeld van het land is een constructie die tot stand is gekomen naar aanleiding van vier bezoeken en gebaseerd op gesprekken over en een confrontatie met de hedendaagse Afrikaanse poëzie. Uiteindelijk hebben de contacten met Afrikaanstalige schrijvers, wat we vandaag interculturele networking noemen, geleid tot twee bloemlezingen met naar het Afrikaans vertaalde gedichten uit De Conincks verzamelde poëzie. Ook andersom heeft de Vlaamse schrijver, in zijn rubriek "De vliegende keeper" in de krant De Morgen en in het Nieuw Wereldtijdschrift (waarvan hij in 1984 stichtend redacteur was), aandacht gevraagd voor het Afrikaans, de Afrikaanse literatuur en de complexe politieke situatie in Zuid-Afrika.

 

Eerste contacten

De eerste aanblik van Zuid-Afrika geschiedde voor Herman de Coninck uit "het oog" van een vliegtuigraampje. Deze optische metafoor is overigens ontleend aan Brey-tenbach. De Zuid-Afrikareiziger schreef in het fragment "Cultuur als besmetting", na de belevenis van de spectaculaire bocht die het vliegtuig over de Atlantische oceaan maakt bij het naderen van Kaapstad:

Het eerste wat je vanuit het vliegtuig ziet is de Tafelberg, een altaar voor de goden. Het eerste wat ik denk is: het land is alvast mooi. Helemaal een klootzak kan die Jan van Riebeeck niet geweest zijn, dat hij uitgerekend hier aan land kwam. Vaak hangt er een wolk boven de berg. Die heet: tafelkleed. Het tweede wat ik dus denk is: ook de taal is alvast mooi. Maar mag je dat wel denken?" (De cowboybroek 111)

Aan de ethisch gefundeerde terughoudendheid van De Coninck zal ik verder in dit opstel enkele beschouwingen wijden.

In het voetspoor van Herman de Coninck, en terloops in deze bijdrage ook van zijn toenmalige echtgenote Kristien Hemmerechts (45 - 66), tracht ik op basis van de verspreid gepubliceerde en gebundelde opstellen over Zuid-Afrika te achterhalen welke uitspraken De Coninck heeft gedaan over het land en meer specifiek over het Afrikaans. Ik volg een traject dat zal leiden naar enkele Afrikaanse dichters en naar de linguïstische (al dan niet gecreoliseerde) smeltkroes die het Afrikaans is. De Coninck heeft van zijn dominante institutionele positie in het literaire veld van Vlaanderen (en Nederland) gebruik gemaakt om het werk van dichters in Zuid-Afrika ook in het Nederlandse taalgebied onder de aandacht te brengen en/of te promoten. Vroeger dan Gerrit Komrij, met een ruime bloemlezing uit de Afrikaanse poëzie (De Afrikaanse poëzie in duizend en enige gedichten), heeft de Vlaamse schrijver en criticus een lans gebroken voor de Afrikaanstalige literatuur van Zuid-Afrika. Mede op zijn instigatie is Afrikaanse poëzie naar het Nederlands vertaald en ontstond in de post-apartheid-periode meer publieke belangstelling voor ontwikkelingen in het literaire landschap van Zuid-Afrika.

 

Reisimpressies van Zuid-Afrika

De Coninck heeft zijn herinneringen aan twee verblijven in Zuid-Afrika, in oktober 1994 (een half jaar na de verkiezingen van 27 april) en in 1995, te boek gesteld in de bundel De cowboybroek van Maria Magdalena (1996). De uitgave is een van de laatste boekpublicaties van De Coninck. Een jaar later overleed hij in Lissabon. Ik voeg er nog aan toe dat hij ook in oktober 1996 in het land was, zoals verderop nog zal blijken uit enkele overgeleverde brieven aan zijn toenmalige echtgenote Kristien Hem-merechts.

