SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.61 número1Church and law in the 2015 Church Order of the Dutch Reformed ChurchThe critical Scotism of Henry of Harclay (ca.1270-1317), as deduced from his Quaestiones Ordinaire (1312-1317) índice de autoresíndice de materiabúsqueda de artículos
Home Pagelista alfabética de revistas  

Servicios Personalizados

Articulo

Indicadores

Links relacionados

  • En proceso de indezaciónCitado por Google
  • En proceso de indezaciónSimilares en Google

Compartir


Tydskrif vir Geesteswetenskappe

versión On-line ISSN 2224-7912
versión impresa ISSN 0041-4751

Tydskr. geesteswet. vol.61 no.1 Pretoria mar. 2021

http://dx.doi.org/10.17159/2224-7912/2021/v61n1a15 

RESEARCH AND REVIEW ARTICLES

 

De griffier en de evangelist: Verkennende gedachten over methodologische kruisbestuivingen van recht en Bijbelwetenschap

 

The registrar and the evangelist: Exploratory thoughts on the methodological interaction between the law and Biblical science

 

 

Frank Judo

Onafhanklike navorser, Brussel, België. E-pos: f.judo@liedekerke.com

 

 


OPSOMMING

Aan de hand van een negental voorbeelden wordt in deze bijdrage onderzocht hoe rechtswetenschap en religiewetenschap, en met name Bijbelwetenschap, tot een bredere interactie kunnen komen, zoals reeds het geval is in de sfeer van recht en literatuur. Daarbij wordt in het bijzonder geprobeerd recente en minder recente debatten uit de Bijbelwetenschap in verband te brengen met pijnpunten in de juridische interpretatieleer. Zo wordt onder meer ingegaan op vraagstukken van het auteurschap, de canonisering, de beoogde lezer, achterliggende polemieken en de aanwezigheid van fictionaliteit in juridische teksten. De stelling van de auteur is dat vooral methodologische vragen aanleiding kunnen geven tot een vruchtbare dialoog tussen recht en religie.

Trefwoorden: recht, Bijbelwetenschap, methodologie, hermeneutiek, recht en literatuur, canon, beoogde lezer, oorspronkelijke betekenis, intentional fallacy, algemene rechtsbeginselen


ABSTRACT

Both law and religion (at least in the so-called religions of the Book) are often defined by their handling oftexts, to which a certain authority is attributed. This similarity is the starting point ofthe author's exploration, which attempts to provide a perspective for answering the question of how law and religious science can learn from each other (and in particular the first from the second) on a methodological level. Compared to the field of Law and Literature, the interaction between law and religion appears to be in-depth, but limited to a number of areas. A broader interaction is therefore certainly possible, and probably also desirable.
The analysis is made based on nine examples. First of all, the author examines what it means to attribute authority to a text rather than to one or more persons. In this context there appears to be an important difference between authoritative texts of a religious or legal nature. The latter are at least in principle open to amendment, which is generally not the case for the former. This has consequences for how they are dealt with and how they are interpreted.
The authoritative texts have a special and probably unique position, but this does not alter the fact that they function within a broader framework. Recent evolutions in law have put pressure on the uniqueness of texts, making a more nuanced approach inevitable. The canonisation concept can be a useful tool in this respect.
The question then arises as to the authorship of the authoritative texts. Neither in the religious nor in the legal context is the answer to this question self-evident. However, the question is relevant because it gives an indication of the way in which the texts were written, especially if the author S intentions are given a special status in the interpretation of the text. Nevertheless, this concept is more problematic than is usually recognised when interpreting legal texts. If one ignores the conflicting and often polemical context in which texts have been drafted, this is even more the case. Here, too, experiences with the interpretation of Bible texts can provide relevant examples for lawyers.
Texts, however, do not only have authors, but also readers, who are a necessary condition for interpretation. Authoritative texts generally have temporal ambitions that transcend the contemporaries of the "authors". This temporal dimension also has consequences for the interpretation of texts, especially when a text is in fact a patchwork of sections of text, which are not necessarily written at the same time and in the same context.
A possible objection to an excessive interaction between legal and religious thinking could be to emphasise the other goals of both genres of text. This remark is pertinent, but should not be exaggerated either. Just as religious texts pursue not only orthodoxy but also orthopraxy, the traditional view that legal texts only aim to regulate behaviour, and not opinions or views, is probably too sharply formulated. The tension between conviction and practice occurs in both areas, although not necessarily in the same form.
Finally, we will briefly discuss the possibility of distinguishing rhetorical and literary forms and techniques in legal texts.
This leads to the conclusion that lawyers have a lot to gain from having their dealings with the authoritative texts of their science enriched by taking note of the methodological discussions that have taken place within the framework of biblical science. This need not to affect the autonomy of legal science neither does it replace the familiar hermeneutical insights, but it makes it possible to detect blind spots in one's own handling of texts and to explore new traces of interpretation.

Keywords: law, Biblical science, methodology, hermeneutics, law and literature, canon, intended reader, original meaning, intentional fallacy, general principles of law


 

 

***

Dit artikel is ontstaan uit een seconde van verbazing en een kwarteeuw reflectie daarop - en misschien is dat achteraf bekeken zonde van de tijd geweest. Als student in de rechten en de wijsbegeerte raakte ik aan de praat met een van de bollebozen van onze rechtenopleiding, die eerlijk en bescheiden erkende niet veel te kunnen aanvangen met de filosofische auteurs die (toen nog) een belangrijk deel uitmaakten van de beginjaren van de juridische studie. In haar enigszins rechtspositivistisch ingestelde denkwereld waren Nietzsche, Heidegger en Spinoza niet echt inpasbaar. Op dat anathema bestond echter één uitzondering, en dat was niet meteen de naam die velen zouden verwachten: Thomas van Aquino. Diens strenge redeneertrant en weinig tegenspraak duldende conclusies vonden wel genade.

Hoe anekdotisch ook, de verzoenbaarheid van recht en scholastiek bleef me intrigeren. Toen ik nadien de exploratie van het recht voortzette in de opleiding katholiek kerkrecht, leerde ik ook de keerzijde van dit verhaal kennen, namelijk de tendens om rechtsnormen te interpreteren en zelfs ter zijde te schuiven onder verwijzing naar Bijbelse teksten en hun pastorale consequenties (daarover Burke 1996). Die tendens is in het katholieke kerkrecht bijzonder succesvol gebleken (Judo 2010), wat doet vermoeden dat zij een vruchtbare voedingsbodem kende in een kerkrechtelijk en dus juridisch geschoolde omgeving.

