SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.46 issue1 author indexsubject indexarticles search
Home Pagealphabetic serial listing  

Tydskrif vir Letterkunde

Print version ISSN 0041-476X

Tydskr. letterkd. vol.46 n.1 Pretoria Jan. 2009

 

Congo, de missie en de literatuur: over David van Reybrouck, J. G. Schoup en Amaat Vyncke

 

Congo, the mission and the literature

 

 

Jacqueline Bel

 

 


ABSTRACT

Missionaries played an important role in the colonisation of the Congo. They brought Christianity and "civilisation" to the new colony in central Africa, which was ruled over by the Belgian King Leopold II from 1885 to 1908 and by the Belgian government from 1908 to 1960. Missionaries were active in the field of education, but they also left their mark on colonial literature, both as authors and as protagonists. This article explores the traces of the missionaries in the literature on the Congo. Father Amaat Vyncke was an early example of a missionary and author, just as Father Garmijn and Father Constant de Deken. These missionaries provided a positive assessment on the colonial system in their writings. Writers like Ad. Verreet and J. G. Schoup used missionaries as protagonists in their novels. Schoup portrayed a sympathetic missionary who sharply criticised the colonial system. After the colonial period Jef Geeraerts painted a very negative image of the missionary in his Gangreen novels. However, the travel books written by Lieve Joris and Bart Castelein and the play Missie (Mission) written by David van Reybrouck (2007) sketched a positive and nostalgic image of the missionary.

Key words: Dutch (post)colonial literature, Congo, missionaries, colonialism.


 

 

Inleiding

In 2007 ging het toneelstuk Missie van David van Reybrouck in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel. In deze theatermonoloog is een uit Congo teruggekeerde Belgische missionaris aan het woord. Hij vertelt niet alleen over het exotische land in het hart van Afrika waar hij lang heeft gebivakkeerd, maar ook noteert hij wat hij om zich heen ziet in België:

Dat valt me wel vaker op, dat mensen zeggen: "ah , gij zijt missionaris, vertelt een keer." En dan luisteren ze, maar na vijf minuten beginnen ze al zelf te vertellen. Over de school van hun kinders en dat de weg daarnaartoe zo dangereus is. [...] Ge móest eens weten, denk ik dan. Dangereuze wegen. Wees blij dat ge wegen hebt, ja. In Congo zijn er geen meer. Ik heb het zien veranderen. Toen ik er eraan kwam, kondt gij van de ene kant van Congo naar de andere kant rijden, Van Boma aan de zee naar Moba aan het Tanganyika meer. Da's ongeveer heel west-europa door. [...] Maar nu niet meer. Nu moet ge een versleten vliegerke nemen waarvan de zetels soms vervangen zijn door plastieken tuinstoelen [...] en dan zijt ge al blij dat er een vliegveld ligt zonder al te grote putten in de landingspiste' (Van Reybrouck 2007: 6).

Missie werd in 2008 bekroond met de Arkprijs van het Vrije woord, een prestigieuze Vlaamse prijs waar geen geldbedrag aan is verbonden, maar die uitgereikt wordt aan geëngageerde, eigenzinnige mensen die tegen de stroom in roeien en een maatschappelijke meerwaarde in zich dragen. De prijs wil personen in het voetlicht plaatsen die zich actief inzetten voor de vrijheid van denken. De jury was onder de indruk van Van Reybroucks veelzijdige, rechtlijnige en originele aanpak in de hedendaagse discussies op ethisch-maatschappelijk en wetenschappelijk vlak, zo meldt De Standaard. "Missie is een pleidooi voor engagement en volharding," aldus de jury. "Elk woord en elk gebaar trekken het publiek mee in een wereld vol vooroordelen over missionarissen en het westerse beeld van Afrika. Aan het eind komt de donderslag en valt de regen neer, en ook in de harten van het publiek stroomt alles even leeg, hartverscheurend en vol tederheid." Verschillende websites ondersteunen de lof voor Missie (zie www.stadsschouwburg.nl en www.kvs.be). In zijn toneelstuk in drie bedrijven laat Van Reybrouck een oude pater aan het woord die vertelt over zijn ervaringen als missionaris in Congo. De tekst is gebaseerd op interviews van de auteur met een vijftiental missionarissen uit Congo. De hoofdpersoon vormt een construct, in de woorden van de auteur "een hybride composietfiguur" waarbij tachtig procent afkomstig is van de geïnterviewden en twintig procent van de auteur (Van Reybrouck 2007: 6). Dat het hier gaat om een composietfiguur is overigens niet te merken. De missionaris komt naar voren als een figuur uit een stuk, een man van vlees en bloed. Een tragische figuur die overigens goed kan mopperen, maar ook humor heeft. Hij gaat in op de geschiedenis van Congo, de paus en het celibaat, het hedendaagse België waarin iedereen het druk heeft, de arrogantie van de moderne ontwikkelingswerker in de brousse, het maken van keuzes in het leven, en: het volgen van een missie.

Het stuk dat vertolkt werd door Bruno van den Broecke kreeg niet alleen een belangrijke prijs, maar werd ook laaiend positief ontvangen door pers en publiek. De website van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg meldde dat Knack het stuk "een godsgeschenk" noemde, dat De Morgen oordeelde dat het: "een verbluffende, ontroerend-harde voorstelling" was. Volgens Le Soir was het "een fantastische tekst, een uitzonderlijke interpretatie". Klara sprak van de "Theatervoorstelling van het jaar".

De vraag waarom een jonge hedendaagse auteur belangstelling heeft voor missionarissen en waarom zo'n stuk zozeer omarmd wordt door het publiek als nu gebeurd is, vormt de aanleiding voor een zoektocht naar de rol van de missie in de Vlaamse literatuur over Congo. In het hierboven aangehaalde, vrij willekeurig gekozen, fragment uit het toneelstuk Missie, schetst de ikfiguur een beeld van het huidige Congo. Het land dat vroeger zo goed was ontwikkeld is onttakeld, zonder wegen, met als belangrijkste transportmiddel voor langere afstanden "krakkemikkige vliegerkes". Ook wordt hier al snel duidelijk dat de mensen in België, die enerzijds benieuwd zijn naar de verhalen van de missionaris, vooral bezig zijn met zichzelf, hun eigen drukke leven en geen idee hebben van dat grote, gevaarlijke land daar midden in Afrika. Deze twee elementen, een visie op Congo nu en vroeger én een visie op België zijn bijna in elk Vlaams literair werk over Congo in meerdere of mindere mate aanwezig. Nu het koloniale tijdperk bijna een halve eeuw achter ons ligt en verschillende regimes in Zaïre/Congo elkaar inmiddels alweer hebben opgevolgd, neemt het aantal beelden van dat land eerder toe dan af.