Hemmerechts heeft op haar beurt reisherinneringen in een tekst verwerkt, getiteld "Stemmen van Zuid-Afrika" en een jaar eerder opgenomen in de bundel Amsterdam retour (1995). Een vergelijkende lectuur van beide bundels levert weinig spectaculairs op. De Coninck en Hemmerechts reisden samen en doen in hun beschrijvend proza verslag van hun gedeelde reiservaring. Anekdoten en beschouwingen, gesprekken, herinneringen aan personen en gebeurtenissen echoën in beider egogeschriften. Zo lees ik bij Hemmerechts (61) over een bezoek aan Witsand, het idyllische dorpje geborgen in een oogverblindende witte duinenmassa in de branding van de Indische Oceaan. Hemmerechts zelf schreef trouwens een roman Wit zand, genoemd naar het toponiem Wissant in Frans-Vlaanderen. Daar verwijst ze nadrukkelijk naar in haar "Stemmen van Zuid-Afrika". Ook het autobiografische verhaal van De Coninck over hun gezamenlijk verblijf in de buurt van het natuurreservaat De Hoop, in het Oosten van de West-Kaapse provincie, heet "Wit zand". In dit prozafragment stelt de verteller drie plekken centraal die luisteren naar diezelfde naam.

De anekdote over "Lawaaiwater" (of dus Witsand) aan de "zuidkust van Zuid-Afrika", op weg naar Grahamstad en Port Elizabeth in de Oost-Kaap, staat beschreven in het volgende verhaalfragment van De Coninck, dat niet toevallig begint met een aftelrijmpje van de dichter Van Zyl:

[...] Op reis in Zuid-Afrika ontmoetten we de dichter Wium van Zyl en zijn vrouw Dorothea. Wium is de auteur van het in Zuid-Afrika zeer beroemde versje "Sout-en-peperpotjies":

Ons twee is maatjies

precies eenders

buiten ons gaatjies.

Ze hadden een buitenhuisje in Witsand, zuidkust Zuid-Afrika, waar de Brede Rivier uitmondt in zee. Ze zouden zeer verguld zijn als we daar een lang weekend wilden doorbrengen, de enige tegenprestatie die ze vroegen was dat Kristien voor de wegwijzer naar Witsand zou poseren met haar boek Wit Zand. Het werd het heug-lijkste weekend van de hele reis. Het huisje bleek "Lawaaiwater" te heten: dat moest wel een vondst van Wium zijn. Of van het water zelf, want de Brede Rivier komt hier aangestormd om terecht te komen in de remstrook van haar zeemonding: zee die de rivier in wil, rivier die de zee in wil, het zorgt voor een luidruchtige stilstand. Onze slaapkamer heeft een balkon, en dat balkon een schommelstoel, en daarin bezit ik ten zeerste mezelf. Zo hoort de wereld te zijn, er bestaan plekken waar de wereld dat gesnapt heeft. Het is september, walvissenseizoen. En jawel, zelfs vanaf het balkon zie je ze, nog geen vijftig meter zee-inwaarts, eerst een fonteintje, dan een vin of een staart: walvissen, kleine, drie à vier meter, ontroerende speelvogels, speelvissen, van een groot geslacht. De zee is roestkleurig, vanwege ijzermineralen vermoed ik, pas veel verder probeert ze haar blauwen uit. Het zand is zo wit als beloofd. Duinen met rillerige ruggengraatruggen. Daarachter hard-groen kleinhout. Het strand wemelt van de strandpipers en de witgatspreeuwen. De namen van de dingen zijn hier bijna zo mooi als de dingen zelf. Tegen de avond zie ik op het strand een man met een soort fietspomp bezig. Het lijkt alsof hij de aarde aan het oppompen is. Hij zwoegt er bij. Nu je het zegt, het loopt hier zo zacht, zou de wereldbol inderdaad een beetje aan het leeglopen zijn? Nee, zegt de man, hij is op zoek naar mud prawns, moddergarnalen als aas om morgen mee te vissen.

Later het Zuiderkruis tegen de achtergrond van de helderste melkweg ooit gezien, een hemel met een soort roodvonk, lijkt het wel, geelvonk. Het te grote en het te kleine en hoe dat hetzelfde is: kijken naar schelpen, kijken naar de melkweg. Ik ben een zandkorrel in het diepst van mijn gedachten. (De cowboybroek 118 - 19)

Het verhaal, waaruit ik dit fragment put, is gelardeerd met poëtisch geformuleerde anekdotische beschrijvingen zoals wel meer voorkomen in reisimpressies van deze romantische schrijver. De verteller vergaapt zich aan "ontroerende speelvogels" en "duinen met rillerige ruggengraatruggen". Hij staat in bewondering voor de "helderste melkweg" en mijmert vanuit een eurocentrisch perspectief over de wonderen van de Zuid-Afrikaanse natuur. Hoe poëtisch of retorisch geformuleerd ook, deze auteur ontsnapt duidelijk niet aan de clichébeelden van de natuurpracht in Zuid-Afrika.