In wat volgt doe ik een eerste poging om deze momenten van verbazing te thematiseren en op zoek te gaan naar mogelijkheden voor methodologische kruisbestuiving van recht en theologie, meer specifiek Bijbelwetenschap. Voor zover ik kon nagaan, is het methodologische domein immers een terra incognita in de voor het overige vrij bloeiende interactie tussen recht en religie. Met name vanuit grondrechtelijk perspectief kan het religieuze feit zich in toegenomen belangstelling van juristen verheugen. Hier en daar, vooral dan vanuit rechtshistorische hoek, wordt ook aandacht besteed aan de religieuze wortels van juridische regels en concepten. Toch heeft het studiegebied recht en religie (of als u dat liever hoort, Law and Religion) tot nader order een minder veelzijdige ontwikkeling gekend dan bijvoorbeeld een studiegebied als recht en literatuur.

Terecht wijst Verheye (2020:25) erop dat laatstgenoemde stroming ontstaan is uit het besef dat rechtswetenschap en literatuurwetenschap allebei geesteswetenschappen zijn en het recht bijgevolg niet uitsluitend sociaalwetenschappelijk mag worden of hoeft te worden benaderd. Een soortgelijke redenering kan perfect gevolgd worden ten aanzien van de juridische en theologische wetenschappen, met dien verstande dat de gelijkwaardigheid van de sociaalwetenschappelijke en de geesteswetenschappelijke benadering daar misschien nog meer in de rede ligt.

In een volgende stap kan dan een onderscheid worden gemaakt tussen recht in literatuur (Law in Literature) en recht als literatuur (Law as Literature), een summa divisio die met name in de Angelsaksische literatuur over het onderwerp klassiek is geworden (Verheye 2020:26). Opmerkelijk is dat het derde deel, namelijk literatuur in het recht (Literature in Law), enigszins onder de radar blijft, terwijl dit onderdeel van het brede studiedomein precies gericht is op de manier waarop het recht omgaat met voor de beoefenaars van de literatuur relevante themata als vrijheid van meningsuiting, bescherming van auteursrechten en dergelijke (Verheye 2020:26). Laat dit nu precies het subdomein zijn waarop de studie van recht en religie het meest ontwikkeld lijkt te zijn: de religie in het recht wordt duidelijk vaker bestudeerd dan het recht in de religie, laat staan het recht als religie, zoals reeds een oppervlakkige blik op klassieke werken over recht en religie duidelijk maakt (bij wijze van voorbeeld Cane, Evans en Robinson: 2008 - al zijn er natuurlijk tegenvoorbeelden, zoals Witte en Alexander 2008).

In wat volgt proberen we een aantal vingerwijzingen te geven voor een verbreding van het onderzoek naar de verhouding tussen recht en religie, toegespitst op het vraagstuk van de methodologie. De manier waarop we dat zullen doen, verraadt meteen onze achtergrond, zodat het noch van grote moed, noch van indiscretie getuigt om daaromtrent transparant te zijn. Schrijver dezes is een jurist, die weliswaar ook een achtergrond heeft in de geschiedenis en de filosofie, maar theologisch en godsdienstwetenschappelijk geen aanspraak maakt op een wetenschappelijke vorming die het niveau van het amateurisme overstijgt. Religieus gezien is zijn achtergrond Rooms-katholiek en als jurist functioneert hij in een continentaal Europees rechtsstelsel. Vanzelfsprekend hebben deze elementen consequenties voor de keuzes van de voorbeelden die hierna zullen volgen, en ongetwijfeld ook voor de ruimere aanpak van de thematiek. Als iemand zich geroepen voelt om een soortgelijke oefening te maken vanuit een andere juridische of religieuze achtergrond, is het gesprek over het thema gestart en heeft deze bijdrage haar doel bereikt.

 

1. TEKST(EN) MET GEZAG

Het gaat allicht wat te kort door de bocht om het christendom in al zijn varianten te omschrijven als een "godsdienst van het Boek" (zie Lauster 2014:187), maar dat het een godsdienst met een Boek is, valt onmogelijk te ontkennen. Aan dat Boek komt daarenboven een specifieke vorm van gezag toe. Over de omvang van dat gezag kan meningsverschil bestaan. Op het al dan niet unieke karakter ervan komen we later nog terug, maar of men de Bijbel nu als richtsnoer dan wel als directe bron van autoriteit beschouwt (daarover Fieret 1990:68), in de hiërarchie van gezag bekleedt hij voor de christen een bijzondere plaats.

In de sfeer van het recht is dat niet anders. John Adams' welsprekende omschrijving van de rechtsstaat als "a Government of Law, not of Men" geeft aan dat aan het recht weliswaar gezag wordt toegekend, maar dat dat niet persoonsgebonden is. In tegenstelling tot klassiekere benaderingen, waarin het vermogen om gezaghebbend te zijn, precies verbonden wordt met de uitmuntende persoonlijke eigenschappen van deze of gene ("magister dixit"), leidt deze gedesincarneerde benadering ertoe dat de drager van het gezag een verzameling van (al dan niet neergeschreven) woorden is - een situatie die niet zonder gelijkenis is met die van de Bijbelteksten.

Vanzelfsprekend rijst dan de vraag wat dat gezag precies inhoudt, zeker in tijden waarin deze term onder vuur is komen te liggen (daarover Claes 1992). Zonder dit debat te willen uitputten, is het duidelijk dat gezag moet worden onderscheiden van loutere machtsuitoefening, en dus niet verzoenbaar is met systematische afdwinging door geweld (Ferry 2008:20). Anderzijds onderscheidt gezag zich ook van invloed, in de mate dat er toch enige vorm van afdwingbaarheid mee verbonden is (Willmann 2008:188). In die zin bestaat er een nauwe band tussen het gezagsbegrip en het concept legitimiteit. Ze worden allebei erkend, veeleer dan opgelegd.