 

Verschillende visies

Elk verhaal over dit bijzondere land in het hart van Afrika projecteert een of meer visies op Congo, waar de gelijknamige rivier zich als een kronkelende slang doorheen slingert. Een territorium, tachtig keer groter dan België, dat 100 jaar geleden officieel door België werd ingelijfd. Vaak gaat het hierbij om totaal tegengestelde visies op eenzelfde tijd, zoals bij voorbeeld blijkt uit de toespraken die koning Boudewijn en premier Lumumba, de eerste premier van Congo, hielden in 1960 bij de soevereiniteitsoverdracht.

Koning Boudewijn nam als eerste het woord:

Toen Leopold II zijn grote werk begon, dat vandaag zijn bekroning vindt, heeft hij zich aan U niet gepresenteerd als veroveraar maar als brenger van de beschaving. [...] De Congo werd begiftigd met spoorwegen, wegen, scheep- en luchtvaartverbindingen [...] Onze medische voorzieningen hebben U bevrijd van tal van verwoestende ziekten. Vele goed uitgeruste ziekenhuizen zijn gesticht. De landbouw is verbeterd en gemoderniseerd. Grote steden zijn gebouwd. De levensomstandigheden en de hygiëne zijn verbeterd. Missie- en staatsscholen hebben op grote schaal onderwijs gebracht. (Wesseling 2003: 50-51)

Daarna sprak premier Lumumba:

Wij hebben de spot, de beledigingen en de slagen moeten ondergaan, 's morgens, 's middags en 's avonds - omdat wij negers waren. Wij hebben meegemaakt dat onder wettelijke voorwendsels onze gronden werden gestolen. Wij hadden wetten die anders waren voor blanken dan voor zwarten: aangenaam voor de eersten, wreed en onmenselijk voor de laatsten. Wij hebben meegemaakt dat de blanken in schitterende huizen woonden en de zwarten in krotten. Dat een zwarte niet werd toegelaten in de bioscopen, noch in de restaurants, noch in de zogenaamde Europese winkels. Onder dit alles, mijn broeders, hebben wij vreselijk geleden [...] maar dit alles is nu voorbij. (Wesseling 2003: 50-51)

Hier klinkt een heel ander geluid, een visie op eenzelfde tijd vanuit een tegengesteld perspectief. Zo men wil: een koloniale versus een postkoloniale visie.

Ook dit artikel is geschreven vanuit een bepaald perspectief. Het concentreert zich op de Belgisch-Congolese betrekkingen, in het bijzonder op Vlaams-Congolese betrekkingen, voor zover die zichtbaar worden in de literatuur. Het materiaal wordt bekeken vanuit de vraagstelling welke rol de missie speelt in de Vlaamse koloniale en postkoloniale literatuur. Op zoek naar een voorlopig antwoord op deze vraag wordt hink-stap-sprong een tocht door de tijd gemaakt langs verschillende Vlaamse Congoteksten. Daarbij wordt het begrip literatuur een beetje opgerekt en worden ook journalistieke reportages en reisverhalen meegerekend. De grens tussen wat men nu graag "echte" literatuur pleegt te noemen en reisverhalen is vaak nauwelijks te trekken. In de tijd waarin deze werken verschenen werden reisverhalen en romans vaak in een verband behandeld en werden beide als literatuur beschouwd (Bel 1993, Huygen 2006). Daar komt bij dat veel teksten die ooit in een literaire context werden geplaatst, nu vaak helemaal niet meer als letterkundige producten worden gezien, maar als onbelangrijke werken terzijde worden geschoven. Het is daarom verdedigbaar het begrip literatuur in dit kader volgens de toenmalige maatstaven te hanteren. Dit artikel is dan ook, op het tweede plan, een pleidooi voor een ruimere opvatting van het begrip literatuur. Een argument daarvoor is ook dat zowel in het proza als in reportages en wetenschappelijke werken dezelfde soort ideologisch getinte geluiden te beluisteren zijn.

In de studie van koloniale en postkoloniale letteren neemt de Congo-literatuur een bijzondere plaats in. Namelijk:

• Congo is pas relatief laat gekoloniseerd en de koloniale periode heeft vrij kort geduurd. Het corpus van koloniale teksten lijkt dus te overzien.

• Congo heeft bovendien een internationale (post)koloniale literatuur. Vanuit België gezien is de literatuur tweetalig, Frans en Vlaams (Nederlands). Maar er is veel meer literatuur gekoppeld aan de Congo. Heart of Darkness van Conrad is misschien de beroemdste literaire tekst over dit land. Ook Gides Voyage au Congo is bekend, net als Naipauls A Bend in the River, dat later verscheen. Daarnaast verschenen er minder bekende werken zoals Tropenwee, van de Nederlander Henri van Booven (zie hierover Renders 2002), een soort Nederlandse Heart of Darkness.

• Congo beschikt over een rijke orale traditie van de inheemse inwoners (Schipper 1983).

• Voor en na de kolonisatie is er inmiddels veel nieuwe (post)koloniale literatuur geschreven door de huidige bewoners van Congo of schrijvers die afkomstig zijn uit Congo, zoals V. Y. Mudimbe of Thomas Kanza (Schipper 1983: 207, 217).

• Missionarissen waren vanaf het vroege begin van de kolonisatie actief in Congo. Velen van hen deden verslag van hun ervaringen en daarnaast figureerden missionarissen ook in romans. Beide bronnen kunnen gebruikt worden bij de beantwoording van de vraag of de missie een rol speelde in de Vlaamse Congo-literatuur en zo ja, welke. Op deze vragen zal dit artikel zich richten. Uiteraard zal daarbij niet meer dan een topje van de ijsberg zichtbaar worden.

• In 2008 wordt herdacht dat Congo honderd jaar geleden, in 1908, een kolonie werd. Deze kolonie hield in 1960 op te bestaan. Maar zoals bekend, waren er sinds 1885 al innige banden tussen Congo en België, in het bijzonder via de Belgische koning Leopold II, die nota bene in 1885 na het Berlijnse congres, Congo als zijn "persoonlijk bezit" verwierf (Wesseling 1992).

 

Vroege getuigen

Rond 1900 woonden er nog maar heel weinig Belgen in de Congo-vrijstaat, sowieso weinig blanken (Renders 2002: 303). Het waren vooral handelaren en ondernemers, vaak van verschillende nationaliteiten. Ook waren er, zoals gezegd, al vroeg missionarissen in de Congo-Vrijstaat. Ook zij schreven boeken over Congo.

