SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.59 número4The teaching of Literature in the Further Education and Training phase within the framework of the Curriculum and Assessment Policy StatementRedakteursnota índice de autoresíndice de assuntospesquisa de artigos
Home Pagelista alfabética de periódicos  

Serviços Personalizados

Artigo

Indicadores

Links relacionados

  • Em processo de indexaçãoCitado por Google
  • Em processo de indexaçãoSimilares em Google

Compartilhar


Tydskrif vir Geesteswetenskappe

versão On-line ISSN 2224-7912
versão impressa ISSN 0041-4751

Tydskr. geesteswet. vol.59 no.4 Pretoria Dez. 2019

http://dx.doi.org/10.17159/2224-7912/2019/v59n4a7 

NAVORSINGS- EN OORSIGARTIKELS RESEARCH AND REVIEW ARTICLES (1)

 

Achter de schermen. Hendrik Swellengrebel en de Kaapse Patriotten

 

Behind the scenes. Hendrik Swellengrebel and the Cape Patriot Movement

 

 

Gerrit Schutte

Emeritus hoogleraar Geschiedenis van het Nederlands protestantisme Vrije Universiteit, Amsterdam . Professor Extraordinarius, Departement Geskiedenis ,Universiteit van Suid-Afrika, Pretoria E-pos: gj.schutte31@gmail.com

 

 


SAMENVATTING

Hendrik Swellengrebel, geboren aan de Kaap, hereboer, regent en reiziger (Kaap 1776-1777), informeerde, bemiddelde en critiseerde zowel de Kaapse Patriotten als de Compagniesdienaren in Kaapstad en Amsterdam, op basis van een omvangrijke netwerk van correspondenten.
Hij was het in principe eens met de klachten van de Kaapse Patriotten over het gebrek aan vrijheid en handelsmogelijkheden, maar hij probeerde de Representanten van de Patriotten de contra-productieve persoonlijke aanvallen jegens de Kaapse bestuurders in te trekken. Tegelijkertijd probeerde hij de Compagniesdienaren zich in te houden in hun reacties op de Patriottenbeweging. De Bewindhebbers van de Compagnie waren conservatieven, tegen alle burgerrechten, en bovendien druk bezig met binnenlandse en buitenlandse problemen. Beslissingen op de memories van de Kaapse Patriotten werden uitgesteld en zelfs Swellengrebels aanbod benoemd te worden tot Gouverneur van de Kaap en de reorganisatie aan de Kaap ter hand te nemen, werd afgewezen, in hoogste instantie door Opperbewindhebber Stadhouder Willem V. Dit artikel beschrijft hoe decennia lang de politiek rondom de Kaap en de Kaapse Patriotten beweging achter de schermen van de Compagnie verliep.

Kernbegrippen: Kaap de Goede Hoop, VOC, Kaapse Patriotten Beweging, Heren XVII, Representanten, vrijburgers, burgerrechten, vrijhandel, partijschappen, internationale verhoudingen, Engels-Franse rivaliteit, Hendrik Swellengrebel, B.J. Artoys, F.W. Boers, W.C. Boers, J.A. van Plettenberg, Hendrik Cloete


ABSTRACT

Hendrik Swellengrebel, Cape-born Utrecht gentleman, farmer and administrator and visitor at the Cape (1776-1777), functioned as informal informant, mediator and critic of both the Cape Patriot Movement (1778 onwards) and the VOC officials, at the Cape and in Amsterdam, using his extensive network of correspondents, both at the Cape and in the Dutch Republic.
In essence, he agreed with the Patriots' complaints about the lack of personal rights and freedom of trade, but he also tried to convince the Representatives of the Patriots Movement (1779) to give up the counter-productive personal invectives against high Company officials. Simultanously Swellengrebel tried to restrain the reactions of the Company administrators. The top officials of the Company were conservatives, afraid of any burgher rights, and too busy with politics in the Dutch Republic and international relations (War with England in 1780-1784). Therefore decisions on the Patriot Requests and even moderate changes were delayed (and therefore creating more burgher actions). Even Swellengrebel's offer to be nominated as Governor and then to reorganise the Cape was opposed, and declined by the Opperbewindhebber Stadholder William V himself. This article describes decades of discussion and policies around the Cape and the Cape Patriots, behind the scenes of the VOC.

Key words: Cape Colony, VOC, Cape Patriot Movement, Lords XVII, Representatives, vryburgher, civil rights, free trade, party politics, international relations, Anglo-French rivalry, Hendrik Swellengrebel, B.J. Artoys, F.W. Boers, W.C. Boers, J.A. van Plettenberg, Hendrik Cloete


 

 

&&&&&&&&&&&&&&&&&

In de laatste decennia van de achttiende eeuw protesteerden de bewoners van de Kaapkolonie tegen wat zij ervoeren als de onderdrukking van de VOC en de uitbuiting door de Compagniesdienaren. De grensboeren trokken zich steeds minder aan van de richtlijnen en bevelen van de Gouverneur en Raad van Politie inzake met de omgang met de Khoisan en Xhosa, culminerend in rebellie in Swellendam 1795 en Graaff-Reinet 1799. Onder de burgerij in Kaapstad en omgeving was al vanaf medio 1778 jarenlang een rekest- en protestbeweging actief, bekend gebleven als Kaapse Patriottenbeweging. Hendrik Swellengrebel, regent in Utrecht, zoon en naamgenoot van de gouverneur van de Kaap uit de jaren 1739-1751, had aan de vooravond van de Kaapse Patriottenbeweging een jaar aan de Kaap doorgebracht en rondgereisd.1 Hij was direct een zeer geïnteresseerd waarnemer van de protestbeweging en raakte er intensief bij betrokken. Zijn nagelaten correspondentie werpt een zeer leerzame blik wat gebeurde achter de schermen van de Kaapse Patriottenbeweging en de tegenpartij, de VOC.

 

DE KAAPSE PATRIOTTEN

In 1778 schreef de Stellenbossche oud-heemraad Hendrik Cloete aan Swellengrebel: Wierd mij verhaald dat er donderdag den 25 dito [juni 1778] meer dan twee hondert burgers bij Schröder in domburg t'zamen waren gekomen, ten Eynde de nodige Maatregulen te neemen om hunne burgerlijke regten te handhaven.2 De woorden "burgerlijke regten handhaven" waren ontleend aan een pamflet, dat een paar weken ervoor bekend was geworden en de eerste actie van de Kaapse Patriotten was.3 Kernzin in dat geschrift (dat in Holland in 1754 was verschenen) was dat het heil des Volks de opperste Wet is, dat de wesentlijkheid van het gezag bestaat in de handhaving der regten van de Onderdanen, en van 't gemeene best.

De aanwezigen in de tuin van Schreuder hadden veel bezwaren en grieven tegen het Kaapse bestuur, maar ze waren niet eensgezind welke concrete stappen te ondernemen. Misschien wantrouwden zij ook de initiatiefnemers en vreesden zij de reactie van de Fiscaal-independent en de heren van de Politieke Raad. Er gebeurde dan ook voorlopig niets. Het was de fiscaal zelf, die het jaar erop de ontevredenen tot actie bracht. Te hulp geroepen door de vrouw van de vrijburger C.H. Buitendagh, een man met een verleden vol geweld en dronkenschap, stuurde fiscaal W.C. Boers hem zonder proces als soldaat op een schip naar Batavia (1779).

Zo 'n uitzetting was legaal en niet ongewoon, maar onder de burgers versterkte het de gevoelens van ontevredenheid. Mocht dat zomaar? Hadden Vrijburgers dan geen rechten? Bijna 400 mensen ondertekenden een rekest aan Gouverneur en Raden, met verzoek een deputatie naar Europa te mogen sturen en aan Heren XVII hun situatie uiteen te zetten. Het werd uiteraard afgewezen: had men klachten, dan waren Gouverneur en Raden het adres.

Opnieuw vonden bijeenkomsten plaats, begin mei 1779. Daar werd een viertal Kapenaren aangesteld als gesamentlijke Representanten van den geheelen Burgerstaat, die vervolgens naar Nederland reisden.4

Daar zochten zij gelegenheid om Heren XVII officieel en openlijk een Memorie vol klachten en wensen aan te bieden. Die Memorie telde drie onderdelen.5 Het eerste schetste de benarde economische toestand van de Kaapse burgers. Zij mochten hun productie (vlees, wijn, graan) alleen verkopen aan de Compagnie, die echter te weinig aankocht en tegen te weinig geld; de Compagnie was ook enige importeur en vroeg voor die noodzakelijke goederen veel te hoge prijzen. Het tweede onderdeel ging uitvoerig in op de rechteloze situatie van de vrijburgers tegenover de frauduleuze, corrupte Kaapse ambtenaren (ze werden bij name genoemd). Het derde deel bevatte 37 voorstellen tot verbetering. De belangrijkste waren de verkiezing van zeven burgerraden, een verbod van handeldrijven door de Compagniesdienaren, en vrije handel met passerende vreemde schepen.

 

 

Het is misschien goed te zien, dat dit rekest, hoe belangwekkend ook, niet voldeed aan de inzet van de beweging van juni 1778. Het vroeg om economische ruimte voor de Vrijburgers en handhaving van hun bestaande rechten, het vroeg niet om democratie, de heerschappij van de volkswil, zelfbestuur.

Hendrik Swellengrebel ontmoette de Representant Paulus Artoys bij diens aankomst bij Texel, omdat hij zijn neefje Ryk le Sueur ophaalde die met hetzelfde schip arriveerde.6 Hij nodigde Artoys tot een bezoek aan Schoonoort, waar hij hem aanraadde het rekest te beperken tot de economische zaken, en vooral geen ambtenaren bij name aan te klagen en nooit uit het oog verliesende het respect dat men aan sijne regering verschuldigd is.7 Hij herhaalde dat advies tegenover de overige Representanten tijdens een bezoek aan Amsterdam, waar hij samen met de Bewindhebber Van der Oudermeulen probeerde een bemiddelingspoging: de Representaten zouden in het Rekest geen personen aanvallen en de Eerste Advocaat van de Compagnie, F.W. Boers, een eigen onderzoek van de Kaapse huishouding doen. Die bemiddeling had geen resultaat. Boers was een harde noot om te kraken. Hij wilde niets weten van toekenning van burgerrechten, omdat hij achter de aanklacht tegen zijn neef de fiscaal W.C. Boers dat perspectief zag. Swellengrebel kreeg de Advocaat wel zover, na te denken over redres van de Kaapse situatie, en de kwestie-Buitendagh voor te leggen aan een advocaat. De Representanten waren blijkbaar verdeeld en onzeker, maar leken aanvankelijk mee te werken aan het compromis. Dat was echter schijn. Terwijl Swellengrebel op Schoonoort wachtte op hun aangepaste versie van de Memorie, dienden zij die onveranderd in op een vergadering van Heren XVII op 16 oktober 1779. Een ijlings ondernomen poging van Swellengrebel om de Memorie door de Representanten te laten in te trekken op voorwaarde dat Heren XVII direct eenige poincten van redres toe te staan, mislukte.8 De Representanten wilden geen informele overeenkomst. Zij zochten publiciteit en wilden de aangeklaagde ambtenaren openlijk aan de schandpaal.

Heren XVII waren onaangenaam geraakt door de Memorie, zoals de notulen van hun bespreking ervan aangaf: Is de Vergadering eenpariglijk begreepen, dat het selve een saak van het alleruiterste gewigt, en welke niet dan met de uiterste omsigtigheid konde worden behandeld.9 Ze schreven Gouverneur Van Plettenberg om inlichtingen en een weerwoord van alle aangeklaagde dienaren. F.W. Boers verweet Swellengrebel dat hij de Representanten niet had weerhouden om hun door een Amerikaanschen Geest gedicteerd geschrift in te leveren.10 Die opmerking verried Boers' vrezen en zorgen. Angst voor een Kaapse opstand naar het voorbeeld van Noord-Amerika lijkt ons wat ongeloofwaardig. Maar de conservatieve Boers verafschuwde elk woord over burger- en mensenrechten, en hij wist dat de Engelse irritatie over de Nederlandse sympathie en daadwerkelijke steun aan de opstandelingen in Noord-Amerika met de dag groter werd en dat een Britse oorlogsverklaring onderweg was. Hoe kon een onrustige Kaap een Britse aanval afslaan?