De verbinding van gezag en legitimiteit met een tekst in plaats van met een persoon heeft zowel voor de democratische rechtsstaat als voor het christelijke geloof een aantrekkelijke kant. In beide gevallen is de ultieme bron van het gezag - God respectievelijk de soevereine natie - niet bereikbaar voor onmiddellijke raadpleging, zodat het al dan niet ongemerkt transfereren van het gezag van de originele bron van gezag naar een secundaire en tekstuele bron de daaruit volgende moeilijkheden kan ondervangen.

Het ontbreken van een P/persoon die consubstantieel is met het gezag (Lefort 1990:20) levert echter ook moeilijkheden op. Terwijl een persoon een en ondeelbaar is, is een gemeenschap dat niet en een tekst evenmin. De vraag rijst dus waarin het gezag berust van een geheel van teksten - of die nu van religieuze of van juridische aard zijn. Dat is allicht niet of minder het geval voor de letters die de indeling van Jeremia's klaagzangen weergeven, noch voor de stereotiepe bepalingen die de uitvoerende macht opdragen de nodige maatregelen te treffen voor de implementatie van een wet. Tot zover geen probleem, maar als deze grens eens overschreden is, volgen de vragen elkaar op: zijn sommige teksten meer gezaghebbend dan andere? Hoe zit het met de verhouding tussen het Oude en het Nieuwe Testament? En tussen de Grondwet en de gewone wet? Daarbij klinkt het aantrekkelijk om die vragen te omzeilen door aan het gehele tekstcorpus het houderschap van het gezag toe te schrijven, maar de keuze van het werkwoord omzeilen in het vorige zinsdeel was daarbij allesbehalve toevallig.

 

2. (ON)VERVANGBARE TEKSTEN

Meteen rijst de vraag naar de omvang van dat gehele tekstcorpus - en precies op dat vlak is er een significant verschil tussen Bijbelse en juridische teksten. Terwijl het proces van canonisering van de Bijbelteksten grosso modo werd afgerond in de vierde eeuw, zonder verder ernstig in het gedrang te worden gebracht, eindigt het canoniseringsproces van het juridische tekstcorpus nooit. Of anders omschreven: terwijl de omgang met gezaghebbende religieuze teksten impliceert dat die teksten niet vatbaar zijn voor wijziging, berust een deel van het gezag van de juridische teksten precies in hun potentiële en vaak ook effectieve wijziging. Daarnaast blijven de bestaande teksten vanzelfsprekend het voorwerp van interpretatie zoals dat ook het geval is voor de gecanoniseerde Bijbelteksten.

Sterker nog, waar vanouds, maar ook nu nog, de ouderdom en stabiliteit van een religieuze tekst geldt als een oormerk voor zijn gezag (McKenzie & Haynes 1993:123), lijkt ten aanzien van een juridische tekst het omgekeerde te gelden. Dat een wettekst allang niet meer werd aangepast, is vaak een effectief argument om dat spoedig wel te doen. De meest verregaande uiting van die logica is het inbouwen van specifieke of veralgemeende sunset provisions, die er precies op gericht zijn te vermijden dat wetgeving blijft bestaan zonder een bewuste bevestiging van hun voortbestaan door de wetgever zelf (daarover Kouroutakis 2018).

Onvermijdelijk heeft de mogelijkheid aan de tekst zelf te sleutelen, ook gevolgen voor de omgang met de ongewijzigde tekst. Ik zie er alvast twee.

Allereerst is deze mogelijkheid paradoxaal genoeg niet bevorderlijk voor de juridische creativiteit. Als een tekst onaantastbaar is, moet de lezer c.q. gebruiker ermee vooruit; er is gewoonweg geen alternatief. De moeilijkheden die rijzen, moeten dus door middel van interpretatie opgelost of minstens beheerst worden. Staat de wijzigingsmogelijkheid wel open, dan zal men sneller aanvaarden dat de grenzen van de interpretatie bereikt zijn en dat er geen andere mogelijkheid is dan de tekst aan te passen.

Logischerwijze - en dat is dan een tweede gevolg - impliceert dat dat de afstand tussen tekst en interpretatie kleiner wordt. De interpretatie kleeft als het ware aan de tekst, en de ultieme interpretator van de wettekst is zijn auteur, de wetgever (ook al bestaat de concrete wetgever op het moment van de interpretatie uit volkomen andere mensen dan het geval was op het ogenblik van de oorspronkelijke redactie van de tekst). De rechtsspreuk "eius est interpretari cuius est condere", afkomstig uit de Codex Iustiniani (C.J. 1, 14, 12, 3) balt deze verregaande nabijheid van tekst en interpretatie gevat samen.

Een en ander impliceert dat een fundamentele wijziging van de interpretatie van een juridische tekst logischerwijze ook de wijziging van de tekst zelf vereist, met alle procedurele voorwaarden die daarmee gepaard gaan. De draagwijdte van het begrip fundamenteel is daarbij vanzelfsprekend cruciaal. Zonder dat criterium zou elke evolutieve interpretatie bij voorbaat worden uitgesloten en zou verstening van de juridische tekst dreigen. Het alternatief zet echter de deur open voor het overboord gooien van de genoemde procedurele voorwaarden, die ook waarborgen zijn voor de burger.

 

3. SOLA SCRIPTURA VERSUS CANONISERING

Ook in een Rooms-katholieke traditie, waarin de Schrift en de Traditie onverbrekelijk verbonden zijn (of in de woorden van het Concilie van Trente: "in libris scriptis et sine scripto traditionibus"), kennen de Bijbelboeken een gezag dat minstens aan geen enkele andere geschreven tekst toekomt. In de gereformeerde traditie is dat, in het spoor van Luthers sola scriptura, ongetwijfeld nog meer het geval.

Toch is het corpus van religieuze teksten niet beperkt tot de canonieke Bijbelboeken - zo niet zou het concept canoniciteit trouwens zinloos zijn. En al evenmin staat de wet alleen, zelfs niet in een continentaal rechtsstelsel, ook al staat zij aan de top van de piramide van de rechtsbronnen.