In zijn beroemde studie over Congo, King Leopold's Ghost: A Story of Greed, Terror, and Heroism in Colonial Africa heeft Hochschild (1998) beschreven hoe dramatisch het leven in de Congo-Vrijstaat was voor de zwarte bevolking. De Vrijstaat werd een exploitatiemaatschappij en er moest zoveel mogelijk winst gemaakt worden. De bevolking werd op alle mogelijke manieren uitgebuit. De bewoners werden uit hun dorpen gehaald om ver weg van hun woonplaats in de mijnen te gaan werken. Er werd veel geweld gebruikt en er was sprake van hoge sterfte (zie ook Gehrmann 2003: 55-88). Door dit geweld en door besmettelijke ziektes nam de omvang van de bevolking in de jaren 1880-1920 af van twintig tot tien miljoen. Al op de eerste bladzijde van zijn studie haalt Hochschild de missionarissen aan die al vóór Leopold II Congo in zijn bezit kreeg, actief waren in midden-Afrika. Leopold II was een groot voorstander van de missie, vooral van de Belgische missie. Hij zorgde met zijn mensen voor militair en economisch overwicht, de missie kon werken aan de "beschaving" en het onderwijs.

Wie zoekt naar sporen van de historische ellende die Hochschild beschrijft vindt daar niet veel van terug in de Vlaamse Congo-literatuur rond 1900. Buysse bespot in zijn verhaal De zwarte kost uit 1898 (Renders 2002, Bel 2007) de beschavingsactiviteiten in Congo en August Vermeylen maakt in zijn beroemde opstel "Kritiek der Vlaamsche Beweging" uit 1896 kritische opmerkingen aan het adres van de Belgische koloniale politiek. Men bespreekt de overname van de Congo-vrijstaat, zo meldt hij, en bekreunt zich daarbij vooral om het feit of de wetten en berichten aangaande de kolonie in twee talen worden opgesteld, maar: "[...] men heeft niet onderzocht of daarachter soms geen geldknoeiboel stak, men heeft zich niet eens afgevraagd of alle koloniale politiek, trots een leugenachtig uithangbord, geen aanstootelijke schanddaad onzer 'beschaving' is" (Vermeylen 1896: 20-21). Maar in de meeste werken ging het juist om de beschrijving van grootse daden in de kolonie, zoals de aanleg van een spoorweg.

Dat gebeurde bijvoorbeeld in Van Antwerpen naar Stanley-Pool: Reisindrukken, een boek van Pieter de Mey, dat in 1900 positief besproken wordt in het katholieke Dietsche Warande en Belfort (Danco 1900: 517). Het boek beschrijft onder meer de voltooiing in 1898 van de aanleg van de grote spoorweg door de wildernis:

Het staat aan iedereen nog in het geheugen hoe de "Albertville" nu twee jaar geleden, als in een triomftocht naar Congo trok om er een der heerlijkste werken dezer eeuw te gaan bekronen. Immers, was het niet een reuzenwerk, de voleinding van dien ijzeren weg, die het hart van Afrika openlei voor beschaving en verzedelijking en den weg baande voor 't geloof en zijne moedige soldaten, die al de hindernissen uit den weg ruimde die zich tegen het indringen van onze broeders in 't land der zwarten verhieven?

De hele wereld had gezanten gestuurd ter ere van het grote werk "der kleine Belgen" - zo schrijft criticus Pieter Danco.

Over Onafhankelijk Congoland van Priester Edmond Denys schrijft Dietsche Warande en Belfort (Danco 1900: 516) vervolgens: "Inderdaad, sedert weinige jaren zijn voor ons klein België, de enge perken van het Vaderland te nauw geworden; het had behoefte aan uitbreiding, aan een grooter veld om zijn handel en nijverheid meer te doen bloeien, en, iedereen weet hoe het erin slaagde." De criticus looft ook het beschavingswerk van de missie. "En 't is met een waar genoegen dat ik die groote brok van het tweede deel las, waarin zoo trouw het groote werk van beschaving en verzedelijking geschetst wordt." (Denys 1900: 517)

Leopold II zag de missie als ondersteuning van zijn beleid. De literatuur van de missie paste daar goed in. Het in bezit nemen en koloniseren van gebieden in Afrika werd verkocht als het brengen van beschaving bij de "wilden". De paters waren bezig met kerstening en het brengen van beschaving. Zij vervulden een centrale rol in het onderwijs en werden als zodanig ook door de staat gesteund (Depaepe, Debaere, Van Rompaey, 1992: 693-95, Anckaer 1970). Er was in 1906 een conventie ondertekend door de Onafhankelijke Congostaat en de Heilige Stoel die vorm gaf aan de samenwerking op het gebied van het onderwijs. In 1908 werden deze banden aangehaald. De missie kon bijvoorbeeld terrein opeisen voor de eigen congregatie. Missionarissen repten in hun geschriften meestal niet over misstanden die ze tegenkwamen. De verhalen werden vaak opgepoetst, ook om geldschieters tevreden te houden die ten slotte heil moesten zien in de onderneming. Missionarissen stonden ook onder strenge controle van de kerkelijke hiërarchie. Van de eigen congregatie, van de kerk, en van de katholieke uitgeverij. De paters gaven in hun reisverhalen informatie over het leven in het onbekende, "donkere" Afrika. En die verhalen vielen vaak in de smaak, zeker in het door en door katholieke België. Bovendien waren deze verhalen vaak spannend. Ze vertelden iets over een - voor Europeanen althans - compleet nieuwe wereld. Er waren in die tijd ten slotte niet veel andere informatiebronnen. Rond 1900, tot halverwege de twintigste eeuw, was het gedrukte woord in dat opzicht oppermachtig. Ook literatuur en reisverhalen speelden een cruciale rol in de beeldvorming. Literatuur als propaganda voor de kolonie en de missie dus.