De oorlogsverklaring kwam, december 1780; de Republiek reageerde met een bondgenootschap met Frankrijk te sluiten. De Franse admiraal De Suffren, met hulptroepen voor de Kaap aanboord, kwam eerder in de Tafelbaai dan een Brits eskader onder commodore Johnstone. Die zag daarom af van een aanval op Kaapstad toen hij in juli 1781 de Kaap bereikte, maar hij nam wel in de Saldanhabaai een handvol retourschepen buit. Daarna zeilde hij oostwaards, maar de Kaap bleef bevreesd voor een volgende aanval. Op 10 mei 1782 schreef Hendrik Swellengrebel aan een vriend:

Heden heb ik een brief van de Caab van den 7 Febr. laatsleden waar in men schrijft: 'tot nog toe syn wy bevryd gebleven voor verderen aanval onser Vyanden: dit geeft ons gelegenheid om 't geen nog aan de defensie ontbreekt, te kunnen verrigten, hoewel het werk juist niet te ijverig voortgaat; dog over dese materie wil ik thans liever mij niet verder uitlaten. En: Soo er niet spoedig ontset komt, sullen wy aan alles gebrek hebben, het geen thands reeds groot is, en soo het langer duurd, sal men niet in staat syn of sig self en het guarnisoen, nog syne slaven te kunnen kleden; om in het gebrek van dit laatste te voorsien is hier een project tot het aanleggen eener Fabriek van groffe Pyen en wolle dekens. Soo dit voorgang heeft, hoope ik UEd. daar over nader te onderhouden'. Is dit gebrek aan de Caab soo groot, wat sal het dan in India syn? Hoe onverantwoordelyk voor de Luiden van 't Bewind, dat men soo talmt met het afsenden der gewapende schepen, die reeds soo important veel gekost hebben?

PS. Men segt mij heden, dat er in de courant sou staan, dat de Koning van Frankrijk in een lijst van klagten heeft doen overgeven tegen den Gouverneur aan de Caab [Van Plettenberg] over de onvriendelijke behandeling, daar ontmoet. Dit gepaard bij het hier bovenstaande surpreneerd [verrast] mij seer, want bij alle particuliere conversatien, die ik al menigmaal met dien Heer gehadt heb, heb ik gemeend Hem een frije Friesch te vinden. Het sou kunnen sijn, dat de Franschen sig ook wat veel hebben willen aanmatigen; tenminste ik moet nu vast besluiten, dat de Gouverneur en de Commandant dier troepes [Charles-Daniel de Meuron] gandsch niet harmonieren.11

Swellengrebel besprak dit krantenbericht enkele dagen later met wat kennissen. Een van hen zei, dat het best mogelijk was dat het standje van de Fransen voor Van Plettenberg over de ontvangst van de Franse troepen afkomstig was van de Eerste Advocaat van de VOC, F.W. Boers, want die was niet goed met Van Plettenberg.12

De onrust aan de Kaap was na het vertrek van de Representanten gewoon doorgegaan. In oktober 1779, terwijl de voltallige burgerwacht ter gelegenheid van de jaarlijkse exercitie aangetreden stond, verzochten de officieren namens de burgerij Gouverneur Van Plettenberg geen nieuwe burgerraden aan te stellen maar de zittende te continueren. Van Plettenberg (onse alte goede gouverneur, schreef Cloete13) stond dat toe. Hij wilde de spanning niet nog meer laten oplopen. Achteraf keurden Heren XVII Van Plettenbergs optreden inzake de continuering van de burgerraden goed, maar zij voegden wel toe dat de ervaring leert, dat toegeeflijkheid gewoonlijk het tegendeel oplevert van wat wordt beoogd.14 Inderdaad, De onlusten der burgeren nemen toe als brandt, schreef Hendrik Cloete aan Hendrik Swellengrebel in januari 1780, en hij schreef ook over intimidatie van andersgezinden.15 In het laatste kwart van 1780 stelden de aangeklaagde Kaapse ambtenaren hun verdedigingen op. Van Plettenberg haastte zich niet om zijn Consideratien op te stellen, en allerlei voorbereidingen in verband met de dreigende oorlog gaven hem verontschuldiging.16 Vermoedelijk meende hij de situatie in de hand te kunnen houden, totdat Heren XVII in reactie op de Memorie maatregelen maakten.17 De burgerbeweging was immers verdeeld, de kopstukken waren overzee, de meerderheid van de bevolking (en de besten van hen18) was tegen de actie van de Patriotten. Van Plettenberg apaiseerde daarom zoveel als mogelijk (daartoe hadden Heren XVII hem ook opgedragen).19

Op 20 maart 1781 waren zijn Consideratien en de verantwoording van de (meeste) ambtenaren gereed. Daarop tekende hij een maand later zijn ontslagaanvrage. Ze werden echter pas een jaar later verzonden, vanwege de oorlogsomstandigheden, schreef hij in maart 1882.20 Nu maande hij Heren XVII wel tot haast, de onenigheden waren niet verminderd, het Vuur van twist en tweedragt daarentegen dagelijks veld wint, wordende bij door die geene, welkers belangens meede brengen, dat soo wenschelijke eensgezindheid niet worden hersteld, op allerhande, directe en indirecte, wysen aangeblaasen en gevoed, soo binnen de Caab als ten platten Lande.21 Inderdaad hadden de Kaapse Patriotten in 1780 en 1781 herhaaldelijk van zich laten horen.22 Er was er een Nadere Memorie met een reeks van nieuwe aanklachten opgesteld, als aanvulling op de Memorie van 1779. Daarin werden ook wat al middelen, practyken en slinksche kunstgreepen de Kaapse ambtenaren hadden aangewend om hun straatjes schoon te vegen.23 De Nadere Memorie werd op 7 april 1782 door de Representanten bij Heren XVII ingediend. Die bespraken ze op 24 april 1782, ten uiterste onaangenaam wederom met nieuwe klagten te worden lastig gevallen, en nog wel terwijl verantwoordingen wegens vorige nog steeds niet binnen is. Aldus hun geïrriteerde schrijven aan Gouverneur Van Plettenberg.24 Opnieuw werd de definitieve beoordeling van de Memorie van oktober 1779 uitgesteld, tot na ontvangst van Van Plettenbergs reacties op Memorie en Nadere Memorie beide.

Na oktober 1779 had Swellengrebel voorlopig geen contact meer met de Representanten. Het betekende niet, dat de Kaap hem niet meer bezig hield. Hij schreef brieven aan Van Plettenberg en fiscaal Boers over de Memorie en aan Van Plettenberg stuurde hij ook een uitvoerig voorstel tot herstel van de rust aan de Kaap.25 Ook ontving hij van hen en anderen informatie over de ontwikkelingen aan de Kaap. Swellengrebels briefwisseling maakt duidelijk, dat hij instemde met veel klachten van de Kapenaren. Aan zijn neef J.J. le Sueur, keldermeester en lid van de Raad van Politie, schreef hij het gedrag van fiscaal Boers inzake Buitendagh af te keuren. Zo'n verbanning buiten forme van proces is in strijd met de securiteit van niet dan door sijne competenten regter te konnen of mogen geoordeeld en gevonnist worden, een der voornaamste requisiten van eenige burgerlijke vrijheid. Ook hadden de Kapenaren recht op meer aandeel in het bestuur.26 Meer vrijere handel in hun producten en minder bemoeienis van de Compagnie en de Compagniesdienaren persoonlijk waren noodzakelijk. Omdat die colonie nooit tot een bestendige rust sal krijgen, gelijk ik het gebrek daar aan reeds voor de voornaamste source van alle die onlusten, die er in heerschen, beschouwe.27

Swellengrebel, die vrienden in Amsterdam en bij de VOC had en zo nu en dan naar Amsterdam en Texel reisde, schreef in september 1781: In het begin dezer maand kruissen er 5 Engelsche oorlogschepen voor het gat van Texel. Men heeft veel sterker magt gereed liggen, maar concentreert zich om van binnen die vijandelijke schepen te begluuren. Wat heeft de VOC nu aan de extra bijdrage die zij heeft betaald voor de vloot?28 Begin januari 1782 meldde Swellengrebel, dat men hem had verteld dat er (kennelijk door gebrek aan daadkracht bij de Admiraliteit) nog niets gedaan is aan de reparatie van het schip van den Heer Zoutman, dat in de zeeslag op de Doggersbank [5 augustus 1781] is geweest, en dat er geen geld was om bemanning voor nieuwe schepen te werven.

En dan segd de Courant ons nog, dat wij tegen den 1. April in de dertig schepen sullen klaar hebben. En ook: Ik heb een brief van de Caab van september in welke men mij schrijft, dat men er dagelijks veertig stuks canon van het fransche eiland Mauritius verwagtede. Soo men dit verhaalde soude het vast sijn, de franschen sullen de colonie in sequestratie [in bewaring] nemen. Een goed voorgeven om sijn eigen schandelijke administratie [bestuur] te verbloemen.29

Eind juni 1782, na een reisje in de Zuiderzee naar Texel en het Vlie, schreef Swellengrebel:

In Engeland schijnt men het werk der vreede te willen doorzetten. Mijne rapporten op dat sujet [onderwerp] gunstig. Onlangs heeft er iets in de Couranten gestaan nopens schikkingen in de Oost Indie; ik moest haast geloven dat dit een der hoofdpoincten & in het welke wij een groote rol kunnen spelen, soo de saken wel aangelegd worden: en heb reden te geloven, dat de nu fluctuerende tijding van het voordeel, door de Franschen behaald in de haven van Trinconomale op het eiland Ceilon, voor soo veel het hoofdpoinct, egt is.

Hij had ook gehoord, dat de (Patriotse) Staten van het gewest Holland een eigen vertegenwoordiger bij de vredesonderhandelingen in Parijs stuurde - op zich een goede zaak, maar zou er niet ook iemand, in de commercie kundig zenden, om voor die hoolfdsenuw van den staat te sorgen?30

In die tijd werd de Kaap weer onderwerp van gesprek bij Heren XVII. Nadat in april 1782 al een Nadere Memorie was ingeleverd, kwamen eindelijk de verdedigingen van Van Plettenberg en de aangeklaagde Kaapse Compagniesdienaren bij Heren XVII binnen, inclusief Van Plettenbergs verzoek tot ontslag. In mei 1782 hoorde Swellengrebel dat O.W. Falck (oud-opperkoopman, getrouwd met de Kaapse Engela Apollonia Bergh) van de heren van de Amsterdamse VOC-Bewindhebbers het verzoek had gekregen, naar de Kaap te gaan, om Van Plettenberg (over wie men niet erg tevreden was) op te volgen. Falck, wist zijn zegsman, had echter geweigerd, hij moesten namelijk wel toestemming vragen van de Utrechtse vertegenwoordigers van Willem V in Utrecht, Pesters en Athlone; en hij wilde geen knie voor Baal buigen.31 Een maand later (4 juni 1782) had Swellengrebel gehoord dat Van Plettenberg inderdaad teruggeroepen werd, en dat Pesters, Athlone etc. nu werkten omme in die syn plaats daer naa toe als Gouverneur te senden den domheer Schulerus. Men kon de Caap in gene slegter handen stellen, was Swellengrebels commentaar.32 Het was een loos bericht, Van Plettenberg werd niet teruggeroepen, hij moest zijn beleid voortzetten en rapporteren op de Nadere Memorie. Zijn Consideratien waren ter advies naar de Kamers Amsterdam en Zeeland gezonden. Binnen een dag of agt gaat er een Neutraal schip naar de Caap, over welkers zaken het thans in 's Hage vol levendigheid is, kon Swellengrebel op 13 augustus 1782 melden.33

 