Als er echter één klassieke en geruststellende, maar ook misleidende metafoor bestaat, zal het wel die van de piramide van de rechtsbronnen zijn. Ze probeert uniciteit en pluraliteit te verzoenen, maar doet dat op een wijze die uiteindelijk weinig van die pluraliteit overlaat. Dat maakt de teleurstelling des te groter, wanneer blijkt dat de praktijk van het recht minder eenduidig is dan de piramidemetafoor wel doet vermoeden.

Een en ander is de jongste decennia nog in een stroomversnelling geraakt. Enerzijds heeft de globalisering haar juridische vertaling gekregen in vormen van multi level governance, die aanleiding geven tot een juridisch instrumentarium dat zich niet zonder meer in het keurslijf van de piramidale benadering laat dwingen. Ook wanneer het uitgangspunt van de voorrang van de Europese rechtsorde op de nationale rechtsordes wordt aanvaard (wat in een aantal lidstaten van de Europese Unie overigens niet voetstoots het geval is), noopt het onderscheid tussen verdragen, verordeningen en richtlijnen de Europese jurist tot een genuanceerde omgang met dit principe, en zal een ad-hoctoepassing ervan onvermijdelijk zijn.

Daarnaast is er de antipositivistische tendens, die opgeld doet sinds de excessen van het totalitarisme in Europa worden geassocieerd met het gezegde Befehl ist Befehl (kritisch daarover Ruthers 2012). Als positief gevolg van die tendens is er meer aandacht ontstaan voor het recht achter de wet. Dat komt met name aan het licht door de toegenomen erkenning van algemene rechtsbeginselen door vooral de jurisprudentie en de doctrine, en ook door de wetgever zelf.

Laatstgenoemde doet aldus impliciet doch duidelijk afstand van zijn eigen uniciteitsaan-spraken. Niet enkel de constitutie - uiteindelijk een specifieke vorm van wetgeving - maar ook internationaal recht en algemene rechtsbeginselen beperken de actieradius van de wetgever, en wel op een manier die niet zinvol kan worden ingepast in het piramidale model.

Terwijl echter het internationale recht (althans voor zover dat zelf geschreven recht is en geen volkenrechtelijke beginselen betreft) nog vatbaar is voor inventarisatie, ligt dat moeilijker voor het meer fluïde domein van de algemene rechtsbeginselen. Niet alleen komen die aan het licht in andere rechtsbronnen (met name rechtspraak), maar daarenboven is hun formulering vaak niet precies vastgelegd. Verder kan er discussie bestaan over hun onderlinge verhouding en over hun verhouding met andere rechtsbronnen. Sommige beginselen kunnen terzijde worden geschoven door de wetgever, andere enkel door de grondwetgever en nog andere in het geheel niet.

Het komt me voor dat in die context het concept van de canon de juristen nuttige diensten kan bewijzen. Dat impliceert immers per definitie een vorm van pluraliteit, naast een vorm van hiërarchie (Lauster 2014:191). De christelijke geloofsgemeenschap heeft twee millennia kunnen functioneren op basis van vier Evangeliën die naast elkaar bestonden en elkaar soms tegenspraken maar vaker elkaar versterkten. Het naast elkaar functioneren van vier grondwetten is een situatie die moeilijk vatbaar is voor een juridisch gevormde geest, maar de veelheid van rechtsbeginselen roept duidelijk meer gelijkenis op met deze milde vorm van geordende chaos. Het kan voor juristen dan ook een geruststellende gedachte zijn dat een dergelijke werkwijze op langere termijn kan worden beoefend zonder de chaos de overhand te laten nemen over de orde.

 

4. OVER DE AUTEUR(S)

Al in het oude Rome bestond de gewoonte een wet te vernoemen naar degene die het initiatief ertoe nam: de lex Valeria, lex Calpurnia of de lex Aelia. Allemaal danken ze hun naam aan een individu. Strikt genomen is dat een ongerijmdheid, althans in een staatsregeling waarin de wetgevende macht niet berust bij een enkele persoon. Hoe kan een wet toegeschreven worden aan een individu, als minstens een meerderheid van de parlementsleden ze dient te ondersteunen, opdat ze in de volle zin van het woord wet kan worden? Aan het wetgevend proces nemen zoveel meer mensen deel dan de enkele initiatiefnemer. Elke wet zou dus met recht lex parlamentae moeten heten - maar de romantische visie op het auteurschap speelt ons parten als we consequent willen zijn. Ergens moet er een bedenker zijn, die een schitterende inval had (vergelijk McKenzie en Haynes 1993:30).

Deze situatie is niet onbekend in het kader van de Bijbelstudie. Eeuwenlang werd Mozes beschouwd als een auteur van de Pentateuch - en dat nog lang voor er sprake was van een romantische auteursgedachte. Sinds het einde van de negentiende eeuw is in het kader van de zogenaamde Wellhausen-hypothese de aandacht gegroeid voor de veelvuldigheid van het auteurschap van deze en andere Bijbelboeken. Klassiek onderscheidt men nu een Jahwist, een Elohist, een Deuteronomist, een auteur van de Priestercodex en een Redacteur bij de totstandkoming van de Pentateuch.

Of er nu drie, vier, vijf of meer auteurs betrokken waren bij het ontstaan van deze Bijbelboeken, is niet de kern van de vraag, wel hoe een meervoudig auteurschap geplaatst moet worden. Men zou kunnen tegenwerpen dat er toch een fundamenteel verschil bestaat tussen een wet die gedurende enkele weken of maanden wordt besproken in een wetgevend orgaan en een Bijbelboek dat eeuwenlang groeit naar zijn canonieke vorm. En die bedenking is zeker relevant. Toch betwijfel ik of dit onderscheid dermate bepalend is. Het is dat zeker niet bij juridische teksten die in de loop der jaren gewijzigd of geactualiseerd worden, waardoor het meervoudige auteurschap nog aan belang wint. Ook op dit vlak kunnen de juristen dan ook leren van de Bijbelwetenschappers, door alerter te zijn voor dit fenomeen.

Maar is deze of gene wel de auteur van de Bijbel of de wet? Is eerstgenoemd document niet het Woord van God en het tweede de wil van het soevereine volk?