Toch waren de missionarissen soms kritisch over het koloniale systeem en hadden ze regelmatig een positieve grondhouding ten aanzien van de zwarte bevolking. Ze verdiepten zich in de nieuwe culturen en leerden vaak de inheemse talen. Pater Garmijn bijvoorbeeld meldt dat hij een zwak heeft voor de inheemse bevolking. In zijn inleiding bij Veertien jaren in den Congo uit 1904 noteert hij dat hij niet kan zwijgen over dit "Congovolk" omdat hij het "geern" ziet en iedereen daarmee kennis wil laten maken. Het boek is opgesteld in vragen en antwoorden. Het bevat vragen als: "Wat eten de negers?" En Garmijn geeft ook antwoord op de vraag: "Is 't waar dat de negers wilde zijn, die door een levend konijn bijten, en geene woorden spreken gelijk menschen, maar geschreeuwen uitsmijten gelijk de beesten?" (Garmijn 1904: 52). In zijn antwoord probeert Garmijn een vooroordeel te ontzenuwen: "Antw. Zoo leeren de kluchtspelers op de kermissen maar zij dolen, want ik, die met de negers 14 jaar geleefd heb, heb zulke dingen nooit tegengekomen. [...] De zwarte, zij weten het ook dat de witte van Europa hen belachelijk maken en voor dieren uitgeven; zij zien de Zwarte op vele printen als apen verbeeld." Ook wijst Garmijn op het vermogen van de zwarten verhalen te vertellen. Ze hebben er plezier in, zo meldt Garmijn (1904: 54) "méér nog dan de witte, en zij kunnen het beter ook." Garmijn stelt vooroordelen over de zwarte bevolking aan de kaak. Ook de nieuwsgierigheid van het thuisfront wordt gethematiseerd, zoals dat eveneens gebeurde bij Van Reybrouck.

Een andere pater, Constant de Deken (1902: 10), schreef al eerder: "Wat is het eene vervelende zaak vrienden te hebben! [...] nu dat ik half gebraden van Congo terugkom, gunt men mij amper een paar maanden om adem te halen; men sluit mij tusschen de vier muren eener kamer op, en, willens of onwillens, moet ik alle dagen een blad of tien bekladden."

Missionarissen waren behalve vertegenwoordigers van de katholieke kerk die het koloniale beleid steunden, vaak ook bijzondere figuren, die hielden van het avontuur. Een goed voorbeeld daarvan is missionaris Amaat Vyncke, een missiepater met een verleden als flamingant. Vyncke schreef zelf reisbrieven uit Afrika. Maar hij is ook vereeuwigd in een woordkunstig portret in het beroemde Twintig Vlaamsche koppen van pater Hugo Verriest uit 1901, een boek dat een belangrijke rol heeft gespeeld in de ontvoogding van Vlaanderen.

Vyncke, geboren in 1850, was een avonturier en een doorzetter. Hij ging in 1881 naar Algiers, in 1883 naar het Tanganyika-Meer in Midden-Afrika, waar hij, als "overste van den zendingsstand", in 1888 overleed te Kabanga, in Belgisch Opper-Congoland. Zijn brieven werden in 1889 uitgegeven onder den titel: Brieven van eenen Vlaamschen Missionnaris in Midden-Afrika.

Verriest, die Vlaanderen een gezicht wilde geven en al zijn leerlingen die iets goeds hadden gedaan voor de Vlaamse beweging wilde vereeuwigen in zijn Twintig Vlaamsche koppen, maakte wel een heel bijzonder portret van missionaris Vyncke, "zoo sterk en taai, zoo onvermoeibaar, zoo neerstig en bezig, zoo stout en zoo behendig". Hij vergeleek hem met een rat en spreekt van "Ratte Vyncke". Maar dat was positief bedoeld: "Hij kon overal door. Hij wrocht en kapte, knaagde en beet. Hij zou poot en steert in de slag gelaten hebben en met bebloeden kop en muil, en overblijvende poot, triomfant, gehouden en gevoerd hebben wat hij gestolen, geroofd of veroverd had" (Verriest 1901, II: 68).

Ook tijdens het interbellum, waren paters actief in de literatuur (zie verder het werk van missionarissen als L. Bittremieux, A. Declercq, A. de Leest, Jac. Bergeyck, A. Verthé).Pater Ad. Verreet schreef bijvoorbeeld romans, net als pater Alfons Walschap, de broer van de bekende Vlaamse schrijver Gerard Walschap. Pater Walschap concentreerde zich vooral op jeudgboeken. Ook Verreet schreef jeugdboeken met sprekende titels als Peerke Libondo of Bernardje Nboko, waarachter men, op grond van de combinatie van Vlaamse voornaam en Congolese achternaam, zonder moeite zwarte bekeerlingen kan vermoeden.

Verreets roman voor volwassenen Het zwarte leven van Mabumba (1935) is opvallend omdat hierin sprake is van inheemse Congolese hoofdpersonen, wat niet gebruikelijk was in de koloniale literatuur. Vaak werd daarin alleen het leven van de blanke koloniale bevolking gethematiseerd en speelde de inheemse bevolking een rol als exotisch behang. De roman van Verreet is gericht op de missie en aan het eind van de roman zijn de belangrijkste personages bekeerd tot het katholicisme. De roman gaat als volgt. Omdat er geen beschikbare huwbare meisjes zijn in het eigen dorp moet Mabumba met Efonga trouwen, de dochter van het stamhoofd van een vijandige stam, de Gwelu. Er wordt een enorme bruidsschat geëist die voortdurend aangevuld moet worden, anders vertrekt de bruid weer naar haar vader. Het paar krijgt een kind waar Mabumba zielsveel van houdt - ook voor het kind moet overigens weer flink betaald worden - maar Efonga verlaat Mabumba en gaat met een "scheepsboy" in Kinshasa wonen. Mabumba voedt het kind op, neemt geen andere vrouw, maar blijft geloven in Efonga's terugkeer. Als dat eindelijk gebeurt, heeft ze een "schandlijke kwaal" - waarschijnlijk een geslachtsziekte. Ze sterft, maar toch is Mabumba blij. Zijn vrouw is naar hem teruggekeerd. Na haar dood in het missieziekenhuis blijft hun zoon op school bij de paters. Karel Mabumba - hij is gedoopt en heeft nu een nieuwe naam - hertrouwt en beleeft nog een gelukkige oude dag.

Mabumba wordt inlevend en met respect beschreven als een sympathieke man, net als zijn pleegvader, voorheen het stamhoofd. Wel is er in de roman een vertelinstantie actief die de (blanke) lezers over de hoofden van de personages heen af en toe wat bevoogdend informeert over kwesties als: hoe staat het met "de neger" - kent hij bijvoorbeeld het woord liefde wel of niet.