IJDELE HOOP

Op 1 maart 1783 schreef Swellengrebel een moedeloze brief aan zijn vriend baron Van der Capellen tot den Marsch, lid van de Gelderse Staten en een van de leiders van de Nederlandse Patriotten. De vredesonderhandelingen schoten niet op, en hij vreesde dat de Franschen van onse saak [de Indiase VOC bezittingen die in Engelse hand waren] voor hen geen hoofdpoinct maken en dat wij van de toegevendheid der Engelschen moeten afhangen. De verdeeldheid en traagheid in de Republiek belemmerde elk besluit, en al behouden wy sulke pretieuse [kostbare] besittingen, gaat het tog met de Compagnie te gronde, soo men soo sorgeloos op den ouden voet wil voortgaan, en hier self te lande de directie niet verbeterd. Die verdeeldheid heerste ook op politiek terrein, nergens was samenwerking om de constitutie te herzien, wel strijd tussen de burgerij en het radicale gemeen (een aristocratische benaming van de gewone burgers). Het grootste gedeelte der Regenten, al sijn sij goed, is nog te flauwhartig of politicq gesproken voorsigtig; en geen wonder! op de Burgerij, die nu werkt, hebben de ambten en commissien geen influentie, ja self heeft men er haar bijna geheel van verstoken om sig ten kosten van het gemeen wel te laten dienen (Swellengrebel ergerde zich over de situatie in Utrecht, waar de massa, bespeeld door radicale studenten en journalisten, veel invloed had). Na deze en dergelijke ergernissen en klachten schreef Swellengrebel, wetend dat werd gesproken over een benoeming van Van der Capellen tot gezant in Noord-Amerika,34 deze bekentenis:

Ik wil gaarne met UwHWgeb. wel eens spreken over America. Inter nos maake ik geen swarigheid U te seggen, dat ik er seer serieuse vues op heb. Sederd mijn retour [uit de Kaap] heb ik nog al gehoopt voor mijn geboorteplaats van dienst te zullen kunnen sijn, maar nu bemerke ik hoe langer hoe meer, dat het den moriaan gewasschen is met te denken op het nodige redres voor deselve. Soo lang de Eerste advocaat de saken blijft dirigeren, is er niet aan te doen. Om hier soo stil te blijven, heeft mij reeds lang verveelt, dan verkiese ik liever een vrij land dat vrugtbaarder en het klimaat beter is.35

Swellengrebel ging niet naar Amerika en hij hernam zijn vertrouwen. Zelfs de hoop op het gouverneurschap van de Kaap leefde weer op. Er ontwikkelde zich namelijk een aantal ontwikkelingen op het Patriotse front, geheel naar het hart van Swellengrebel. Op 26 april 1783 vond een begin van gezamenlijke landelijke Patriotse actie. Als Vaderlandse Regenten besprak een informele groep van invloedrijke Patriotten, regenten, edelen en patriciërs uit diverse gewesten, tegenstanders de stadhouder en voorstanders van democratisering, een plan voor "grondwettig herstel". Ook trokken de Pensionarissen van Amsterdam, Dordrecht en Haarlem de leiding in de Staten van Holland tot zich en stelden een gezamenlijk politiek program op. Belangrijk punt daarin was de beperking van het stadhouderschap tot strikt uitvoerende taken; tegelijkertijd werd in Utrecht de actie tegen het Regeringsreglement (dat de Stadhouder bijna vorstelijk macht gaf) geïntensiveerd; Swellengrebel was een van de mannen achter die actie.36 Die Hollandse pensionarissen waren ook van plan, de VOC aan te pakken en tegelijkertijd leken de vredesonderhandelingen een belangrijke fase in te gaan. Zelfs gingen Heren XVII zich buigen op de Kaapse klachten! Op 23 mei 1783 schreef Swellengrebel aan Van der Capellen:

Op den 2 juny begint de vergadering van 17 in 's Hage, ik hoop en verwagt dat men dan ook de zaken van de Kaap eens zal aanvatten, ik zal er tenminsten dezen en genen over aanspreken, ook zal het hoognodig zijn dat Holland wat meer inzien krijgt in de zaken van de Compagnie en zulks is ook de intentien.37

In Den Haag had hij kennelijk contact gehad met Cornelis de Gyselaar, de pensionaris van Dordrecht, met name over de onderhandelingen in Parijs.38

Ook sprak hij Van der Oudermeulen, net uit Engeland terug.39 Een maand later trok hij naar Amsterdam, waar hij overleg had met de pensionarissen Van Berckel en Visscher.40

 

 

De vergadering van Heren XVII leverde niet veel concreets op. De Representant B.J. Artoys drong aan op een beslissing over de Memorie, maar hij moest nog geduld hebben; wel kreeg hij op zijn verzoek afschriften van Van Plettenbergs Consideratie en Boers' verantwoording.41 Intussen was ook Heren XVII duidelijk dat ze de behandeling van de Memorie van 1779 niet langer dan tot de najaarsvergadering van 1783 konden uitstellen. De onderhandelingen over vrede verliepen weliswaar moeizaam, maar men kon langzamerhand gaan denken over de uitzending van een vloot naar de Oost, om de door de Brittten bezette bezittingen weer gaan overnemen. De VOC had bovendien bij de Staten Generaal subsidie aangevraagd. Die aanvraag bracht de Staten van Holland ertoe, een Commissie van onderzoek naar de toestand van de Compagnie in te stellen. Dat alles vergde plannen maken voor de Kaap. Het gaf Swellengrebel gelegenheid, zijn ideeën over de Kaap over te brengen aan De Gijselaar, lid van die Hollandse Statencommissie.42 Swellengrebel stuurde hem een mooi, beknopt overzicht van de geschiedenis, ontwikkeling en situatie van de Kaapkolonie, aangevuld met een uitvoerige bijlage waarin hij duidelijk maakte, dat de bevolkingsgroei niet opgevangen kon worden door uitbreiding van de veeteelt en een steeds verdere trek het binnenland in - die was onmogelijk (het binnenland was onvruchtbaar en onbewoonbaar) en ongewenst (conflict met de inheemse bevolking). Zijn betoog culmineerde daarom in de stelling dat de kolonie nooit in rust sal wesen, en op den duur niet bestaan, sonder een bestendig vertier [buitenlandse handel] geproportioneerd naar de quantiteit harer producten.43

Die stelling herhaalde Swellengrebel een paar weken later in een brief aan de Patriotse journalist W. van Irhoven van Dam: de Kaapse boeren kunnen hun producten niet behoorlijk te gelde brengen. Geeft men hen niet meer mogelijkheden tot vertier, moet men óf de overtollige bevolking doen verdwijnen óf de Europesche ondersaten weder tot oude barbaarscheid brengen en in 't veld onder de Hottentotten en Kaffers laten leven. Soo sij sig al nog langer soo lankmoedig sullen laten leiden - nee dus, suggereerde Swellengrebel, ze zullen het Amerikaanse voorbeeld wel volgen.44

De najaarsvergadering van Heren XVII zou in oktober 1783 beginnen. De voortekenen waren niet gunstig, schreef Swellengrebel op 7/8 augustus 1783 aan Hendrik Cloete. De Heren hadden geen inzicht in de reële situatie aan de Kaap en lieten zich verblinden door de schijn-weelde aan de Kaap (gevolg van de tijdelijke aanwezigheid van veel vreemde soldaten en schepen). De klachten over misstanden en wanbestuur beschouwden zij als uitingen van persoonlijke vetes en conflicten.45

Niet alle bewindhebbers waren echter geheel onkundig en zo verblind als Swellengrebel dacht. G. Titsingh, boekhouder van de Kamer Amsterdam van de VOC en Hoofdparticipant, schreef op 30 september 1783 een uitvoerige beschouwing aan de mede-Hoofdparticipant J.E. Huydecoper:46

Ik wenschte ... van mijne gedachten over 't Caabsche werk te zeggen ... dat ik over dit allergewigtigste etablissement, van 't welk alle de andere afhangen, zeer bezorgt ben. De burgerij verbeeld zig gegronder redenen van beklag over 't Comp's directie te hebben dan de Americaanen over die der Engelschen, en er is een verwarring in dat Gouvernement, welke mij voor slegte gevolgen doet vrezen. Waar de intentie van de Heeren [XVII] heen loopt, weete ik niet, en de discretie verbied te vragen, na 't geen mij niet voorkomt, vooral, daar ik ben van den beginne af aan gemeent heb, dat men dit stuk met opzigt tot de burgerij niet zagt genoeg kan behandelen. Ik zal mij in hunne klachten en de daartegen gedane defensie niet inlaten, dog de schatten, met welke die luiden, waarover zij zig beklagen, na een kort verblijf, hebben kunnen te huis varen, argumenteren niet zeer in hun voordeel.47Veel en alles zal afhangen van de keuze, die men zal doen van een Gouverneur: de candidaten daartoe zijn de Heeren Lynden van Blitterswijk, President van het Hof van Justitie te Venlo, wien ik het zeer heb afgeraden, wijl nog de persoon aan de post, nog de post aan den persoon convenieert;48 de Heer [C.J. van] de Graaff,49 ingenieur, van wiens bekwaamheid en hoedanigheden men veel goeds zegt, maar ik vreze de man zig in de post bedriegt, zij is niet om er eenig fortuin door te maken, maar vereischt een rijk man, die daar zijn geld verteren wil; zodanige waren de Gouverneurs Swellengrebel, Tulbag, Oudshoorn en nu wederom Plettenberg: ik wenschte dat men ditmaal, in plaats van op sollicitanten agt te geven, zelfs solliciteerden luyden die de Caap convenieren, en der zaken aldaar kundig zijn: de Bewindhebber van der Hoop50 is groot van ziel om zo iets te doen, als zijn Ed. in dat begrip viel; men zegt veel goeds van een Heer Swellengrebel te Utrecht; ik voor mij heb den Heer Falck, Heer van Oostbroek, te Utrecht,51 den bekwaamsten man, die ik ooyt uit Indien heb zien komen, en een waardigen Neef van den allerwaardigsten Ceilon's Gouverneur, daar toe zoeken te animeren, maar ben niet gereusseert, om een reden, die mij precis te meer engageerde, om den man tot solliciteren aan te zetten, want hij antwoordde mij: ik kenne geene der Heeren Bewindhebberen, en zoude de Schande niet willen hebben de Caab voor de Comp. te verliezen, gelijk gewis volgen zal na 't verkeerd Systhema, dat men omtrent de burgerij houd, die door toegevendheid aan de Comp. moeten geattacheert werden, wanneer zij vermogend genoeg zijn, dat etablissement te bewaren zonder hulp van vreemden. Daarenboven kan ik leven en ben content. Dit is juist de taal van iemand, die de Caap convenieert. Ik gelove derhalven, dat de geheele zaak aan komt op de aanstelling van een goed Gouverneur, en, heeft men 't geluk daar in te slagen, dan kan men aan zulk een gerust overlaten, het werk daar op een goeden voet te brengen en de conditie der burgerij te verbeteren ter verzekering dezer dierbare possessie voor de Comp.52

Huydecoper had niet alleen Titsingh om informatie gevraagd, aan de Amsterdamse regent Nicolaas Faas vroeg hij waarom de Memorie niet veel eerder was behandeld. Faas antwoordde dat volgens de invloedrijke bewindhebber Van der Hoop men die niet kon bespreken zonder de Eerste Advocaat F.W. Boers (maar die was om de vredesonderhandelingen en de Franse medewerking in de Oost in Parijs). Van der Hoop oordeelde ook dat Van Plettenberg niet geschikt was om de noodzakelijke veranderingen door te voeren (maar een Gouverneur in oorlogstijd vervangen was lastig). Van der Hoop (en Faas stemde ermee in) dacht wel dat de veranderingen met moderatie moest worden behandeld; en vooral de klagende requestranten niet te beschouwen als rebellen, maar zich te spiegelen aan America [waar het harde optreden van de Engelsen opstand had veroorzaakt].53

Een weekje later meldde Titsingh aan Huydecoper iets van zijn ervaringen in de Hollandse Statencommissie voor het onderzoek van de VOC:

Omtrent de Caab blijve ik van gedagte, dat alles inutilis [nutteloos] is, zo lang men zig niet over een Gouverneur determineert. De Heer Falck, van wien ik UwelEg. geschreven had, inclineert voltrekt niet tot de post: ik hope men zig nu bepalen zal tot Swellengrebel, van wien Falck zelve mij een zeer loffelijk getuigenis gezonden heeft, waarvan ik ook gebruik heb gemaakt. Ook heb ik heden uit een voorname hand gekregen een Brief van zijn Ed. de dato 26 Junij pass. en bijlage met desselfs consideratien over de Caap, die ik verlange te lezen, dog 't geen mij 't onderhanden zijnde moeijelijk werk nog niet toelaat.