De omschrijving van de Bijbel als Woord van God heeft in de loop der eeuwen aanleiding gegeven tot heftige debatten, inclusief pittige, maar niet altijd even hoogstaande discussies over vermeende en echte inconsistenties in de Bijbelteksten. Het is hier niet de plaats om deze geschiedenis te schrijven.Allicht is het evenmin nodig om die te schrijven. Wel ontstaat ook hier ruimte voor vergelijking met de wettekst, die ook geacht wordt uit te gaan van een bijzonder gezaghebbende instantie, die echter evenmin gevrijwaard is voor contradicties en inconsistenties van allerlei slag. Dat dit minder afbreuk heeft gedaan aan het gezag van tekst en instantie dan het geval was met de Bijbelkritiek, houdt allicht mede verband met de mogelijkheid voor de wetgever om gezaghebbende teksten te wijzigen of te verbeteren, en met het comfort dat die mogelijkheid biedt.

 

5. DE IRENISTISCHE VERLEIDING

Nauw verbonden met de vraag naar het auteurschap is die naar de intentie van de auteur. De klassieke handboeken van de juridische wetenschap geven bijzonder veel gewicht aan het concept van de wil van de wetgever (voor een kenmerkend voorbeeld Kloosterhuis 2018: 218). Het blijft verbazen hoe weinig dit concept geproblematiseerd wordt en in de regel hoogstens wordt erkend dat het niet vanzelfsprekend is die wil te bepalen, zonder dat het ertoe leidt dat de vraag wordt gesteld of die wil überhaupt wel bestaat. Dan is de luciditeit waarmee de Bijbelwetenschap omgaat met de intentional fallacy (McKenzie & Haynes 1993:3, 97) verfrissend te noemen - en dit is niet het enige voorbeeld hiervan.

In een pluralistische samenleving geldt die vaststelling zo mogelijk nog meer. Het besef dat politieke en dus wetgevende meningsvorming het gevolg is van compromisvorming (tussen coalitiepartijen of tussen stromingen en belangengroepen in een meerderheidspartij), draagt er niet toe bij dat de gedachte aan een unieke en coherente wil van de wetgever ondermijnd zou worden. Sterker nog, er kan een even onmiskenbare als onderhuidse spanning worden vastgesteld tussen de lezing van het politieke bedrijf als op de spits gedreven conflict in verkiezingstijd en een irenistische, naïef-Roussauïstische lezing van datzelfde politieke bedrijf in zijn modus als wetgever, waar het eindresultaat nog (al te) gemakkelijk wordt begrepen als een product van de volonte générale.

Opnieuw komt er hulp uit de onverwachte hoek van de Bijbelwetenschap. In een even fascinerend als weerbarstig artikel heeft de onlangs overleden Duitse Bijbelwetenschapper Klaus Berger (Berger 1980) de aandacht gevestigd op de polemische grondlaag in een aantal Nieuwtestamentische teksten. Hij omschrijft de heterodoxe of andersluidende standpunten waartegen de canonieke tekst zich wil afzetten als de "nicht erhaltene Hälfte der Kommunikation", en vervolgt: "Ein Text wird nur verständlich vor dem Hintergrund von Aussagen, gegen die er unmittelbar polemisiert". (Berger 1980:377-378)

Dat perspectief kan ook bij de analyse van juridische teksten meerwaarde bieden. Valt de wil van de wetgever (met alle bedenkingen die men bij dat concept kan en moet hebben) wel te begrijpen als die wil enkel positief geduid wordt? Kan een bereikt evenwicht correct worden ingeschat als enkel de positieve bijdragen en niet de negatieve tegenkrachten of afschrikwekkende tegenvoorbeelden in rekening worden gebracht? De vraag stellen is ze beantwoorden.

 

6. DE AL DAN NIET BEOOGDE LEZER

Als vorm van communicatie bestaan teksten bij gratie van de spanning tussen twee polen, de zender en de ontvanger. Zowel in de omgang met religieuze als in de omgang met juridische teksten heeft lang de neiging bestaan om de zender centraal te stellen en de tekst bijgevolg als een gegeven te beschouwen (McKenzie & Haynes 1993:214). Recenter is echter de aandacht toegenomen voor het samenspel tussen de zender/schrijver en de ontvanger/lezer, en wordt het ontstaan van betekenis veeleer gesitueerd in een proces van interactie tussen beide. Dat ligt zo mogelijk nog meer in de rede bij religieuze en juridische teksten dan bij andere geschriften (bijvoorbeeld egodocumenten), omdat eerstgenoemde categorieën uit hun aard gemeenschapsgericht zijn en beogen een lezer te bereiken.

Het concept van de beoogde lezer (Talstra 2002:173) is zeker zinvol, maar daarom niet onproblematisch. Het wekt de indruk dat de auteur in staat is een beeld te vormen van zijn publiek en daarmee rekening kan houden. Hoewel Paulus zich allicht iets kon indenken bij de groep van christenen in Korinthe tot wie hij zijn brieven richtte, en hetzelfde gold voor de baronnen die Jan zonder Land dwongen tot het verlenen van de Magna Charta, lijkt het allicht wat overtrokken om hetzelfde te veronderstellen ten aanzien van Paulus' hedendaagse lezers over de hele wereld, of van al degenen die zich vandaag kunnen beroepen op de garanties van de Magna Charta. Sterker nog, je kan je afvragen of het op schrift stellen van gezaghebbende teksten niet per definitie wijst op de ambitie verder te reiken dan de tijdgenoten of directe getuigen van een religieus of juridisch relevant feit (Lauster 2014:187).

Hetzelfde geldt in de juridische sfeer voor de original-meaning-benadering, die de betekenis van een wettekst beoordeelt in het licht van wat een redelijk persoon ten tijde van het ontstaan van de wet zou hebben begrepen onder de inhoud ervan (Scalia 1989). Ongetwijfeld is deze werkwijze een reuzenstap vooruit in vergelijking met de al te eenzijdige nadruk op de wil van de wetgever (zoals in de original-intent-benadering). Ze onderschat echter de transtemporele ambitie van het gros van het wetgevend werk, zodat zelfs de redelijke tijdgenoot slechts een deel uitmaakt van het beoogde lezerschap van een wetgevende norm.