 

Blanke boeien: de kritische missionaris

De tot nu toe genoemde missionarissen waren voorstanders van het koloniale systeem, maar niet altijd speelde de missie zo'n bevestigende rol in de literatuur, zoals in Blanke boeien van J. G. Schoup, uit 1936, een roman die scherpe kritiek bevat op het koloniale beleid. Het zijn crisisjaren in Europa, maar ook in de kolonie, zoals blijkt. De roman beschrijft twee blanken in Congo, de racistische koloniaal Van Dam en de menslievende missiepater Versteeg. Beide figuren hebben tegengestelde opvattingen over het koloniale systeem. Ze leven bij de stam der Bakubas aan de rivier de Sedanga, een van de bijrivieren van de Congo. De recessie laat zich ook hier voelen. Van Dam beheert als laatste blanke een ooit bloeiende onderneming, die niets meer produceert omdat er geen markt meer is. Eigenlijk is de taak van Van Dam alleen deze verlaten onderneming te bewaken. De zwarte arbeiders hebben geen functie meer, ze hangen werkloos rond, zijn arm en lijden honger. De koloniaal wordt beschreven als een grove racist met een drankprobleem. Elke avond is hij zwaar beneveld door de whisky. "Zoodra Van Dam, gauw dronken, want slecht gevoed en door het nietsdoen ondermijnd, de uitwerking van het alcoholgift begon te voelen, werd hij geobsedeerd door één gedachte. De negers, die vuile honden, wilden zich op hem, de eenige blanke, wreken voor alles wat de andere blanken en hijzelf hun aangedaan hadden in den tijd van de exploitatie" (Schoup 1937: 17-18). Hij gebruikt het liefst de zweep om de in zijn ogen luie zwarten te straffen. Dat doet hij ook regelmatig, tot bloedens toe.

In de missiepost bij het dorp is pater Versteeg de belangrijkste figuur. Anders dan Van Dam, voelt de pater juist een grote liefde voor de zwarten, "zijn broeders" (Schoup 1937: 25) "Zijn hart bloedt om hen, zijn vrienden, want hij heeft dit volk lief en ganschelijk begaan met hun lot, peinst hij en zint hij vanwaar de hulp komen zal" (Schoup 1937: 24). Er is in de roman sprake van een simpele zwart-wit tekening. Een schurk en een halve heilige staan tegenover elkaar. Toch is het boek om verschillende redenen interessant. Twee visies worden, onder meer in gesprekken, scherp tegenover elkaar gesteld. En de missie ondersteunt dit keer bepaald niet het koloniale systeem.

In deze setting loopt de verhaaldraad van een dramatisch en wat ingewikkeld liefdesverhaal tussen Lobi, de zwarte boy (knecht) van Van Dam, en Ziza, het mooiste meisje uit het dorp. De liefde loopt op niets uit als gevolg van misdragingen en intriges van Van Dam. Hij ranselt zijn boy zodanig af met de zweep dat een vechtpartij ontstaat waarbij Van Dam bijna het leven laat. Als gevolg daarvan wordt Lobi verbannen uit het dorp. Van Dam eist vervolgens Ziza op als maîtresse. Er dreigen voortdurend opstanden die door het inzicht en de tact van de pater worden gesust. Toch schrijft Van Dam een belastend rapport tegen de geestelijke. Hij schildert hem af als een verrader en tegenwerker van het koloniale systeem. Dankzij de steun van zijn oversten in België wordt pater Versteeg, die van niets weet, op het nippertje niet ontslagen. Om toch met haar geliefde Lobi te kunnen trouwen vergiftigt maîtresse Ziza Van Dam. Dit gebeurt met behulp van kruiden van de dorpstovenaar. De pater hoort via de biecht over de moord, maar zwijgt erover en verleent het meisje absolutie.

Toch neemt het verhaal een negatieve wending. Omdat het jonge paar de dorpstovenaar niet wil betalen bij hun huwelijk, zoals de traditie het wil - ze weigeren dit omdat ze hem zien als een profiteur - neemt de laatste wraak. Hij verklapt de nieuwe blanke ondernemer dat er sprake is van moord. Deze organiseert een rechtszaak, waarbij Ziza wordt veroordeeld tot tien jaar dwangarbeid. Als haar geliefde zich hiertegen verzet, wordt hij door de politie gedood. Er volgt opnieuw een belastend rapport voor pater Versteeg, omdat hij samen zou spannen met de zwarte bevolking en omdat hij de kolonialen ervan beticht de zwarten te bestelen. Versteeg komt dit pas heel laat te weten, wanneer hij aan zijn overste in België om overplaatsing vraagt. Hij is gedesillusioneerd. Het is hem niet gelukt het dorp te bekeren. Integendeel: de meeste mensen zijn weer teruggevallen in hun oude bijgeloof, vooral dankzij de tegenwerking van de blanken. Die maken bovendien door hun weinig voorbeeldige leefwijze een negatieve indruk op de zwarte bevolking: ze bestelen hun zwarte werknemers die niet goed kunnen tellen, ze drinken te veel en ze hebben seksuele relaties met meer vrouwen, wat juist verboden werd door de missie. Versteeg wil het nog een keer proberen, op een plaats waar geen blanken zijn. Hij krijgt toestemming om met zijn twee broeders een nieuwe missiepost op te richten midden in de brousse. Uiteindelijk blijkt de pater vermoord te zijn door zwarten uit Oeganda.

Het verhaal lijkt duidelijk. Ook de "kleuren". De missionaris wordt voorgesteld als een goed mens, die de zwarten als medemensen beschouwt. Ze stelen misschien, maar dat doen de blanken evengoed. De koloniaal wordt voorgesteld als een slecht mens. Hij mishandelt de zwarte met de zweep, hij gebruikt hem of haar alleen als werkkracht of als seksslavin. Tijdens een gesprek met de pater denkt Van Dam: "Goed, de negers worden uitgebuit. Is dat zoo erg? Wat zouden zij wel doen met het geld als zij behoorlijke loonen kregen? Dobbelen en het wegsmijten aan allerlei rommel" (Schoup 1937: 55).

Van Dam ziet de missie als een tegenkracht in het koloniale proces. Doordat de missie de zwarte als mens behandelt, zo luidt zijn redenering, gaat hij zich arrogant gedragen en luistert hij niet meer. En zo is de missie niet meer de steunpilaar van het koloniale systeem, maar juist de bijl aan de wortels van het kolonialisme. Wanneer blank en zwart gelijk zijn, heeft de blanke niet het recht de zwarte uit te buiten en te overheersen. En dat zou eigenlijk al het einde van de koloniale tijd impliceren.

Het is zonneklaar dat deze roman een kritische visie ventileert. Toch kan niet zonder meer van een anti-koloniale roman gesproken worden. De zwarte bevolking wordt uiteindelijk toch gerepresenteerd als "de ander" via zogenoemde "othering strategies" die Maaike Meijer (1996: 158) onderscheidt in het voetspoor van Morisson (1992) en Snead (1986). Samengevat: inheemse mensen worden stereotiep beschreven, ze worden vergeleken met dieren en dingen, hun naaktheid en huidskleur worden veelvuldig gemarkeerd, er is een bevoogdende vertelwijze ten aanzien van inheemse personages, het inheemse leven wordt voorgesteld als een theater van wreedheid en niet-civilisatie en inheemse personages tonen een gebrek aan zelfbegrip en zelfreflectie.