Ik heb den Heer Pous54 maar een ogenblik gezien, en welk geen gelegenheid was, met zijn Ed. over 't werk te spreken, dog ik weet aliunde [uit ergens van], dat zijn Ed. zeer voor Plettenberg inclineert. Maar ik heb gisterenavond bij den Heer Raadpensionaris55 alleen zijnde, en over 't Caabsche werk sprekende, de occasie waargenomen, zijn Ed.[Swellengrebel] daar aanteprijzen, waartoe ik op het getuigenis van Falck genoeg gevonden had.56

De "voorname hand" was kennelijk die van de Dordtse pensionaris C. de Gijselaar, evenals Titsingh lid van de Hollandse Statencommissie tot onderzoek van de VOC en aan wie op diens verzoek Swellengrebel zijn Consideratien had gezonden.57

Op 20 november 1783 schreef Swellengrebel aan Van der Capellen:

Mijne berigten van Amsterdam melden, dat de beschikking over de Caap thans in de crisis bij de vergadering van xvii is. Ik ben daarom desen avond alhier in de stad [Utrecht] gekomen om bij de hand te sijn: doch ik hebben wijnig moed, dat er iets goeds, naar mijne opinie, sal uitgerigt worden. De Heer de Graaff solliciteerd tot Gouverneur.

'De Heer de Graaff solliciteerd tot Gouverneur.' Een korte vermelding zonder commentaar. Swellengrebel wilde al lang gouverneur worden, maar hij begreep wat de concurrentie van Van de Graaff betekende. Zelf had hij aan zijn benoeming voorwaarden gesteld die zeker niet bij alle Bewindhebberen goed vielen. Hij wilde ingrijpende wijzigingen in bestuur en beleid aan de Kaap aanbrengen. Want hij was er van overtuigd, dat zolang de VOC de Kaap alleen als verversingsstation en maritiem station bleef beschouwen, de rust daar niet hersteld kon worden, omdat dan met de belangen van de Vrijburgers in deze colonie d'habitation te weinig rekening hield. Ook oordeelde hij, dat de burgerrechten van de Vrijburgers en hun relatie tot de Compagniesdienaren beter omschreven moesten worden.

Hij herinnerde zich de principiële discussie die hij ooit voerde over de positie van de vrijburgers met de invloedrijke Eerste Advocaat van de VOC, mr. F.W. Boers. Die deelde de stelling van zijn neef de fiscaal W.C. Boers, dat dit geheel etablissement alleenlijk is van Compagnies Weegen en om des Compagnies wille, dat het gansche beleid en de Regeeringe van dit Land alleenlijk aan Compagnies Dienaaren is toebetrouwd geworden.58

Swellengrebel werd inderdaad niet benoemd tot Gouverneur. Omdat, zoals Swellengrebel achteraf hoorde, Stadhouder Willem V, Opperbewindhebber van de VOC, op aanwijzen van zijn raadgevers, de invloedrijke Hertog van Brunswijk en de Amsterdamse regent Rendorp, de benoeming van de Orangistische officier C.J. van de Graaff afgedwongen had van de Bewindhebbers, die hem, decan, wel als gouverneur na de Caap soude hebben willen senden.59 Swellengrebel behoorde tot de anti-stadhouderlijke partij en was bepaald geen vriend van Brunswijk.

Swellengrebels teleurstelling versterkte zijn waardering voor hen bepaald niet en zijn vriendenkring kon dan ook regelmatig genieten van roddels en verhalen die Swellengrebel over de prins en de dikke hertog debiteerde.60

In de dagen dat de keus van een gouverneur nog hangend was, schreef Swellengrebel aan Van der Capellen tot den Marsch.

Indien UwHEdGeb. eens sien wil, of de klagten der Caabsche Burgerij ook gegrond zijn, lees dan eens het onlangs in het ligt gekomen Advies der Juridische faculteit te Leiden in zekere zaak tusschen den fiscaal Boers en ... Smit aldaar: zoo UwHEdgeb. het te Zutphen niet krijgen kan, zal ik het U zenden.61 Ik doe al wat ik kan om de bestierders alhier op te wekken om zich die colonie met ernst aan te trekken, dog vordere tot nog toe bedroef wynig; ieder toond zich van die noodzakelijkheid overtuigt, maar niemand vat het werk aan. Indien de Hollandsche Commissie het niet doed, zie ik wijnig vrugten van mijne pogingen tegemoed, want de Advocaat Boers komt van Parijs, en zal, vreese ik met zeer veel grond, het in de Vergadering van xvii, die in October zit meester zijn, en dan moet die colonie aan de eer van zijnen Neef gesacrifieerd worden.

In vertrouwen aan UwGEgeb. gezegd: ik heb aan onsen vriend V[isscher]gedeclareerd, dat, indien men oordeelde, dat mijn dienst aldaar van nut konde zijn, ik bereid ben mij te laten employeren, mits zulks geschiede op een honorable wyze, en men er mij toe aanzoeke. De noodzakelijkheid van dit laatste, vertrouwe ik, dat UwelEdgeb. mij zal toestemmen want ligt zou men het mij als een gratie willen toerekenen, en dan liep ik groot gevaar, dat alle mijne pogingen naar behooren van hier niet bevestigd werden. Het veiligste was zeker, dat men eerst hier een behoorlijk plan maakte, maar mijn vriend v.d.o[udermeulen] heeft mij zoo zeer de onmogelijkheid hiervan, door de onkunde der ware gesteldheid dier colonie, aangetoond, dat, hoe zeer ik te vooren besloten had mij niet te laten employeren, dan nadat hier alles geregeld was, ik meen over die zwarigheid te moeten heenstappen, en tragten door een klaar exposé dier gesteldheid nog nader aan te tonen de noodzakelijkheid van een verandering in de directie volgens daar toe te formeeren plans; mits men mij authorisere om bij provisie onder approbatie zulke schikkingen te maken, als nodig zijn om de rust in de colonie te her stellen. Gij zult zeggen, dat is een heet ijzer om aan te vatten; ik beken het, maar sie ook niet, hoe ik anders van enig nut zal kunnen zijn. Zend men er een Gunsteling of fortuinzoeker naar toe, dan raakt het er alles binnen korten op den hol, en de Republicq loopt gevaar zoo een importante colonie kwijt te raken. Het beste plan komt mij voor: dat de Staat die colonie overnam, aldaar 3 a 4000 man met een esquader van 8 a 10 schepen hield om de Indiesche bezittingen te beschermen, waarvoor de Compagnie een sekere somme 's jaarlijks behoorde uit te keren, en dat men den colonisten toestond hunne producten herwaards te vervoeren in schepen van de Compagnie, ten einde daar door te praevenieren dat er te hare nadele geen handel in Indiesche waren werd gedreven. Dan in welke chimeres [hersenschimmen] worde ik vervoerd! Want van het een zal zoo wijnig komen als van het ander.62

De voltallige vergadering van Heren XVII boog zich op de derde december 1783 over de Memorie van 1779. Zoals Swellengrebel al vermoed had, hadden Bewindhebbers weinig waardering voor de Memorie en haar indieners.63 Die noemden zich dan wel "de gesamentlijke Representanten van de Burgerstant", maar zij waren het niet, zij vertegenwoordigden slechts een deel van de burgerraden, van de heemraden en van de bevolking. Zij hadden zich niet direct aan Heren XVII mogen richten, maar aan hun Hoge Regering in Batavia. En de Consideratien van Van Plettenberg bewezen, dat die kwijnende toestand van de Kaap waarover de Memorialisten schreven, er gewoon niet bestond. De Memorie werd dus afgewezen, maar men volgde wel een reeks van kleine aanpassingen die Van Plettenberg in zijn Consideratien had voorgesteld.64 Zo werd het aantal burgerleden van de Raad van Justitie gelijkgesteld aan dat van Compagniesdienaren en het recht van appèl op Batavia werd expliciet; de Fiscaal moest beslissingen van de Raad van Justitie (waarin burgerleden zaten) uitvoeren. Het recht om iemand in dienst van de Compagnie te trekken werd gehandhaafd, maar mocht alleen in het alleruiterste geval toegepast worden; de betrokkene mocht bovendien voortaan kiezen naar Europa of Batavia gestuurd te worden en Heren XVII en de Hoge Regering diende een verklaring erover te ontvangen.65 Ambtenaren mochten geen eigen producten leveren aan de Compagnie, en de kwestie van vrije handel werd uitgesteld tot na de vrede - Van Plettenberg stelde een middenweg voor door de aankoop van de overproductie door de Compagnie.

In december 1783 kon men inderdaad hopen op vrede. Men onderhandelde in Parijs al enige tijd samen met Engeland. Bij de vrede van Parijs, medio januari 1784, behield Engeland Negapatnam en verkreeg vrije toegang tot de Molukken. De communicatie met de Oost was dus weer vrij en daarom bespraken Heren XVII in april 1784 opnieuw de Kaapse zaken, waaronder de definitieve de benoeming van Van de Graaff als opvolger van Van Plettenberg. Swellengrebel schreef 20 april 1784 aan Van der Capellen:

Ik heb gelegenheid gehad een concept Instructie voor den nieuwen Gouverneur aan de Caap te sien; maar moet bekennen nooit gelooft te hebben dat men soo wijnig van de ware constitutie dier colonie wist. Men heeft berigten, dat dat Land op verre naar soo vrugtbaar niet is, als er wel gedebiteerd word; daar sijn maar enige vlaktens, die voor den Landbouw bequaam sijn, het meeste is steriel en dor; dus moet men het alleen voor een verversching plaats houden. Dan dit berigt al eens toegestaan, wat sal men dan doen met den opgesetenen? Want in een accresseerende [groeiende] populatie moet het getal eens te groot worden om geëmployeert te worden in een plaats van soo een geborneerd debiet [beperkte omzet], vooral daar men noch soo een groote menigte slaven in den Landbouw gebruikt, met welken Europeërs niet wel in een gelijken graad van dienstbaarheid kunnen werken. Doch apparent seggen berigten, op diergelijke grond als de voorgaande steunende, dat de propagatie [voortplanting, uitbreiding] voor het menschdom er ook steriel is, en dat ons het getal der Ingesetenen niet vermeerderd. Sulke berigten worde gretig aangenomen, en die het tegendeel bevestigen, sijn partijdig.66

De gelegenheid om de instructie van de nieuwe Gouverneur te mogen inzien - dat was een wel zeer bescheiden opmerking. In feite was Swellengrebel door hoofdparticipant J.E. Huydecoper gevraagd om advies over die instructie, in het bijzonder voor de hoogte van het salaris van Van de Graaff.67 Zijn antwoord liet niets melden van zijn persoonlijke teleurstelling, tenzij men de openingszinnen tegen die achtergrond moet lezen:

Gaarne voldeed ik aan U versoek ... vond ik mij maar in staat om te kunnen beoordelen, welke de intentie der Heren Bewindhebberen met die colonie is ... Daar de Geest van ongenoegen aldaar niet verminderd zal zijn op den ongunstigen uitslag der klagten van een groot gedeelte der colonisten, moet het er in de eerste plaats op aankomen of men de rust weder zal tragten te herstellen door force of door zachtzinnigheid. In de kunst van het eerste middel moet ik bekennen gansch onbedreven te zijn, en mijne daardoor waarschijnlijk voortkomende timiditeit sou mij doen vresen dat het selve der compagnie niet beter sal slagen dan het der Engelschen gelukt is in America. Voor het tweede middel komt mij vooral het personele caracter van den Heer Gouverneur in aanmerking.