Het is maar de vraag of deze spanning oplosbaar is. Positief beschouwd voegt de original-meaning-benadering echter een dimensie toe aan de problematiek die we hierboven (sub 2) behandelden over de vernauwde ruimte tussen tekst en interpretatie in een juridische context. De meerwaarde van de original-meaning-benadering is dat ze een criterium aanreikt om uit te maken wat een fundamenteel gewijzigde interpretatie dan wel zou kunnen zijn, en dat ze dat doet aan de hand van een criterium dat niet afhankelijk is van het onbevredigende criterium van de wil van de wetgever.

Aldus omschrijft en beperkt ze dus logischerwijze ook de spankracht van de juridische tekst door aan te duiden wanneer het niet langer te verantwoorden valt eenzelfde tekst verschuivende betekenissen te laten dragen. Misschien enigszins paradoxaal wordt op die manier ook de geloofwaardigheid en dus het gezag van de tekst geborgd - wat kan immers de overtuigingskracht zijn van een tekst die zowel in de ene zin als in diametraal tegengestelde richting kan worden geïnterpreteerd? (zie McKenzie & Haynes 1993:162).

 

7. ORTHOPRAXIE? ORTHODOXIE?

Een mogelijk bezwaar tegen een methodologische interactie van recht en Bijbelstudie zou kunnen bestaan in de stelling dat het gezag dat beide tekstvormen beogen uit te oefenen, van een al te onderscheiden aard is. Kort gezegd zouden religieuze teksten gericht zijn op het bewerken of bevestigen van een innerlijke overtuiging, terwijl juridische teksten uitsluitend extern gedrag zouden willen regelen. De religieuze tekst zou orthodoxie nastreven, de juridische orthopraxie.

Zoals nogal wat binaire posities ontbeert het ook deze benadering aan nuance. Alleen al het gegeven dat de term orthopraxie in een religieuze context is ontstaan, maakt een al te scherpe tegenstelling tussen beide onwenselijk (zie ook McKenzie & Haynes 1993:76).

Terwijl dit besef in religieuze kringen vrij diep is doorgedrongen, overheerst in de juridische sfeer nog steeds de gedachte dat het recht geen overtuigingen, maar gedrag regelt en bijgevolg enkel relevant is voor het forum externum, met uitsluiting van het forum internum (De Corte & De Groote 2014:11). Zo bekeken is een rechtsregel een conventie, die moet worden nageleefd om het samenleven te vergemakkelijken, maar daarom geen inhoudelijke, laat staan morele meerwaarde hoeft te hebben en principieel kan worden ingeruild voor een andere, zelfs tegengestelde conventie.

De debatten die wereldwijd worden gevoerd over de juridische strijd tegen discriminatie en haatspraak bieden ons een uitgelezen gelegenheid om deze traditionele benadering aan herziening te onderwerpen. Nog los van de vraag of dat logisch consistent zou zijn, blijkt voldoende uit de debatten dat ook de wetgever er niet in slaagt om een strikt onderscheid te maken tussen het verbieden van kwetsend geachte meningsuitingen en het intrinsiek afkeuren van de inhoud van die uitingen. Met de door de wetgever traditioneel beoogde orthopraxie gaat dus ook een lading aan orthodoxie gepaard.

Een nieuw fenomeen is dat overigens niet. Het oude recht kende en soms kent het nieuwe recht nog steeds strafbepalingen tegen godslastering of majesteitsschennis. Dat die niet enkel gericht waren op het behouden van de maatschappelijke rust, maar ook een inhoudelijk waardeoordeel impliceerden of impliceren, kan moeilijk ontkend worden (De Roo 1970:2344). Dat op die manier een spanning ontstaat met de gedachte van een neutrale overheid, is onvermijdelijk, maar houdt allicht meer verband met een overspannen verwachting van de neutraliteitsmogelijkheden van die overheid dan met iets anders. Zelfs in de meest perfecte democratische rechtsstaat kan het recht niet dermate waardenvrij zijn dat het geurloos, kleurloos en smaakloos wordt.

De gedachte dat orthodoxie en orthopraxie een onderlinge relatie hebben, kan dan ook zinvol zijn voor een verheldering van onze omgang met juridische teksten. De ogenschijnlijke tegenstelling tussen de actieradius van juridische en religieuze teksten blijkt dus bij nader toezien veeleer een bijkomende gelegenheid voor dialoog te creëren.

 

8. FICTIONALITEIT EN HISTORICITEIT

Dat een Bijbeltekst historisch en literair gesitueerd is, lijkt wel het intrappen van een open deur. Als het overjuridische teksten en met name wetteksten gaat, is die wijsheid echter minder vanzelfsprekend. Zeker, het mag als bekend gelden dat elke wet in een bepaalde historische context tot stand is gekomen, maar juristen kijken al te weinig naar die context op basis van niet-juridische bronnen. Ongetwijfeld is de verslaggeving van de parlementaire debatten een interessante bron van informatie, maar personderzoek kan dat minstens in gelijke mate zijn. De impliciete veronderstelling dat alle relevante uitspraken gedaan worden in het parlementaire halfrond mag doctrinair aantrekkelijk klinken, maar heeft een lage feitelijke waarschijnlijkheidsgraad. Dat geldt des te meer omdat parlementair taalgebruik, en juridisch taalgebruik in het algemeen, niet neutraal is, maar retorisch gericht is op het verwezenlijken van bepaalde doelstellingen (daarover onder meer Vannier 2001:101). Dat bepaalde dingen ongezegd blijven, kan dus evenzeer wijzen op hun relevantie als op hun irrelevantie.

De historische dimensie treedt nog pertinenter naar voren bij juridische teksten die wijzigingen hebben ondergaan. De gewoonte wetten aan te duiden door verwijzing naar hun oorspronkelijke datum ligt aan de basis van een wijdverbreide optische illusie, namelijk dat die wet in haar geheel zou bestaan sinds die datum. Zo is het in het Belgische maatschappelijke debat niet ongebruikelijk het onaangepaste karakter van het wetboek dat de strafprocedure regelt, te "bewijzen" door te verwijzen naar de datum van de wet, namelijk 19 november 1808. Als iemand echter de moeite zou nemen om na te gaan hoeveel bepalingen nog dezelfde zijn als in Napoleons tijd, zou dat ongetwijfeld een verrassend laag percentage opleveren (vergelijk Heirbaut en Baeteman 2004 met betrekking tot het Burgerlijk Wetboek).