 

Een onbestaand gedicht van Breytenbach

Relevanter dan een beschouwing te wijden aan dergelijke reisreportageachtige fragmenten, of het autobiografische gehalte van De Conincks verhalend proza te onderzoeken, is te peilen naar diens meer geïmpliceerde of uitgesproken standpunten over Zuid-Afrika. "Charisma in de uitverkoop" en "Cultuur als besmetting" zijn wat dat betreft revelerende teksten waarin de schrijver zijn bedenkingen over het weer-zinwekkende karakter van het politieke systeem en over de schoonheid van de mensen en de landschappen heeft verwerkt, maar ook zijn visie op het Afrikaans.

Het eerste verhaal "Charisma in de uitverkoop" van De Coninck in De cowboybroek begint als volgt:

Ik ben twee keer in Zuid-Afrika geweest, in 1994, volop in de euforie van Mandela, en in 1995, toen een verbitterde blanke taxichauffeur me vertelde dat er spoedig een burgeroorlog zou losbarsten tussen Zoeloes en Xhosa's, en na enig bloedver-gieten zou men opnieuw de blanken nodig hebben als strenge opzichters, hoopte hij. In mijn kop en in dit verslag waaien 1994 en 1995 door elkaar (107).

De eerste reis waaraan de schrijver hier refereert, had zoals gezegd plaats in oktober 1994. De aanleiding voor een tweede verblijf, begin augustus 1995, was een lezingentournee die De Coninck bracht op een neerlandistiekcongres in Bloemfontein en in Potchefstroom ("het ergste van het ergste, of het witste van het witste" (uit een brief van Herman de Coninck aan Daniël Hugo, dd. 27 juli 1995; Postumiteit 614). Aansluitend, na zijn publieke optreden aan de universiteiten en in culturele centra van beide steden, ondernam hij naar eigen zeggen in opdracht van een Belgisch radioprogramma een autotocht naar de Drakensbergen. Over deze tweede reis, die hem toen niet naar de Kaap bracht, schreef hij een brief aan Daniel Hugo. Zoals gezegd heeft Hugo met Liefde, miskien (1996) een voor het Afrikaanse publiek beeld-bepalende bloemlezing uit De Conincks poëzie naar het Afrikaans samengesteld.1 Dat De Coninck überhaupt een tweede reis naar het zuidelijk halfrond heeft ondernomen, was blijkens onderstaande brief helemaal niet zo evident.

[...] Ik zie daar zeer tegenop. 1/ Kristien gaat niet mee. 2/ Zonder haar ben ik helemaal geen dapper reiziger. 3/ Ik heb gisteren mijn rib gebroken: gewoon thuis van de trap gevallen, uitgegleden op mijn kousen. Alles wat ik met mijn linkerarm doe, doet pijn. In Zuid-Afrika moet ik met die arm schakelen met de auto. 4/ Ik moet ten laatste 13 augustus terug in België zijn, dus ik heb geen tijd om jullie in Kaapstad te bezoeken. Vooral dat laatste vind ik jammer [...]. (Postumiteit 614)

Nog vóór beide excursies waarover hij rapporteert en fictionaliseert in De cowboybroek, toen hij naast Bloemfontein en "Potch" ook het "Britse" Durban heeft bezocht, had De Coninck zijn belangstelling voor Zuid-Afrika al meermaals laten blijken. Meer bepaald op het moment dat het verscheurde land de nadagen van het apartheidsregime doormaakte en de toekomst bijzonder onzeker oogde. De Coninck heeft ook enkele keren zijn waardering, zo niet zijn fascinatie, voor het literaire werk van schrijvers als J. M. Coetzee, Nadine Gordimer, Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach uit-gesproken. Aan die laatste "verzetsfiguur", schrijver in de diaspora, heeft hij overigens ook een gedicht gewijd (Van den Bergh 356). De genese van het gedicht moet worden gedateerd nadat Breytenbach in 1992 mee het Gorée Institute, Centre for democracy, development and culture heeft opgericht (met een verwijzing naar het slaveneiland Gorée voor de kust van Dakar, Senegal). Het instituut streefde ernaar het contact tussen intellectuelen en democratische instellingen in Afrika te bevorderen, en de democratie op het continent te stimuleren ([Auteurscollectief] 75). De bemiddelaarsrol die Breytenbach vervulde, en zich dus ook institutioneel aantrok, zit mee verwerkt in het gedicht. De tekst van De Coninck is niet opgenomen in een dic