Na deze diplomatiek verwoorde kritiek op de reactie van Heren XVII op de Memorie van 1779 onderstreepte Swellengrebel de noodzaak van kennisneming van de ware situatie der colonie als eerste opdracht voor de nieuwe Gouverneur. Wat diens salariëring betrof, bestudering van de boedels van zijn vader en oom Tulbagh had hem geleerd, dat hun inkomsten niet seer important waren. Sindsdien wordt van de Kaapse Gouverneur om allerlei redenen echter een veel kostbaarder levenswijze verwacht. Van Plettenberg had hem dan ook gezegd, dat hij inteerde op zijn eigen geld (of eigenlijk dat van zijn vrouw).68 Swellengrebel stelde daarom Van de Graaff een (hoog) vast tractement te geven. Dan behoefde hij niet te leven van emolumenten, die toch door de Compagnie betaald werden en gemakkelijk misnoegen oproepen bij mensen die zich erdoor benadeeld achten. Huydecoper toonde zich gelukkig met dit advies, stemde in met de gedachte van een vast tractement en Hoofdparticipanten voegden enkele punten toe tot de instructie van Van de Graaff. Huydecoper beloofde ook, Van de Graaff nog eens persoonlijk aan te spreken over de aanpak van de eenheid en de welvaart aan de Kaap.69 Die reactie gaf Swellengrebel gelegenheid, hem nogmaals te schrijven over de Kaap, waar iedere boer rondom sijn plaats een terrein nodig heeft, zoo groot als menig Gerecht van een dorp hier, er slechts eenige weinige vlaktens en goede terreinen voor landbouw waren, en

weinige Lieden aan de Hoofdplaats en vooral Comp. dienaren weten, hoedanig 't met de verafgelegen colonisten gelegen is, maar die [zoals hij] hunne levenswijse van nabij heeft gesien, kan niet dan met deernis denken, hoe afstammelingen van brave Europesche ouders, die door beloften een aanmoedigingen uit het vaderland zijn getroond [gelokt] om die colonie te bevolken en de Compagnie de nodige ververschingen te besorgen, nu, daar daar sij [de Compagnie] van alles rijkelijk kan voorsien worden, aan een wild veld- en herdersleven overgelaten worden, daar een vader, self maar seer soberlijk kunnende bestaan, sijn kind geen ander uitset kan geeven, dan een wagen met een span ossen, waarmede hij int veld trekt en zich er met Hottentotten geneerd [onderhouden]; welk ras [soort] van menschen sal dit met der tijd geven?70

 

 

In een brief over de strubbelingen tussen de stadhouder en de Hollandse regenten, onder meer over de stand van de defensie, schreef Swellengrebel aan Van der Capellen, 2 juli 1784:71

Ondertusschen sal het vertrek van hunnen Directeur Generaal naar sijn Gouvernement aan de Kaap kort opschieten [Van de Graaff vertrok op 28 september 1784]; sie daar een welgeschikt beletsel om in die perquisitie [onderzoek naar de fortificaties] voort te gaan.

Op dat chapitre sijnde: mij is geschreven, dat aldaar door eenige der voornaamste colonisten die sich in de bekende troebelen niet gemêleert hebben en op wie dus de reproche [het verwijt] dat sij hunnen saak niet hadden aangelegd met den verschuldigden eerbied voor hunnen regering, niet kan geworpen worden, een seer gedetailleerd request aan Gouverneur en Raden is gepresenteert, in welk sij het verloop in den staat der colonie aantonen, en de noodsakelijkheid voorstellen om aan den colonisten, soo men hen de middelen tot een eerlijk bestaan wil vergunnen, een meerder vertier hunner producten, dan nu voor een verversching plaats alleen kan vallen, open te stellen, waartoe sij de hoge intercessie hunner Regering bij de Heren Bewindhebberen alhier versoeken. Inter nos, ik heb hen dit reeds overlang aangeraden, en nu het genoegen, dat mijn overgesonden concept niet alleen door de onzijdigen greetig is geemplecteerd [omhelsd], maar ook, dat de Gouverneur het heeft geapprobeerd, en de malcontenten seer mede tevrede sijn. Het is herwaards overgesonden, en sal mij benieuwen, of er geen reflexie op sal geslagen worden; soo niet, moet het publicq worden gemaakt; binnen korten, verneem ik, sal er een Vergadering van Seventienen in 's Hage gehouden worden. Ik moet mij geheel agter het scherm houden, want de piquanterie [stekeligheid] van Boers tegen mij sou alleen genoeg sijn om alle redres te verwerpen, soo ras het bleek dat ik er de hand in had gehadt.

Het gaat hier over een rekest, op 17 februari 1784 door J.M. Cruywagen, H.O. Eksteen de oude, Hendrik Cloete en nog elf Kapenaren ingediend bij Gouverneur en Raden.72 Het ging uitvoerig in op de historische ontwikkeling van de kolonie en huidige economie, waarbij de huidige constitutie [inrichting] met de strikte beheersing door de Compagnie niet meer paste. Alleen vrije handel zou de inwoners een goed bestaan bieden. Rekestranten vroegen Gouverneur en Raden, hun voorstel bij Heren XVII in te dienen. Een "schets" van het rekest, dat een weergave was van het betoog, dat Swellengrebel bijvoorbeeld ook aan Huydecoper zond, had Swellengrebel in juli 1783 aan Hendrik Cloete gestuurd, die er met een groep vooraanstaande landheren en ondernemers, oud heem- en burgerraden sprak, waarop het werd ingediend. De volledige Politieke Raad, onder voorzitterschap van de bezoekend commissaris Hendrik Breton, stuurde het rekest direct door aan Heren Meesteren, bewust van de noodzaak van spoedig redres.73 Breton was al geconfronteerd met de ontevredenheid van de boeren, die weigerden om graan en meel (bestemd voor Batavia) aan de Compagnie te leveren. Hij werd daarop zelfs gedwongen de prijs van 80 op 100 gulden per tien mud te verhogen.74

Het rekest van Cruywagen c.s. was ingeleverd en verzonden voordat de besluiten van Heren XVII naar aanleiding van de Memorie van 1779 aan de Kaap bekend waren. Die vielen, eenmaal aangekomen, bepaald slecht bij de "malcontenten" aan de Kaap. Ze toonden, aldus een "Propositie aan alle waardige Patriotten", dat wij en onse kinderen voortaan als slaven, als lastdieren zullen bestierd worden!75 Ook de reacties van Heren XVII op de Nadere Memorie waren negatief. Vandaar voortgaande ontevredenheid aan de Kaap. Er werden "Representanten en Geconstitueerden" gekozen, een soort permanente vertegenwoordiging, die besloten een beroep rechtstreeks op de Staten Generaal te doen (een Adres werd op 14 december 1784 opgesteld).76 Vier nieuwe Representanten werden geconstitueerd (13 februari 1785), die vervolgens in april 1785 naar Nederland reisden.77

Een van de eerste dagen van 1785 vroeg Swellengrebel aan Van der Capellen:

De Utrechtsche Courant schrijft ... dat bij Holland geconcludeerd was tot het plan van generale redres in de directie der O.Ind.Comp., is dit waar, en weet Uhwg. ook op welken voet dit plan van redres soude sijn? De vriend V[isscher?] vergeet mij geheel, en dus moet ik Uhwg. lastig vallen om iets te weten.78

De pensionarissen De Gyselaar en Van Berckel hadden, ter opvolging van hun plan van oktober 1783, in juni 1784 een Nader Plan tot Redres van de VOC ingediend, dat inderdaad op 30 december 1784 door de Staten van Holland werd aanvaard; het gaf het beheer en de hervorming van de Compagnie de Hoofdparticipanten in handen. Het werd vervolgens de 5e januari 1785 bij de Staten Generaal in gediend. Daar strandde het onder de tegenstand van de Zeeuwen, de Zeeuwse Bewindhebberen en via hen Heren XVII. De Hoofdparticipanten en de Amsterdamse Bewindhebbers kwamen daarop met een voorstel tot instelling van (naast de vier departementen van beheer waarin de bewindhebbers verdeeld waren) een Vijfde Departement, belast met beheer en redres. Het werd bemand met Patriotsgezinde Bewindhebbers, maar werd pas op 1 mei 1786 ingesteld.79

De adressen en rekesten die de Kaapse Patriotten in december 1784 opstelden, bereikten de Staten-Generaal op 10 mei 1785. Swellengrebel was kennelijk dankzij kennissen aan de Kaap op de hoogte van die adressen. Hij schreef op 13 mei 1785:

Volgens een berigt, dat ik te Utrecht heb vernomen door iemand, die naauwe relatie aan de Caap heeft, sitten de saken aldaar nogh in de uiterste wanordre; men was er soo seer bevreesd geweest voor opschuddingen door Buiten Lieden, dat men in de stad patrouilles had doen gaan; de Lieden spraken er, om opnieuws gecommitteerden herwaards te senden, dogt niet aan Bewindhebberen maar direct aan H.H.Mog.[de Staten-Generaal]. Het antwoord, vrese ik, sal hier op sijn: berigt van Bewindhebberen: die of de klagenden sullen condemneren of H.H.Mog. paayen met de expectance op het geen door den nieuwen Gouverneur sal verrigt worden, terwijl op de eerste rapporten van desen Man de informatien, door 's Comps Dienaaren, wier belangens tegen die der Colonisten geopposeerd sijn, gegeven, buiten twijfel veel invloed sullen hebben. Dus voorsie ik niet, dat die Colonie in't kort weder in rust kome, soo sij niet geheel revolteert.

Swellengrebel voegde er een algemene beschouwing aan toe:

Konden wij door onse inwendige constitutie te verbeteren en op een vasten voet te brengen, dus in ruste komen, soude, naar mijn oordeel, de beste hulpmiddel in de lage situatie der Republicq sijn, dat men sig met ernst toeleide op een gepaste uitbreiding der negocie (want soo men hier geen paal of perken houden wil, sou men nogh eer dan sij het lot der Engelschen ondergaan) op eene daar naar geschikte vermeerdering en verbetering onser Fabricquen, en op de voorspoed en bloei onser Colonien, vooral de sodanige daar wij self cultivateurs sijn. Als wij dan het geluk mogen hebben om uit het gedrang der grote Heeren te blijven, sie ik nogh redding voor ons, dogh anders dat wij als een Teringagtige sagtjes sullen afslijten.80

Swellengrebel was al te pessimistisch. De Staten-Generaal vroegen Heren XVII direct om advies. Die waren juist bijeen, en namen deze adressen mee bij de behandeling van de Nadere Memorie van 1782 en de daar op gevraagde reacties. Opnieuw handhaafden Heren XVII hun beleid op hoofdlijnen. Maar de Kapenaren mochten voortaan hun producten vrijelijk verkopen aan passerende schepen (uiteraard nadat de Compagnie eerst voorzien was), en de Compagnie zou het overschot kopen - geen volledige vrije handel dus, maar toch een positieve reactie op het rekest van (Swellengrebel/)Cruywagen/Cloete uit 1784. In de beantwoording van de adressen van december 1784 aan de Staten-Generaal waren Heren XVII nu snel klaar: die waren al behandeld in hun beslissingen naar aanleiding van de Memorie en Nadere Memorie. Dat vonden de Staten-Generaal al te gemakkelijk. De Kaapse representanten hadden bewerkt dat de Staten van Overijssel, Friesland en Utrecht er bij de Staten Generaal op aandrongen op extra aandacht voor de Kaapse klachten.81 Veel leverde dat niet op, evenmin als een volgende adres van de Gecommitteerden aan de Staten-Generaal in april 1786. Alleen de benoeming van een nieuwe Fiscaal-independent werd lopende de discussie over aard en werking van die functie enkele jaren vertraagd.82

Welke preciese rol Swellengrebel in de jaren 1784-1786 achter de schermen speelde in de Kaapse zaken is onbekend. Een paar woorden uit die jaren kunnen een idee geven. Op 4 november 1785 schreef hij aan Van der Capellen: UHGW. schetst de handelwijze der grote Hollanders juist; bijsonder omtrend den O.I. Comp. Maar wat sal een individu als ik? Kan dat een Heer van de Marsch seggen? Hij kan veel en dese saak is sijner vaderlandschen ijver dubbel waardig.