Deze op zich vrij banale vaststelling opent de deur naar een volgende bedenking. Juristen zijn al te zeer geneigd teksten als een eenheid te beschouwen en hun gelaagdheid te verwaarlozen. Dat is begrijpelijk, omdat dat nou eenmaal de intentie van de teksten is, namelijk dat ze functioneren als een geheel. Dat intentie en werkelijkheid niet altijd naadloos samenlopen, is echter een basisbeginsel van elke vorm van interpretatie en hermeneutiek.

De gelaagdheid van teksten en het gegeven dat delen van eenzelfde tekst, eenzelfde paragraaf, eenzelfde zin in historisch en taalkundig uiteenlopende omstandigheden tot stand zijn gekomen, is voor Bijbelwetenschappers een vanzelfsprekendheid (vergelijk Talstra 2002:38 en 101). Voor juristen ligt dat anders, wat opnieuw extra mogelijkheden biedt tot verrijking en verfijning van het juridische analyse-instrumentarium.

Een aanverwante bedenking kan worden gemaakt ten aanzien van de aanwezigheid van literaire genres in een tekst. Het associëren van juridisch taalgebruik met literatuur kan allicht aanleiding geven tot gefronste wenkbrauwen, althans in een beperkende omschrijving van laatstgenoemd concept. Nochtans lijkt ook deze associatie sporen te openen voor dialoog. Zo valt het op dat nogal wat regelgevende teksten geformuleerd zijn in het presens, zonder gebruik van een werkwoord dat een verplichting impliceert. Als het parlement de uitvoerende macht instrueert om uitvoering te geven aan een wet, klinkt dat vaak als "de regering neemt de nodige maatregelen om deze wet uit te voeren". Wat in de toekomst dient te gebeuren, en hopelijk ook zal gebeuren, wordt beschreven als een actuele gebeurtenis. Is die keuze toevallig? Of is hier sprake van een soort utopische fictie, die het probleemloze functioneren van de geordende rechtsstaat beschrijft als een actuele werkelijkheid (vergelijk Lauster 2014:192)?

Net als in de Bijbelwetenschap kunnen deze en andere methoden aanleiding geven tot een helderder onderscheid tussen wat in de tekst zelf vervat is, en wat tot de contekst behoort (Talstra 2002:101). Die context omvat zowel elementen die contemporain zijn met het ontstaan van de tekst, als elementen die ontstaan zijn bij het gebruik ervan in latere tijden, of die naast de tekst zijn gegroeid. Verschillende lezers zullen omgaan met teksten op basis van het geheel of van een deel van die context - een deel, omdat de context steeds blijft evolueren en toenemen, of omdat ze delen ervan niet ter beschikking hebben dan wel bewust of onbewust terzijde laten.

Of in die omstandigheden een unieke of zelfs consistente interpretatie van een juridische tekst nog zo vanzelfsprekend is, is zeer de vraag (vergelijk McKenzie & Haynes 1993:162). Het is dan ook vooral de verdienste van een dergelijk perspectief om aan te geven hoe ambitieus dergelijke aanspraken in hoofde van juridische teksten en hun auteurs wel zijn. Biedt een rechtsstelsel dan werkelijk de randvoorwaarden om deze aanspraken te verwezenlijken? Of is het toch de fictie die ons moet redden, in de gedaante van het adagium nemo censetur ignorare legem? En is het dan toeval dat dit beginsel Bijbelse wortels heeft? Lezen we immers niet in Leviticus 5:17: "Wie zonder het te weten zondigt tegen een van de geboden van de Heer en schuld op zich laadt door iets te doen dat niet toegestaan is, is strafbaar"?

Anderzijds biedt deze aanpak een aantrekkelijke uitweg voor het heilloze dilemma in de keuze tussen de hermeneutische en de empirische aanpak van de methodevraag in het recht. Met Marc Loth (2015) bepleiten we een en-en-benadering, waarbij het belangrijk is die keuze voor combinatie niet te beperken tot het niveau van de beginselen, maar ook tot uiting te brengen in de concrete omgang met juridische teksten. De ervaring van de Bijbelstudie toont aan dat die weg even begaanbaar als uitdagend is.

 

9. EEN PLEIDOOI VOOR BREDERE INTERACTIE

Hoe verkennend en fragmentarisch deze bijdrage ook is, haar conclusie kan niet anders dan affirmatief zijn. Het valt te betreuren dat de huidige interactie tussen recht en religie onvoldoende omvattend is en zich al te zeer richt op een beschrijving en waardering van de juridische randvoorwaarden waarbinnen religie kan bestaan in een samenleving. Op die manier blijven kansen liggen om tot een beter begrip te komen van het eigen functioneren, voor theologen, maar zeker ook voor juristen. Bestaat er aan juridische zijde allicht een impliciete vrees om de eigen emancipatie van de religieuze sfeer terug te draaien? Die vrees zou onterecht zijn. Net zomin als de studie van de interactie tussen recht en economie per definitie een neoliberale agenda hoeft te dienen, hangt de studie van de interactie tussen recht en religie vast aan een theocratische agenda. Het tegendeel poneren zou getuigen van een bijzonder beperkt vertrouwen in de autonomie en kritische zin van de juridische wetenschap.

Er zijn in die context drie sporen voor verder onderzoek die spontaan naar voren komen. Allereerst is er de methodologische vraag, waarbij we hopen dat wat voorafging aanleiding is tot kritiek, correctie en voortzetting. Vervolgens de lexicale vraag, waarbij nader onderzocht wordt hoe identieke of verwante begrippen functioneren in een juridische dan wel religieuze context. En ten slotte de historische vraag, waarbij de wederzijdse invloed van recht en religie in hun functioneren wordt onderzocht.

Vanzelfsprekend zijn er nog andere sporen denkbaar en wenselijk. In een ideale wereld wordt de dialoog tussen recht en religie even ruim en vruchtbaar als die tussen recht en literatuur, met een beter wederzijds begrip én een beter zelfbegrip als gevolg.