Ondanks het feit dat er in de roman Blanke boeien gelijkheid wordt aangenomen tussen blank en zwart - de sympathie in het boek ligt duidelijk bij de missionaris - worden de zwarten voorgesteld als primitief. Ze hebben een simpel verstand en zijn naïef. De verloofde Ziza is bijvoorbeeld zo onder de indruk van de blanke pater die haar na de moord absolutie heeft verleend, dat ze er ook vanuit gaat dat ze haar moord zonder probleem kan bekennen. Met alle gevolgen van dien. De liefde van de knecht Lobi en zijn verloofde wordt voorgesteld als de zuivere liefde van twee kinderen, nobele wilden. De vertelwijze is bevoogdend. Ook andere uitsluitingsstrategieën worden gebruikt. Zwarten worden vaak als ding beschreven, in eenheid met de natuur. Al in het eerste hoofdstuk wordt de plaats aan de rivier als een lichtplek in de modder beschreven, met daarin het modderende bestaan van de zwarten. Dierlijkheid en wreedheid worden ook vaak gethematiseerd, bijvoorbeeld wanneer een nijlpaard gedood wordt door de dorpsgenoten in een langdurig en wreed gevecht. Wreedheid wordt ook beschreven als Van Dam wordt gemolesteerd door het hele dorp en ook als Lobi in de rechtszaal wordt gedood vanwege zijn protest tegen de gevangenisstraf van zijn geliefde. Deze othering strategies lijken de auteursintentie, die gericht is op een gelijke behandeling van de zwarte, dus tegen te spreken.

Vermeldenswaard is ook dat de roman nog een bijstem laat horen. De heidense toverwereld van de zwarten wordt afgewezen, zowel door de pater als door de bekeerde gelovigen. Maar in de roman worden wel een aantal mythes verteld door de zwarte dorpstovenaar. De aarde is daarin een godin. In de beeldspraak in de roman wordt soms deze richting gevolgd, wanneer de aarde wordt voorgesteld als een lichaam, een kuil beschouwd wordt als een wonde in het lichaam van de aarde. Verschillende stemmen klinken zo door in deze roman.

Ook de idee van degeneratie loopt als een rode draad door de roman. De opvatting dat de (Europese) mens in de tropen degenereerde was een bekende gedachte in die tijd. Degeneratie wordt gesignaleerd bij de blanke die zich elke avond bedrinkt en zich vergrijpt aan de vrouw van de zwarte. Maar degeneratie wordt ook gesignaleerd bij de zwarten, die zich weer verlaten op tovenaars, aan "veelwijverij" gaan doen, dat wil zeggen "primitief" en "dierlijk" blijven. De gedachte wordt verdedigd dat de zwarten gedegenereerd zijn door de blanken omdat ze dezelfde luxe willen hebben als de blanke. Ze hebben tijdelijke rijkdom gekend door te werken op ondernemingen voor de blanken, maar weten daardoor niet meer hoe ze het land moeten bebouwen of de gevaarlijke rivier moeten bevissen. Op het moment dat de blanken geen werk meer hebben voor de zwarten, zijn ze het spoor bijster.

Wie op zoek gaat naar een boodschap in deze roman komt dus voor een veelheid van opinies te staan, waarbij nog steeds geldt dat er kritiek geuit wordt op het koloniale systeem en dat de zwarte bevolking sympathiserend, maar ook neerbuigend wordt beschreven. Daar komt bij dat de roman slecht afloopt, eigenlijk voor alle personages.Van het liefdespaar gaat de man dood, de vrouw gaat de gevangenis in. List en bedrog van blanken en zwarten zorgt voor een slechte afloop. Dankzij de wraak van de tovenaar op het liefdespaar dat hem geen geld wil geven voor het huwelijk zoals de traditie het wil, komt de moord op Van Dam boven tafel met noodlottige gevolgen. Ook met pater Versteeg loopt het uiteindelijk slecht af. Het lukt hem niet zijn dorp te kerstenen, de bevolking valt terug op het oude bijgeloof. En al geeft hij alles aan de zwarte bevolking, uiteindelijk wordt hij - ironisch genoeg - in een ander dorp afgeslacht door de inheemse bevolking in een zinloze moordpartij.

 

Geeraerts: barbaarse missiepraktijken

We maken een sprong in de tijd. De missie speelt als institutie van de katholieke kerk ook een rol in de spraakmakende Gangreen-cyclus vol seks en geweld waarmee Jef Geraerts afscheid neemt van de Belgische koloniale periode in Congo. Met name in Gangreen 1, Black Venus (1968) is de missie op de achtergrond aanwezig als een door de ikfiguur verfoeide moralistische instelling. Een belangrijke rol speelt de missie in deze roman bovendien in verband met de dood van Mbala, de geliefde van de hoofdpersoon, die bestuursambtenaar is. Hij komt in conflict met de katholieke missie in zijn district: deze eist 200 hectare land op, "een concessie", om de koffieplantage uit te breiden. De hoofdpersoon is daarvan een tegenstander. Hij kiest de kant van de lokale clan omdat hij inmiddels ook, naar heersend gebruik, gehuwd is met Mbala. De bisschop gaat hogerop, krijgt gelijk en de hoofdpersoon wordt overgeplaatst. "De bisschop interpelleerde verbaasd de districtscommissaris want het was nog nooit gebeurd dat een concessie aan een katholieke missie geweigerd werd" (Geeraerts 1968: 62).

Als de hoofdpersoon op verlof is in Europa, zet de overste van de missie de lokale bevolking onder druk door een vloek uit te spreken tegen de familie van Mbala. Als er vervolgens dorpelingen sterven, proberen Mbala en haar familieleden hun onschuld te bewijzen door een zogenoemde gifproef. Mbala, de geliefde, en twee van haar familieleden sterven, maar blijken achteraf "onschuldig" (hun alvleesklier is bij sectie donker gekleurd, dat bewijst hun onschuld).

De ikpersoon bereidt na zijn terugkeer uit België een strafzaak voor tegen de overste die zich volgens hem heeft schuldig gemaakt aan "barbaarse praktijken". "Maar een missiepater voor het gerecht dagen was zelfs in 1958 nog totaal ondenkbaar", schrijft de vertelinstantie. En hij gaat verder: de bestuursambtenaar - zijn meerdere bij wie hij de kwestie had aangekaart - "verzekerde me bovendien dat de pater, hoewel schuldig, ongetwijfeld zou worden vrijgesproken met als enige gevolg onberekenbare schade aan mijn carrière, ik vroeg me luidop af of we nog in de Middeleeuwen leefden en hij gaf toe dat de clerus in Congo inderdaad privileges bezat die men wel middeleeuws kon noemen maar dat hij het niet kon helpen en dat we als ambtenaren vooral onpartijdig moesten blijven enzoverder" (Geeraerts 1968: 67). De hoofdpersoon probeert nog een broer van zijn geliefde aan te zetten tot bloedwraak, maar ten slotte weigerde hij. De broer was "doodsbang voor de occulte kracht die in iedere blanke missionaris huist".