Van Plettenberg, eindelijk gerepatrieerd, werd bij thuiskomst in Leeuwarden geconfronteerd met een forse heffing van de Compagnie als borgstelling voor zijn financiële vereffening. Hij schreef november 1785 aan Swellengrebel dat deze Handelwyze my zoo zeer teegens de borst is, dat byna berouw kryge haar als een eerlyk man te hebben gediend.83 Swellengrebel zal die ontevredenheid gedeeld hebben maar ook hebben gewezen op de hoop op verbetering van de maatschappij. Zoals hij op 12 december 1785 schreef hij aan Hendrik Cloete: Ik geeve de moed niet op, dat er bij tijd en wijle iets goeds voor de Kaap sal kunnen uitgewerkt worden. Ontleende hij dat optimisme aan allerlei publicaties die redres van de VOC voorstonden en contacten met Van der Oudermeulen en andere Bewindhebberen, en de plannen voor het Vijfde Departement?84 Tegelijk vroeg hij Cloete om informatie over allerlei zaken aan de Kaap, want daar mij geen vooruitzigt om mijn vaderland eens weder te komen besoeken overschiet, moest hij zijn kennis wel vergroten door vragen om gegevens.85 Er waren meer relaties, in Nederland zowel aan de Kaap, die hem regelmatig informeerden, maar Cloete's schrijven werden door Swellengrebel bewaard. Onduidelijk is, of Van Plettenberg Swellengrebel op de hoogte hield van wat O.G.de Wet hem in september 1787 uit de Kaap schreef: Men heeft weeten magtig te worden, zo niet alle, ten minsten eenige stukken van de verantwoordingen der dienaren, en wel dezulke die de voornaamste invectives tegens zommige burgers en hunne gehoudene handelwijze bevatten. Deeze, nu onlangs hier aangekomen, hebben die parthije op nieuws verbitterd. Hoe dit tot bedaaren te brengen zal zijn, en of men hier van een goed einde verwagten kan, zal de tijd binnen korten nader moeten leeren.86 En wat maanden later: Alle de geheimste brieven over de burgerlijke zaken, Uw WedGeb. Memorie en de verantwoordingen, ziet men hier thans in druk, tot wat einde dit verstrekken moet is raadselachtig.87

Ongetwijfeld werd Swellengrebels aandacht voor de Kaapse zaken in 1786-1787 herhaaldelijk verdrongen door de ontwikkelingen in de Republiek zelf, waar de tegenstellingen bijna leidden tot een burgeroorlog. In september 1787 herstelden de Pruisen het stadhouderlijk gezag, Verscheiden Patriotse vrienden van Swellengrebel ontvluchtten daarop de Republiek, Van der Capellen bijvoorbeeld, of verloren hun posities, zoals Visscher in Amsterdam. Swellengrebel niet. Hij had zich steeds meer afgekeerd van de radicalen in Utrecht, die hem dan zelfs niet als Patriot beschouwden.88 Hij behield dus na de ommekeer zijn functies en ook het contact met de Compagniestop. Toen na de revolutie [de inval van de Pruisen en het herstel van het gezag van de stadhouder] ín September de zaken alhier weder in hare plooij begonden te komen, heeft men met ernst beginnen te denken aan de Compagnie uit hare netelige omstandigheden te redden, schreef Swellengrebel (misschien zelfs tot zijn verbazing?) eind 1787.89 Er werd zelfs een extra vergadering van Heren XVII belegd op initiatief van de Stadhouder en met name de nieuwe Raadpensionaris, L.P. van den Spiegel. Het resulteerde in een Hollands-Zeeuwse Commissie, van wie Swellengrebel veel verwachtte. In ieder geval werd eindelijk een nieuwe fiscaal aan de Kaap benoemd, baron Van Lynden van Blitterswijk.

Swellengrebels vriend Van der Oudermeulen was een van de vijf leden van die Commissie, die vertraagd door alle omstandigheden echter weinig concreet redres kon invoeren. Er was wrijving tussen de drie instanties met elk eigen visies en belangen, de Commissie, het Vijfde Departement en Heren XVII,90 terwijl Van de Spiegel prioriteit gaf aan de West-Indische Compagnie, die nog groter financiële problemen had. De voor de West gevonden oplossing (naasting door de staat, mei 1791) was nog een stap te ver voor de Oost, zelfs voor het Vijfde Departement, hoewel het na onderzoek hard ingrijpen in de Kaapse financiën en defensie eiste.91

Van der Oudermeulen hield Swellengrebel kennelijk op de hoogte van de Commissie, want in september 1789 gaf Swellengrebel commentaar op een plan van de Commissie om een Commissie-Generaal naar de Oost te sturen. Swellengrebel had twijfels en was er beslist tegen die Commissie-Generaal te doen bestaan uit twee uitgezonden leden en de Gouverneur ter plekke, met name aan de Kaap. Zo'n commissaris moest ongeïnteresseerdheid soo voor geld als voor 't uitoefene van gesag bezitten. Maar mocht men dat verwachten van een betrokken lokale gezaghebber? Van Van de Graaff in ieder geval niet - men had hem een opslag van enkele duizenden guldens gegeven en nog verdeelde hij gunsten en baantjes, ook aan zijn eigen zoon.92 Dat wist men in Amsterdam kennelijk ook, en een jaar later werd Van de Graaff terug geroepen. Blijkbaar hebben beide vrienden overlegd over de opdrachten voor een opvolger. Ook vroeg Van der Oudermeulen aan Swellengrebel of hij kandidaten kende en polste hem zelfs, of hij zelf beschikbaar was voor de functies van commissaris of gouverneur. Swellengrebel reageerde met het opsommen van een reeks moeiten en bezwaren aan die functie verbonden, om te eindigen met: Ik ben soo seer niet geattacheerd aan mijn stil en vergenoegd leven, om mij geheel te onttrekken aan de pligten, die ieder in de maatschappij betaamen, in 't geen ik van nut konde sijn, en oppere daarom geene swarigheden, dan dewelke ik denke, dat in de actuele situatie van dat gouvernement gelegen sijn. En ik wil gaarne aan UwEg. overlaten te beoordelen, of ik, uit geene principes van geldzugt of idele glorie [ijdelheid] om te gebieden agerende, op soodanig voorstel, soolang mij onbewust is, welk systhema de Compagnie genegen is te houden, en welke schikkingen er beraamd sijn, om hier te lande in 't Bewind daarop gestadig te blijven werken, eenig voldoend antwoord kan geven, waarop men een propositie eener commissie soude kunnen bouwen.93 Swellengrebel werd commissaris noch gouverneur.

 

CONTRACT VOOR CONSTANTIA

Hendrik Cloete had in 1779 opgewekt aan Swellengrebel geschreven, dat hij op 11 december 1778 de wijnplaats Groot Constantia gekocht had. Maar al een paar regels verder had hij geklaagd over het specifieke Compagniesverbod op de vrije uitvoer van de Groot Constantiawijnen - zelfs niet een half aamtje als geschenk aan een vriend. Maar Weledele Heer, soude 't mogelijk door UWelEd. voorspraak niet konnen bewerkt worden, dat ik de vrijheijd mogt hebben, jaarlijks 7 à 8 half Aamen, de helft roode en d'andere helft witte Constantiawijnen, na Europa te zenden, mits den transport en verdere ongelden d'E. Comp. Competeerende betaalende?94 Vrije handel was een van de punten van de adressen die de Kaapse Patriotten aan Heren XVII en Staten Generaal hadden ingeleverd en het was het hoofdpunt van Swellengrebels voorstellen tot verbetering van het lot van de Kaapse samenleving. Toen de Compagnie in 1785 enige vrijheid gaf, betekende die voor Cloete dat de Compagnie, naast een forse jaarlijkse verplichte leverantie tegen een prijs die ver onder de Europese opbrengst lag, bereid was alle overige Constantia-wijnen aan te kopen, om die naar Europa te verschepen en daar te verkopen, met tien procent van de extra opbrengst ervan op de Europese markt voor Cloete. Die tien procent werd in 1788 verhoogd tot 25, maar tevreden was Cloete nog niet. Daarom diende hij eind 1788 bij de Compagnie in Kaapstad een voorstel tot fundamentele verandering van het contract over de Constantiawijnen.95

Cloete stuurde Hendrik Swellengrebel een afschrift van het laatste besluit van Heren XVII over zijn Constantiawijnen:

Sie daar vriendlief, daar zijn de beginsele van onse Caapse verdrukkinge ... als men deese hierbij leggende Copia Extract van d'Heere Majores sub dato den 8 Januari 1788 bedaart naleest, sal men ras ontwaaren dat het een Caabse uijtvinding is.96

Ook stuurde hij een duplicaat van zijn rekest met bijlagen,

waar uyt UWelEd. omtrend mij de wijze van handelen ten Claarste sal sien, dat is de vooruytsiende beloning, doen ik en mijn famielie de Caapse patriotte altoos zoodanig teegen sprak, dat wij niet zeeker in hun geelschap meer dorste coomen, Ja Jaaren en daagen de buyten venduties ook daarom heb moete meijde. Wij zulle ons vervolgens vermits niet beeter tegemoet siwen, maar bij de groote smeulende Troep houden. ...Na vriendelijke groete onser alle, die sig door Godts goetheid vris en gesont, dog gans niet vergenoegt over de gesogte Teranique wijse van handele nopens de Constantia wijnen bevind.97

Cloete vroeg Swellengrebel zijn invloed uit te oefenen bij Heren XVII, als het even kon samen met Adriaan van Schoor, de voormalige dispensier aan de Kaap, Jan Serrurier, een vorige eigenaar van Groot Constantia, en Daniel Beeckman, een voormalige secretaris van schepenen te Batavia, nu allen woonachtig in Nederland. Swellengrebel aanvaardde dit verzoek. Hij raadpleegde Van Plettenberg, Van Schoor en Serrurier en trok naar Amsterdam, om bij gelegenheid van de najaarsvergadering van Heren XVII, oktober 1789, zijn relaties daar aan te klampen. De Bewindhebber Van der Oudermeulen bijvoorbeeld, zelfs de Eerste Advocaat, S.C. Nederburgh.

Swellengrebel ontdekte al snel, dat Cloetes rekest geen succes zou hebben. Vrije handel was nog steeds een taboe en aan de verplichte leverantie aan de Compagnie was niet te tornen. Maar Swellengrebel meende wel te bespeuren, dat onderhandelingen over de feitelijke, practische uitvoering wel degelijk iets konden opleveren. Hij stelde daarom Cloete voor, een brief aan de Eerste Advocaat te sturen, zonder eisen en principiële standpunten maar wel een verzoek om een gesprek over zijn contract; en hij bood aan, die brief (een concept stuurde hij mee!) zelf te overhandigen aan Nederburgh en toe te lichten en die onderhandelingen te voeren. Cloete weigerde, hield zich bij zijn rekest en kon daarvan met geen mogelijkheid afzien.98 Swellengrebel betreurde dat, want: Ik vreese dat onse vriend uit sijne generale principes van gesupponeerde equiteit [veronderstelde billijkheid] en de Heren Bewindslieden wat te favorabel naar sich toe redeneert ... terwijl echter de Comp. sich altijd een meer bysonder recht toegeeigend heeft op de Constantia-wijnen dan op de andere wijnen.99 Cloete heeft nooit een volledige vrije uitvoer verworven, maar toen hij in 1793 in gesprek ging over zijn contract met S.C. Nederburgh, die toen aan de Kaap was als Commissaris Generaal, deed hij dat in de geest van Swellengrebel: niet met principes, maar practische problemen en wensen. Het contract dat hij vervolgens sloot, benaderde het ideaal: nadat hij eerst dertig amen Constantiawijnen aan de Compagnie had geleverd, was hij vrij in de verkoop en uitvoer van zijn verdere productie.100 Swellengrebels reactie is niet bewaard gebleven.