 

BIBLIOGRAFIE

Berger, K. 1980. Die impliziten Gegner. Zur Methode des Erschliessens von 'Gegnern' in neutesta-mentlichen Texten. In Lührmann, D & Strecker, G. (eds). Kirche. Festschrift für Günther Bornkamm zum 75. Geburtstag. Tübingen: Mohr-Siebeck, pp. 373-400.         [ Links ]

Burke, RL. 2016. The crisis of antinomianism in society and in the Church. Recht, Religie en Samenleving, 9 (1):5-18.         [ Links ]

Cane, P, Evans, C & Robinson, Z. 2008. Law and Religion in Theoretical and Historical Context. Cambridge: CUP.         [ Links ]

Claes, J. 1992. Gezag & Zeggenschap. Een eeuwige jakobsladder. Tielt: Lannoo.         [ Links ]

Corte, R de & Groote, B. de. 2014. Privaatrecht in hoofdlijnen. Antwerpen: Intersentia.         [ Links ]

Ferry, L. 2008. Faut-il réinventer l'autorité? In Foyer, J, Lebreton, G & Puigelier, C. (eds). L'autorité. Parijs: Presses Universitaires de France, pp. 15-24.         [ Links ]

Fieret, W. 1990. De Staatskundig-Gereformeerde Partij 1918-1948. Een bibliocratisch ideaal. Houten: Den Hertog.         [ Links ]

Goertz, S. 2011. Theozentrik oder Autonomie? Zur Kritik und Hermeneutik der Moral der Moderne bei Joseph Ratzinger/Benedikt XVI. Ethica, 19(1):51-83.         [ Links ]

Heirbaut, D & Baeteman, G. (eds). 2004. Cumulatieve editie van het Burgerlijk Wetboek. Edition cumulative du Code civil. De huidige en de originele tekst met alle wijzigingen in België van 1804 tot 2004. Mechelen: Kluwer.         [ Links ]

Jones, BC. 2020. Constitutional Idolatry and Democracy. Challenging the Infatuation with Writtenness. Cheltenham: Edward Elgar.         [ Links ]

Judo, F. 2010. Laat opnieuw kerkelijk recht geschieden, De Morgen, 3 september 2010.         [ Links ]

Kästle, D. & Jansen, N. (eds). 2014. Kommentare in Recht und Religion. Tübingen: Mohr Siebeck.         [ Links ]

Kloosterhuis, HTM. 2018. Juridische methoden. Casusoplossen, jurisprudentie-analyse en argumenteren. Den Haag: Boom.         [ Links ]

Kouroutakis, AE. 2018. The Constitutional Value of Sunset Clauses: an historical and normative Analysis. Abingdon: Routledge.         [ Links ]

Lauster, J. 2014. Schriftauslegung als Erfahrungserhellung. In Nüssel, F (ed.). Schriftauslegung. Tübingen: Mohr Siebeck, pp. 179-206.         [ Links ]

Lefort, C. 1990. Het democratisch tekort. Over de noodzakelijke onbepaaldheid van de democratie. Meppel: Boom.         [ Links ]

Loth, M. 2015. Hetjuiste verstaan: over de plaats van de hermeneutiek in een pluriforme rechtswetenschap. Ars Aequi, 2015 (juli):560-567.         [ Links ]

McKenzie, S & Haynes, S. 1993. To Each Its Own Meaning. An Introduction to Biblical Criticisms and their Application. Louisville: John Knox Press.         [ Links ]

Roo, EJ de. 1970. Godslastering. Rechtsvergelijkende studie over blasfemie en andere religiedelicten. Deventer: Kluwer.         [ Links ]

Roumy, F, Schmoeckel, M & Condorelli, O. (eds). 2011. DerEinfluss derKanonistik auf die europäische Rechtskultur - 2 - Öffentliches Recht. Keulen: Böhlau.         [ Links ]

Ruthers, B. 2012. Die unbegrenzte Auslegung: zum Wandel der Privatrechtsordnung im Nationalsozialismus. Tübingen: Mohr Siebeck.         [ Links ]

Scalia, A. 1989. Originalism: the Lesser Evil. University of Cincinnati Law Review, 57:849-864.         [ Links ]

Talstra, E. 2002. Oude en nieuwe lezers. Een inleiding in de methoden van uitleg van het Oude Testament. Kampen:Kok.         [ Links ]

Vannier, G. 2001. Argumentation en droit. Introduction ä la Nouvelle Rhétorique de Perelman. Parijs: Presses Universitaires de France.         [ Links ]

Verheye, B. 2020. De Nieuwe wereld van Recht en Literatuur in de Lage Landen: een ontdekkingstocht.         [ Links ]

In Verheye, B (ed.). Geletterd Recht. Een ontdekking van de wereld van Recht en Literatuur. Brugge: Die Keure, pp. 23-55.         [ Links ]

Willmann, C. 2008. L'autorité de la Cour européenne des droits de l'homme. In Foyer, J, Lebreton, G. & Puigelier, C. (eds). L'autorité. Parijs : Presses Universitaires de France, pp. 187-212.         [ Links ]

Witte, J & Alexander, FS. (eds). 2008. Christianity and the Law: an Introduction. Cambridge: Cambridge University Press        [ Links ]

 

 

Ontvang: 2020-07-25
Goedgekeur: 2020-11-15
Gepubliseer: Maart 2021

 

 

 

Frank Judo studeerde geschiedenis, wijsbegeerte en rechten en kerkelijk recht aan de Katholieke Universiteit Leuven. Sinds 1998 is hij advocaat in Brussel. Tussen 1998 en 2017 was hij ook verbonden aan het Instituut voor Constitutioneel Recht van de KU Leuven en tussen 2009 en 2013 doceerde hij aan de Koninklijke Militaire School in Brussel. Zijn publicaties betreffen vooral het staats- en bestuursrecht en de politieke geschiedenis van de achttiende en negentiende eeuw. Hij is voorzitter van de Vlaamse Juristenvereniging en lid van de Akademie.
Frank Judo studied history, philosophy and both civil and canon law at the Catholic University of Leuven. He has been a lawyer in Brussels since 1998. Between 1998 and 2017 he was also associated with the Institute of Constitutional Law at Leuven University and between 2009 and 2013 he taught at the Royal Military Academy in Brussels. His publications mainly concern constitutional and administrative law and the political history of the eighteenth and nineteenth centuries. He is chairman of the Flemish Association of Jurists and a member of the Akademie.

Creative Commons License Todo el contenido de esta revista, excepto dónde está identificado, está bajo una Licencia Creative Commons