 

Lieve Joris, Bart Castelein en David van Reybrouck

Wanneer Lieve Joris in 1985 haar reisverhaal "Terug naar Congo" publiceert, een zoektocht naar haar "heeroom" die missionaris was in Congo, keert de missie op een nieuwe manier terug in de literatuur. Dit keer gaat het om de reconstructie van het verleden. De hoofdpersoon onderneemt de tocht per boot om nostalgische redenen. En ook dan is er een pater aan boord, die in een ander werk van Lieve Joris opnieuw zal optreden. De zoektocht naar het verleden van haar heeroom loopt via een snoer van hedendaagse missionarissen die kleurrijk worden beschreven, al dan niet in de brousse. Dat levert lange baarden op en lange verhalen. Maar uiteindelijk benauwt die katholieke invalshoek de ikpersoon en gaat ze haar eigen weg buiten de katholieke sporen om.

In Le tour du Zaire. Met de fiets door het hart van Afrika van Bart Castelein (2000) keren we opnieuw terug bij de paters. Castelein maakte een tocht van bijna 8000 km per fiets door Congo (toen nog Zaíre), "een zoektocht naar missionarissen" en trok daarbij van missiepost naar missiepos (Castelein 2000: 18). "Het was bijna twee uur toen een mollige zwarte zuster vrolijk op me afstapte [...]. Ze sprak me aan met père en hoewel ik haar onmiddellijk vertelde dat ik een laïc was, een leek, bleef ze bij père zweren. Père Barthelemy. Zomaar, ineens, zonder geloften en door een zwarte zuster eigenhandig (in)gewijd"(Castelein 2000: 17). Hier is het beeld van de paters bepaald niet vijandig. Integendeel.

Het beeld van de missiepater dat bij Joris en Castelein opduikt, keert terug bij Van Reybrouck bij wie deze zoektocht naar de missie in Congo eindigt. Missie is het tot nu toe laatstverschenen Vlaamse literaire werk waarin Congo een centrale rol speelt. Volgens de tekst van de auteur, achterin het theaterboekje, heeft Van Reybrouck ook adressen van paters via het de adresboekjes van Lieve Joris en Bart Castelein gekregen. Zo is er is dus een link tussen de laatste schakels van de Congo-literatuur.

Van Reybroucks hoofdpersoon is niet, zoals bij Lieve Joris, een reëel bestaand familielid dat beschreven wordt. Wel is de auteur aan de Congo verbonden omdat zijn vader, die inmiddels overleden is, er een tijd heeft gewoond. Missie van Van Reybrouck speelt in het hier en nu. De kolonie is ver weg, maar de missie en de missionaris niet, ook niet het postkoloniale verleden. In korte passages worden de oorlogen genoemd die Congo de laatste jaren geteisterd hebben en de leiders die het land bestuurd hebben. Lumumba, Mobutu enzovoort. Ook op hen wordt een visie geprojecteerd. De pater meldt: "Toen ik hier toekwam in '59, met die onlusten, Lumumba, dat was... Ge moogt dat niet luid zeggen, hé, maar dat was een salaud hé, een regelrechte salaud. Hij heeft zoveel kapot gemaakt, hij heeft de zwarten zo opgehitst tegen de blanken. Dat was nergens voor nodig" (Van Reybrouck 2007: 21).

Dit scherpe oordeel over Lumumba, die door velen als een held wordt gezien, valt bijna uit de toon in deze overigens naar harmonie, tolerantie en wederzijds begrip strevende monoloog. De monoloog lijkt enerzijds de onafhankelijkheid van Congo af te keuren, maar anderzijds ook standpunten bij elkaar te willen brengen, die van blank en zwart.

De monoloog belicht wat iemand beweegt om missionaris te worden: hij volgt zijn missie, hij maakt een keuze en moet daarvoor van alles laten liggen. Maar de monoloog levert ook een visie op, zoals gezegd, van de Vlaamse samenleving van nu. De Belgen die vooral druk bezig zijn met de nieuwe "frigo" (ijskast), de verbouwingen van hun huis, en de tegenwoordig populaire jacuzzi's

is dat waar dat ge nu al van die ligbaden hebt met van die broebelingskes, zo van onder? En stortbaden met zes, zeven koppen die naar alle kanten uit spuiten? [...] Allez, de Vlamingen van nu zijn toch niet vuiler dan vijftig jaar geleden toen ze nog op 't veld werkten? Ik durf dat hier niet te vertellen aan mijn mensen. Ziet ge 't al voor u? Een bad met broebelingskes... ze zouden nogal lachen zeker. Tot ik verklap dat het zoveel kost als vijf jaarlonen van hen. (Van Reybrouck 2007: 9)

Missie bevat kritiek op de paus, die tegen condooms is, en voor het celibaat:

Wij zijn allemáál feilbare mensen, hé. Wij religieuzen ook. Bij ons, ge hebt daar van alles bij zitten. Ook alcoholisten, drugsverslaafden, hoerenlopers, pedofielen. Er zijn er altijd die moreel mislopen, vaak is dat erg, soms zeer begrijpelijk. Ik veroordeel niet onmiddellijk [...] Luister, het celibaat is gewoon niet voor Afrika gemaakt, hé, dat ze in Rome zeggen wat ze willen. (Van Reybrouck 2007: 31)

Maar vooral het maken van keuzes en het volgen van een passie komt aan de orde in Missie. Datzelfde keert eigenlijk gek genoeg ook terug in het boek Blanke boeien waarin de missie ook met veel sympathie is beschreven.