 

BIBLIOGRAFIE

Baartmans, Jacques. 2010. Robert Jasper baron van der Capellen tot den Marsch (1743-1814). Regent, democraat en huisvader. Hilversum.         [ Links ]

Beyers, C. 1967. Die Kaapse Patriotte gedurende die laaste kwart van die agtiende eeuw en die voortlewing van hul denkbeelde. Pretoria.         [ Links ]

Böeseken, A.J. 1944. Die Nederlandse kommissarisse en die 18de eeuse samelewing aan die Kaap. Argiefjaarboek vir Suid-Afrikaanse geskiedenis dl 7. Kaapstad.         [ Links ]

Cruywagen, W.A. 2007. Die Cruywagens van Suid-Afrika 1690-1806. Vanderbijlpark.         [ Links ]

Deutz, J. 1783. Proeve over de Middelen die tot beschreminge van de zeevaart en Koophandel. 's-Gravenhage.         [ Links ]

Harris, S. 2007. Table Valley Market Gardens. Cape Town: VASSA.         [ Links ]

Kaapsche Stukken. 1785. Staten-Generaal.         [ Links ]

Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken. 1790.         [ Links ]

Schutte, G.J. 1971. Johannes Henricus Redelinghuys, een revolutionaire Kapenaar. Suid-Afrikaanse Historiese Joernaal, 3: 49-62.         [ Links ]

Schutte, G.J. 1974. Nederlandse patriotten en de koloniën. Groningen.         [ Links ]

Schutte, G.J. 1982. Briefwisseling van Hendrik Swellengrebel Jr oor Kaapse sake 1778-1792. Kaapstad.         [ Links ]

Schutte, G.J. red. 2003. Hendrik Cloete, Groot Constantia en die VOC 1778-1799. Kaapstad: Van Riebeeck Vereniging dl II.         [ Links ]

Schutte, G.J. 2018. Hendrik Swellengrebel in Afrika. Journalen van drie reizen in 1776-1777. Kaapstad.         [ Links ]

Theeuwen, P.J.H.M. 2002. Pieter 't Hoen en de Post van den Neder-Rijn (1781-1787). Hilversum.         [ Links ]

Van Dulm, F.J. 2012. 'Zonder eigen gewinne en glorie'. Mr. Iman Wilhelm Falck. Hilversum.         [ Links ]

Van Hardenbroek, G.J. 1901-1918. Gedenkschriften. Amsterdam.         [ Links ]

 

 

 