 

Tot slot

De missie loopt als een duidelijk spoor door de Vlaamse koloniale literatuur. De missieliteratuur was zeker aan het begin van de koloniale tijd een steunpilaar van het koloniale systeem, geheel conform het bestaande idee. Maar omdat missionarissen de eerste Europeanen waren die rapporteerden over die nieuwe wereld die zij aantroffen in Afrika, leveren zij ook fascinerende verslagen op. Die getuigenissen geven overigens wellicht net zoveel informatie over de "vreemde" mensen die in Afrika blijken te wonen als over de wijze waarop deze Europeanen keken naar die Afrikanen. Daarbij proberen missionarissen soms bestaande vooroordelen over "de negers" te ontzenuwen. In weerwil van het bestaande stereotype blijken missionarissen vaak idealisten. Zoals de figuur van Amaat Vyncke, of de hoofdpersoon van Blanke boeien. Maar het beeld is gemengd. In het werk van Jef Geeraerts staat de missie voor huichelachtig en gewetenloos gemoraliseer en corruptie. De missie is eurocentrisch, gericht op het overbrengen van een nieuwe christelijke godsdienst naar een bevolking die al beschikte over een eigen geloof en eigen tradities. Een bevolking die bepaald niet zit te wachten op een nieuwe godsdienst.

Postkoloniale romans van Lieve Joris bekijken het verleden met meer mildheid dan Geeraerts kan opbrengen. Zijn romans functioneren ook als verwerking van een persoonlijk trauma. Het toneelstuk Missie van Van Reybrouck tracht een beeld te schetsen van de missie dat de gebruikelijke vooroordelen overstijgt. Het theaterstuk geeft heldere, soms politieke incorrecte, oordelen over Congo en over hedendaags België, en een nieuwe persoonlijke ingekleurde betekenis aan de term "missie". De grote lijn die door de verschillende werken heen schemert, is dat de missie met de erkenning van gelijkwaardigheid van alle mensen (wat in sommige gevallen ook gebeurde) de bijl gelegd heeft aan de wortel van het superioriteitsbeginsel dat de kern was van het kolonialisme.

 

Bibliografie

Anckaer, Leopold. 1970. De evangelizatiemetode van de missionarissen van Scheut in Congo: 1888-1907. Brussel: Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen.         [ Links ]

Bel, Jacqueline. 1993. Nederlandse literatuur in het fin de siècle. Amsterdam: Amsterdam University Press.         [ Links ]

______. 2007. Eén koloniaal systeem, twee visies? Notities bij de literatuur van Congo en Nederlands-Indië rond 1900 en 1930. Zacht Lawijd, 6 (2): 4-29.         [ Links ]

Castelein, Bart. 2000. Le Tour du Zaïre. Met de fiets door het hart van Afrika. Leuven: Uitgeverij Van Halewijck.         [ Links ]

Danco, Pieter. 1900a. Onafhankelijk Congoland, door Edmond Denys, leeraar aan 's H. Lodewijks te Brugge, II Deelen. Rousselaere, Jules De Meester. Dietsche Warande en Belfort, 2: 516.         [ Links ]

______. 1900b. Van Antwerpen naar Stanley-Pool, door Pieter De Mey. Turnhout, Joseph Splichal 1899. Dietsche Warande en Belfort, 2: 517.         [ Links ]

Deken, Constant de. 1902. Twee jaren in Congoland. Antwerpen: Thibaut.         [ Links ]

Depaepe, M., F. Debaere en L. van Rompaey 1992. Opvoeding en onderwijs in de katholieke missie in Belgisch Congo 1908-1960, Een overzicht. In BTNG, RBTC, XXII: 3-4; 691-719.         [ Links ]

Garmijn, J. 1904. Veertien jaren in den Congo. Rousselaere: De Meester.         [ Links ]

Geeraerts, Jef. 1968. Gangreen I, Black Venus. Brussel: Manteau.         [ Links ]

Gehrmann, Susanne. 2003. Congo Greuel. Zur literariscken Konfiguration eines kolonialkritischen Diskurses (1890-1910). Hildesheim, Zürich, New York: Georg Olms Verlag.         [ Links ]

Hochschild, Adam. 1998. King Leopold's Ghost: A story of Greed, Terror, and Heroism in Colonial Africa. Boston, NY [etc.]: Houghton Mifflin.         [ Links ]

Huigen, Siegfried. 2006. De weg naar Monomotapa: Nederlandstalige representaties van geografische, historische en sociale werkel3kheden in Zuid-Afrika. Amsterdam: Amsterdam University Press.         [ Links ]

Joris, Lieve. 1987. Terug naar Congo. Amsterdam: Meulenhoff, Leuven: Kritak.         [ Links ]

Meijer, Maaike. 1996. In tekst gevat. Inleiding tot een kritiek van de representatie. Amsterdam: Amsterdam University Press.         [ Links ]

Morisson, Toni. 1992. Playing in the Dark. Whiteness and the Literary Imagination. Cambridge: Harvard University Press        [ Links ]

Reybrouck, David van. 2007. Missie. Brussel: Koninklijke Vlaamse Schouwburg        [ Links ]

Renders, Luc. 2002. Nikkerke en Ikkerke. Nederlandstalig proza over Congo. In Theo D'haen (red.). Europa buitengaats. Amsterdam: Bert Bakker (DBNL).         [ Links ]

Schipper, Mineke, 1983. Afrikaanse letterkunde. Tradities, genres, auteurs en ontwikkelingen in de literatuur van Afrika ten zuiden van de Sahara. Utrecht/Antwerpen: Het spectrum.         [ Links ]

Schoup, J.G. 1937. Blanke Boeien. Velsen: Schuyt.         [ Links ]

Snead, James A. 1986. Figures of Division, William Faulkner's Major Novels. New York N.Y. [etc.] : Methuen.         [ Links ]

Stadsschouwburg. [O]. <http://www.stadsschouwburgvelsen.nl/home.asp> Toegang: 01.04.2008.         [ Links ]

Theater Missie [O]. <http://www.kvs.be/index2.php?page=program & discipline=1 & vs_id=209 & lng=NL> Toegang: 01.04.2008.         [ Links ]

Vermeylen, August. 1896. Vlaamsche en Europeesche Beweeging. Van nu en straks 1896. Tweede Reeks, 20-21.         [ Links ]

Verreet, P. 1935. Het zwarte leven van Mabumba. Leuven: Davidsfonds.         [ Links ]

Verriest, Hugo. 1901. Twintig Vlaamsche koppen. Rousselare: Jules de Meester. 2 dln.         [ Links ]

Vyncke, Amaat 1889. Brieven van eenen Vlaamschen Missionnaris in Midden-Afrika. Rousselare: Jules De Meester.         [ Links ]

Wesseling, H. L.1992. Verdeel en heers. De deling van Afrika 1880-1914. Amsterdam: Bert Bakker.         [ Links ]

______. 2003. De beschavers en de menseneters. Het geweten van het kolonialisme. Vrij Nederland, 13 december.         [ Links ]

 

 

Jacqueline Bel is als universitair hoofddocent moderne Nederlandse letterkunde verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Zij is onder meer gespecialiseerd in Nederlandse en Vlaamse koloniale literatuur. E-mail: jhc.bel@let.vu.nl