G.J. SCHUTTE is emeritus hoogleraar geschiedenis van het Nederlands protestantisme aan de Vrije Universiteit Amsterdam en Professor Extraordinarius aan het Departement Geschiedenis, Universiteit van Suid-Afrika. Hij studeerde en promoveerde aan de Universiteit van Utrecht en doceerde tot 2005 moderne en contemporaine geschiedenis aan de Vrije Universiteit. Zijn specialismen zijn de geschiedenis van de Verenigde Oostindische Compagnie, van het calvinisme en van de Nederlands - Zuid-Afrikaanse betrekkingen. De Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns verleende hem in 2006 de Stalsprys vir Geskiedenis. Zijn meest recente publicaties zijn Seer teder beminde Heer Vader en Vrouw Moeder! Brieven van de Groninger familie Fockens in de Oost, 1748-1783 (2014), Op de zolders van de Keizersgracht. Nederlands - Zuid-Afrikaanse geschiedenissen (2014); hij verleende medewerking aan de uitgave van de Bronnen betreffende Kerk en School in de goevernementen Ambon, Ternate en Banda ten tijde van de VOC, 1605-1791 (2015, 6 banden).
G.J. SCHUTTE is Professor Emeritus of the history of Dutch Protestantism at the Vrije Universiteit Amsterdam, and Professor Extraordinarius, Department of History, Unisa. He obtained his PhD at Utrecht University and up to 2005 taught modern and contemporary history at the VUA. The history of the VOC, of Calvinism and of the Dutch - South-African relations are areas of his special interest. In 2006 he was awarded the Stals Prize for History by the South African Academy for Science and Arts. His latest books are Seer teder beminde Heer Vader en Vrouw Moeder! Brieven van de Groninger familie Fockens in de Oost, 1748-1783 (2014), Op de zolders van de Keizersgracht. Nederlands - Zuid-Afrikaanse geschiedenissen (2014) and co-editor of Bronnen betreffende Kerk en School in de goevernementen Ambon, Ternate en Banda ten tijde van de VOC, 1605-1791 (2015, 6 vols).
1 G.J. Schutte, Hendrik Swellengrebel in Afrika. Journalen van drie reizen in 1776-1777 (Kaapstad 2018).
2 G.J. Schutte, Briefwisseling van Hendrik Swellengrebel Jr oor Kaapse sake 1778-1792 (Kaapstad 1982), 49; C. Beyers, Die Kaapse Patriotte gedurende die laaste kwart van die agtiende eeu en die voortlewing van hul denkbeelde (Pretoria 1967), 25 citeert de uitnodiging, gedateerd 23.6.1778. Johan Jacob Schröder/Schreuder (overl. 1806, gehuwd met Johanna Meyn, uit Veere, pachter van de buitenlandse bier- en wijnlicentie. Schröder was kennelijk eigenaar van Domburg, de naam van de Tuyn Domburg in de stadswijk De Tuinen; in 1800 was eigenaar G.Mulder met Opgaaf van 3 000 wijnstokken, een knecht, 11 slaven en ossen, paarden en varkens (Opgaaf C A J38 b. 412. IN S. Harris, Table Valley Market Gardens (Cape Town: VASSA 2007) 48; met dank aan Dr Dan Sleigh).
3 G.J.Schutte, Nederlandse patriotten en de koloniën (Groningen 1974), hfk IV. Het betrokken pamflet was Kn.18414 [Elie Luzac] Het gedrag der Stadhoudersgezinden, verdedigt door Mr.A.v.K. Rechtsgeleerden (1754), opgenomen in Beyers, Kaapse Patriotte, Bylae A.
4 De oud-burgerraad en boer-zakenman Jacobus van Reenen (-1794), oud-burgerluitenant Barend Jacob Artoys (hij ging studeren in Leiden en vestigde zich als advocaat in Nederland), Tieleman Roos, boer en zakenman, Nicolaas Godfried Heyns.
5 Kaapse Stukken [Gedrukt op last der Staten-Generaal, 1785, 4 dln], I, 29-72, ook Beyers, Kaapse patriotte, 32-59.
6 Ryk le Sueur (1767-1822), zoon van J.J. le Sueur; hij zou rechten gaan studeren en woonde daarna als advocaat in Kaapstad.
7 Swellengrebel aan Van Plettenberg, 3.11.1779 in Schutte, Briefwisseling, 89.
8 Swellengrebel beschreef deze fase in brieven aan Van Plettenberg en W.C. Boers (Schutte, Briefwisseling, 89-94).
9 Extract Resoluties Heren XVII 22.10.1779, in Kaapsche Stukken IV, 102.
10 Boers tegen Swellengrebel: Schutte, Briefwisseling, 91; Boers over 'Americaanschen Geest' in een brief uit 4.3.1780 aangehaald in Schutte, De Nederlandse Patriotten, 64.
11 H. Swellengrebel aan R.J. van der Capellen tot de Marsch, 10.5.1782(Gelders archief, Arnhem. Collectie Van der Capellen, Inv. nr 547 Brieven van H. Swellengrebel). Robert Jasper baron van der Capellen tot den Marsch was lid van de Ridderschap en Staten van Gelre; zie over hem Jacques Baartmans, Robert Jasper baron van der Capellen tot den Marsch (1743-1814). Regent, democraat en huisvader (Hilversum 2010).
12 G.J. van Hardenbroek, Gedenkschriften (Amsterdam 1901-1918, 6 dln) III, 517.
1 Schutte, Briefwisseling, 95.
14 Secrete missive van Heren XVII aan Van Plettenberg, 10.11.1780 (NA, VOC KA 438)
15 Schutte, Briefwisseling, 95.
16 Schutte, Briefwisseling, 110 Van Plettenberg aan Swellengrebel,7.3.1780.
17 J.A. van Plettenberg aan Heren XVII, 22.4.1780: 'sullende intusschen alle mogelijke voorsorge aanwenden, dat alles vermijd worde, waar door de onvergenoegtheid sou kunnen worden aangeset ... moet betuigen sig niet te durven fleijen van na genoegen te sullen slaegen in de herstelling van het vertrouwen tusschen Burgers en Compasgnies dienaeren ... voor het uitwendige thans alles redelijk vreedsaam toegaat; dog sulx toegeschreeven .... aan de onseekerheid ... den uitslag der bij de hand genomene Maatregulen ... dan wel aan eene onderlinge overeenkomst ... om als Lieden van Een Lighaam het algemeene Welsijn deeser Volkplanting gesamentlijk te behartigen'.(NA, Collectie Van Plettenberg).
18 Van Plettenberg, 'Consideratien, Kaapsche Stukken', III, Litt. A 6
19 Heren XVII aan Van Plettenberg, 23.10.1779 (Kaapsche Stukken, IV, Bijlage 13, 136). Van Plettenberg wees Swellengrebel op die opdracht in Plettenberg aan Swellengrebel 12.5.1780 (Schutte, Briefwisseling, 119-120).
20 Kaapsche Stukken, III, 66; ook J.A. van Plettenberg aan Heren X II, 1.4.1782 (Collectie Van Plettenberg)
21 Van Plettenberg, 20.3.1782, in Kaapsche Stukken, III, 88-89.
22 Overzicht van rekesten in Beyers, Kaapse Patriotte, 76-79.
23 Beyers, Kaapse Patriotte, 78-80.
24 NA, KA 438 Secrete missive van Heren XVII, 24.4.1782, vergelijk idem 18.5.1782.
25 Van dat verloren gegaan schrijven aan Van Plettenberg kennen we alleen een reactie van Van Plettenberg: Van Plettenberg aan Swellengrebel, 7.3.1780, in Schutte, Briefwisseling, 107-108.
26 Swellengrebel aan J.J. le Sueur, 17.9.1780, in Schutte, Briefwisseling, 131.
27 Swellengrebel aan J. Deutz, mei 1782, in Schutte, Briefwisseling, 143. Deutz was directeur van de Societeit van Suriname en verwerkte Swellengrebels inzichten in een voorstel voor directe vaart en handel tussen Suriname en de Kaap, zie Kn. 20381 [J. Deutz], Proeve over de Middelen die tot beschreminge van de zeevaart en Koophandel ('s-Gravenhage 1783). Soortgelijke verwoordingen in Swellengrebel aan Van der Oudermeulen, medio 1782, in Schutte, Briefwisseling, 148-150.
28 Swellengrebel aan Van der Capellen, 25.9.1781.
29 Swellengrebel aan Van der Capellen, 5.1.1782.
30 Swellengrebel aan Van der Capellen, 29.6.1782.
31 Van Hardenbroek, Gedenkschriften, III, 518
32 Van Hardenbroek, Gedenkschriften, III, 542, 4 juni 1782.
33 Swellengrebel aan Van der Capellen, 13.8.1782.
34 Baartmans, Van der Capellen, 68-70.
35 Swellengrebel aan Van der Capellen, 2.3.1783.
36 Van Hardenbroek, Gedenkschriften, IV, 475; uitvoerige discussie in de brieven van Swellengrebel aan Van der Capellen.
37 Swellengrebel aan Van der Capellen, 23.5.1783.
38 Van Hardenbroek, Gedenkschriften, IV, 491.
39 Van Hardenbroek, Gedenkschriften, III, 544; IV, 610.
40 Van Hardenbroek, Gedenkschriften, IV 531.
41 Resolutie Heren XVII, 16.6.1783 (Kaapsche Stukken, IV, 114).
42 Swellengrebel aan C. de Gijselaar, 26.6.1783, in Schutte, Briefwisseling, 151-180.
43 Schutte, Briefwisseling, 158.
44 Swellengrebel aan W. van Irhoven van Dam 19.7.1783 in Schutte, Briefwisseling, 181-184.
45 Swellengrebel aan H. Cloete 7/8.8.1783 in Schutte, Briefwisseling, 196.
46 Gulielmus (Guillaume, Willem) Titsingh (1733-1805); Jan Elias Huydecoper van Maarseveen (1733-1808). Het college van Participanten (aandeelhouders) was vertegenwoordigd in vergadering van Heren XVII.
47 Als Boekhouder was Titsingh op de hoogte van de bedragen die mensen als D.H. Staring, W.C.Boers, A. van Schoor overbrachten naar Nederland.
48 J.N.S. van Lynden van Blitterswijk (1738-1798) werd in 1787 Fiscaal aan de Kaap, geraakte in allerlei kwesties en ontvluchtte de Kaap in 1791.
49 Cornelis Jacob van de Graaff (1734-1812), genie-officier, luitenant-kolonel en directeur-generaal van het beheer van de fortificaties in het gewest Holland.
50 A.S. van der Hoop (1740-1793), Bewindhebber sinds 1770; hij werd in 1786 lid van het Vijfde Departement bij de VOC.
51 Otto Willem Falck (1738-1814), getrouwd te Kaastad met Angela Apollonia Bergh; voormalig hoofd van het VOC-kantoor in Patna, woonde in Utrecht. Hij werd in 1786 lid van het Vijfde Departement (Schutte. Nederlandse Patriotten, 54). De genoemde neef was Iman Wilhelm Falck (1756-1785), sinds 1765 gouverneur van Ceylon (zie voor hem F.J. van Dulm, 'Zonder eigen gewinne en glorie'. Mr. Iman Wilhelm Falck. Hilversum 2012).
52 Guill. Titsingh aan J.E. Huydecoper, Amsterdam 30.9.1783 (UVA, Collectie Huydecoper. Inv.2.1.28 nr 514)
53 N. Faas aan J.E. Huydecoper, Amsterdam 1.10.1783 (Collectie Huydecoper. Inv. nr 514). Nicolaas Faas (1736-1795), regent Amsterdam.
54 B.M. Pous (1744-1791), Zeeuwse regent en Bewindhebber vanaf 1765.
55 Pieter van Bleiswijk (1724-1790).
56 G. Titsingh aan J.E. Huydecoper, Amsterdam ?.10.1783.
57 Swellengrebel aan De Gijselaar, met Consideratien, 22.5.1783, in Schutte, Briefwisseling, 151-180.
58 Aangehaald uit Boers' defensie (Kaapsche Stukken III, 94-167) in Schutte, De Nederlandse Patriotten, 66.
59 Van Hardenbroek, Gedenkschriften, IV, 645. Met name Hoofdparticipant Huydecoper van Maerseveen was voor benoeming van Swellengrebel.
60 Van Hardenbroek, Gedenkschriften, IV, 224.
61Advies van de Juridische Faculteit te Leiden. In dato 18 Augustus 1783 (Te bekoomen: Te Amsterdam ....; en Utrecht, G.T. Paddenburgh). Boers tegenstander was Jan Smith Jurriaansz, die bezwaar maakte tegen een eerdere schikking van een overtreding.
62 Swellengrebel aan Van der Capellen, 30.10.1783.
63 Resolutie Heren XVII 3 december 1783, in Kaapsche Stukken IV, 115-128; Beyers, Kaapse Patriotte, 71-75.
64 Heren XVII aan Gouverneur en Raden, 5.12.1783 in Kaapsche Stukken, IV, 147-174.
65 NA, VOC en Collectie Van Plettenberg 1: Secrete Resolutie van Heren XVII 3.12.1783 en Secrete Missive van Heren XVII aan Gouverneur en Raden Kaap, 5.12.1783. Indirect uitten Heren XVII door deze bepaling (in een Secrete missive Heren XVII aan Gouverneur Van Plettenberg, 5.12.1783, ook in Kaapsche Stukken, IV, 154) een negatief oordeel over het optreden van W.C. Boers in de kwestie-Buitendagh.
66 Swellengrebel aan Van der Capellen, 20 .4.1784.
67 Swellengrebel aan J.E. Huydecoper, 8.4.1784 in Schutte, Briefwisseling, 205-209.
68 Van Plettenberg was getrouwd met Cornelia Charlotte Feith (1744-1812), eerder getrouwd met de Raad van Indië Louis Taillefert, die winstgevende functies vervuld had als Directeur van Suratte en Bengalen.
69 Van de Graaff heeft later geschreven dat verscheiden Bewindhebbers hem op het hart drukten dat zijn belangrijkste opdracht was de beroerde Burgeren weder tot calmte en in rust en tot eenigheid te brengen, en alle klachten toch te doen ophouden, zo dat mooglijk was (Schutte, Nederlandse patriotten, 84).
70 Swellengrebel aan Huydecoper, april 1784, in Schutte, Briefwisseling, 213-216.
71 Swellengrebel aan Van der Capellen, 2.7.1784.
72 Resolutie Raad van Politie Kaap 17.2.1784; Kaapsche Stukken, IV, 90-96, ook in Beyers, Kaapse Patriotte, 323-329. Jan Meijndert Cruywagen (1722-1791) was een rijke handelaar; zie voor hem W.A. Cruywagen, Die Cruywagens van Suid-Afrika 1690-1806 (Vanderbijlpark 2007) hfk 6; H.O. Eksteen (1722- ) x 1744 Martha Berthault de St. Jean.
73 Vergelijk Swellengrebel aan Cloete, 7/8.8.1783 in Schutte, Briefwisseling, 197-201.
74 A.J. Böeseken, Die Nederlandse kommissarisse en die 18 eeuse samelewing aan die Kaap (Argiefjaarboek vir Suid-Afrikaanse geskiedenis dl 7; Kaapstad 1944) 163.
75 Seer nadrukkelijke Propositie, d.d. 28 Augustus 1784, in Beyers, Kaapse Patriotte, Bylae C. Ook in Post van den Neder-Rhijn XI nr 522 (1986) p. 501-514
76 Beyers, Kaapse Patriotte, bylae D.
77 De Representant van 1779 B.J. Artoys had zich permanent gevestigd in de Republiek; Tieleman Roos was 1780 in Nederland overleden; een Missive van Heren XVII aan Gouverneur en Raden, 8.12.1781 meldde dat Jac. van Reenen en N.G. Heyns toestemming hadden om op een neutraal schip te repatrieren - en wij zeggen U nogmaals dat niemand om zijn verklaringen onaangenaam mag worden behandeld. Van Reenen mocht een scheepslading koopwaren meenemen (Kaapsche Stukken, IV, 107). De nieuwe Representanten waren: 1. Marthinus Adrianus Bergh (1747-1806, zoon van O.M. Bergh, secretaris van de Politieke Raad), 1773-1778 landdrost van Stellenbosch en Drakenstein, zijn vrouw Catharina Cornelia de Waal bleef aan de Kaap, en Bergh kwam pas in 1800 terug aan de Kaap; 2. Johannes Roos (1750-1829), Stellenbosch, zoon van de Representant Tielman Roos; hij reisde 1785 naar Nederland met zijn vrouw, die daar overleed, hij keerde 1791 naar de Kaap; 3.Johannes Henricus Redelinghuys (1756-1802), onderwijzer, aannemer, zijn vrouw Johanna Hermina de Vries overleed in Nederland, evenals Redelinghuys; zijn tweede vrouw Maria Marosee is na zijn dood naar de Kaap gegaan; zie voor zijn rol in de Nederlandse Bataafse omwenteling in 1795 G.J. Schutte, 'Johannes Henricus Redelinghuys, een revolutionaire Kapenaar', Suid-Afrikaanse Historiese Joernaal 3(1971) 49-62; 4.Johannes Augustus Bresler (1762- ) x 1780 Anna Christina Immelman.
78 Swellengrebel aan Van der Capellen, 4.1.1785.
79 Schutte, Nederlandse Patriotten, 51-54; P.J.H.M. Theeuwen, Pieter 't Hoen en de Post van den Neder-Rijn (1781-1787) (Hilversum 2002) 475.
80 Swellengrebel aan Van der Capellen 13.5.1784.
81 Beyers, Kaapse Patriotte, 96-98.
82 Beyers, Kaapse Patriotte, 102-107; Schutte, Nederlandse Patriotten, 68-70.
83 Van Plettenberg aan Swellengrebel, 26.11.1785 in Schutte, Briefwisseling, 218.
84 Zie voor publicaties Schutte, Nederlandse Patriotten, 82-87, 236; [C. van der Oudermeulen], Iets dat tot voordeel der Deelgenooten van de OIC (Amsterdam 1785); C. van der Oudermeulen aan Swellengrebel, 1.8.1786 (Schutte, Briefwisseling, 224).
85 Swellengrebel aan Cloete, 12.12.1785 in Schutte, Briefwisseling, 220.
86 O.G.de Wet aan J.A. van Plettenberg, 15.9.1787 (Collectie Van Plettenberg. Inv. nr 20). In een brief van 14.9.1787 aan S.C. Nederburgh schreef C.J. van de Graaff over 'een lasterstuk' over hem in de Hollandsche Historische Courant van 13 maart 1787 en op 27.2.1788 over de vrees, dat de aankomst van alle gedrukte stukken tot nieuwe moeilijkheden zullen opleveren (NA, Collectie Nederburgh. Inv.nr 157). Een overzicht van de publicaties over de Kaap: Schutte, Nederlandse Patriotten, 70-87.
87 O.G.de Wet aan J.A. van Plettenberg, 6.1.1788 (Collectie Van Plettenberg. Inv.nr 20).
88 De Post van den Neder-Rhijn. Bijlage XXIII (juni 1787) 106.
89 Swellengrebel aan P.H. Gilquin, Hoofd van de Artillerie aan de Kaap, 29.12.1787 (Schutte, Briefwisseling, 238).
90 Eerste Advocaat S.C. Nederburgh schreef maart 1789 aan gouverneur C.J. van de Graaff, dat hij (Van de Graaff) de verdrietigheden die hij de afgelopen anderhalve jaar van Bewindhebbers had moeten doorstaan, waren vooral het gevolg van het Vijfde Departement. 'Dat Departement doet, so als het thans is ingerigt, veel kwaad en in de directie, en aan het crediet van de Compagnie. Er word op een lage wijze veel gewerkt om dit product van het patriottismus te behouden, waar tegen Bewindhebberen zig sterk verzetten; den uitslag is nog niet te prognosticeeren, dog dezelve kan voor 's Compagnies welzijn gewigtige gevolgen hebben, en de plaats hebbende onzekerkeid maakt dat genien, welker werkzaamheid voor de Compagnie van veel nut zouden kunnen zijn, sig gesloten houden, niet verkiezendende sig aan de doldriftige censure van een so hatelijk Departement bloot te stellen'. (Collectie Nederburgh. Inv. Nr 157). Een meer genuanceerd oordeel gaf Van de Spiegel: het Vijfde Departement schijnt niet te voldoen, de harmonie in het bestuur is er niet door verminderd ('Idees omtrent de OIC', 18.3.1788, in NA, Collectie G.K. van den Hogendorp, no 144).
91 Memorie van Falck, Craeyvanger en Scholten, in Nieuwe Nederlandsche Jaarboeken 1790.
92 Swellengrebel aan Van der Oudermeulen 20.9.1789 (Schutte, Briefwisseling, 273-275). Heren XVII hadden Van de Graaffs hoge salaris al in december 1786 vergroot met 750 guldens (NA, VOC Secrete Missive Heren XVII aan Van de Graaff 28.12.1786). Ook zijn zoon S.W. en oomzegger H. van de Graaff waren in dienst van de Compagnie aan de Kaap.
93 Swellengrebel aan Van der Oudermeulen,ongedateerd (Schutte, Briefwisseling, 275).
94 Cloete aan Swellengrebel, 15.1.1779 in Schutte, Briefwisseling, 59-60.
95 Deze paragraaf is gebaseerd op G.J. Schutte ed., Hendrik Cloete, Groot Constantia en die/and the VOC 1778-1799 (Van Riebeeck Vereniging dl II, 34; Kaapstad 2003).
96 Cloete aan Swellengrebel 10.3.1789 (Schutte, Hendrik Cloete, 62).
97 Cloete aan Swellengrebel, 10.3.1789 (Archief Swellengrebel).
98 Cloete aan Swellengrebel, 7.5.1790 in Schutte, Hendrik Cloete, 224.
99 Swellengrebel aan A. van Schoor 1790 in Schutte, Hendrik Cloete, 230.
100 Schutte, Hendrik Cloete, 252-254.

Creative Commons License Todo o conteúdo deste periódico, exceto onde está identificado, está licenciado sob uma Licença Creative Commons