SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.56 issue1The interactive approach to reading instruction: an alternative to traditional ways of teaching readingOns ongehoorde soort: beskouings oor die Werk van Antjie Krog - Louise Viljoen author indexsubject indexarticles search
Home Pagealphabetic serial listing  

Services on Demand

Article

Indicators

Related links

  • On index processCited by Google
  • On index processSimilars in Google

Share


Tydskrif vir Geesteswetenskappe

On-line version ISSN 2224-7912
Print version ISSN 0041-4751

Tydskr. geesteswet. vol.56 n.1 Pretoria Mar. 2016

http://dx.doi.org/10.17159/2224-7912/2016/v56n1a8 

NAVORSINGS- EN OORSIGARTIKELS

 

Over lexicale voorkeuren in de alternantie tussen de "skoon bysin" en de "dat-bysin": Een distinctieve collexeemanalyse*

 

On lexical preferences in the alternation between the skoon bysin "bare complement clause" and the dat-bysin "that-complement clause": A distinctive collexeme analysis

 

 

Timothy CollemanI; Ilse FeinauerII; Charlotte BraeckeveldtIII

IUniversiteit Gent Vakgroep Taalkunde België
IIDept. Afrikaans en Nederlands Universiteit Stellenbosch E-pos: Timothy.Colleman@UGent.be
IIIDept. Afrikaans en Nederlands Universiteit Stellenbosch E-pos: E-pos: aef@sun.ac.za

 

 


SAMENVATTING

Het is bekend dat de variatie in het hedendaagse Afrikaans tussen (i) de complementzin met bijzinsvolgorde en het onderschikkend voegwoord dat en (ii) de zgn. "skoon bysin" zonder voegwoord en met hoofdzinsvolgorde onder meer bepaald wordt door lexicale factoren: de skoon bysin zou vooral voorkomen na matrixzinnen met sê, dink, glo, hoop of een ander (hoog frequent) werkwoord van communicatie of cognitie (zie bv. Malherbe 1966; Feinauer 1990; Bosch 1999). Empirisch onderzoek naar de lexicale voorkeuren van allerlei matrixwerkwoorden voor deze of gene constructie is echter nog nauwelijks voorhanden. In deze bijdrage wordt aan de hand van een distinctieve collexeemanalyse (Gries & Stefanowitsch 2004) nagegaan welke werkwoorden een significante voorkeur vertonen voor de dat-bijzin dan wel de skoon bysin in een corpus hedendaags journalistiek taalgebruik. We vergelijken de resultaten met de bevindingen van Van Rooy & Kruger (2016) en formuleren enkele voorzichtige conclusies over de semantische subtypes van werkwoorden die wel en niet worden aangetrokken tot de constructie met een skoon bysin.

Kernwoorden: : Afrikaans, syntaxis, woordvolgorde, complementzin, bijzinsvolgorde, hoofdzinsvolgorde, dat-weglating, matrixwerkwoord, lexicale voorkeur, distinctieve collexeemanalyse


ABSTRACT

It is well-known that the alternation in current Afrikaans between (i) the complement clause with dependent word order and an overt complementiser dat ("that"), and the so-called skoon bysin "bare complement clause" without an overt complementiser and with independent word order is determined inter alia by lexical factors. The bare complement clause is said to occur particularly after main clauses with ("say"), dink ("think"), glo ("believe") and similar high-frequency verbs. However, not much empirical research into the preferences of various matrix verbs for the one or the other construction has been done.
This article is aimed at identifying, by means of a distinctive collexeme analysis (Gries & Stefanowitsch 2004), the verbs that show a significant preference for either the dat-complement clause or the bare complement clause in a corpus of general journalistic text. We selected 180 test verbs: 76 verbs were taken from Braeckeveldt (2013) and 104 verbs were added to this corpus, mainly from Van Rooy and Kruger (2016). These verbs were all manually analysed and the observed frequencies extrapolated, using all available articles of Die Burger for the period 02/01/2003 to 01/05/2003, in total 6,3 million words. We identified 27 distinctive collexemes for the bare complement clause, i.e. verbs which show a significantly above-average preference for this construction, vs. 59 distinctive collexemes for the dat-complement clause.
When we compare the results ofthe collexeme analysis with thefindings of Van Rooy and Kruger (2016) on the effect of the variable matrix verb, the similarities are greater than the differences. This indicates that the lexical preferences of verbs are quite solid: generally the same verbs are attracted to either the bare complement clause or the dat-clause in different corpora of present-day written Afrikaans. Distinctive collexeme analysis can be seen as an exploratory technique that can yield hypotheses about the semantic variables potentially playing a role in a specific alternation. The results from the quantitative analysis allow for a number of generalisations about the semantic sub-types of verbs attracted towards the bare complement clause or towards the dat-clause. For instance, causative matrix verbs consistently show a strong preference for the dat-clause: five of the ten most distinctive dat-collexemes belong to this type (sorg ("provide"), veroorsaak ("cause"), toelaat ("allow"), meebring ("cause/involve"), keer ("prevent")). The distinctive collexemesof the bare complement clause, by contrast, almost all belong to the semantic classes of verbs of communication (e.g. ("say"), vertel ("tell"), laat weet ("let know")) and, especially, verbs of cognition (e.g. dink ("think"), glo ("believe"), meen ("think", "mean"), besef ("realise"), weet ("know")), including the closely related sub-class ofverbs ofperception (sien ("see"), hoor ("hear"), voel ("feel")).
With this article, we wanted to present empirical data on the lexical preferences of a large and heterogeneous set of matrix verbs for either the bare complement clause or the dat-clause, with a view to refining existing views on the exact kinds of verbs attracted to both constructions, and, hence, on the semantic variables that can be included in multifactorial work on the alternation in question. In future research, it would also be interesting to compare the semantic variables co-determining the alternation in Afrikaans to those that potentially play a role in other (Germanic) languages with an alternation between "ordinary" complement clauses and complement clauses displaying main clause characteristics such as different word order and/or the absence of a complementiser (e.g. English, German, Danish).

Key words: Afrikaans, syntax, word order, complement clause, subordinate clause word order, main clause word order, dat-deletion, matrix verb, lexical preference, distinctive collexeme analysis


 

 

1. INLEIDING

In gebruiksgebaseerde ("usage-based") en probabilistische taalkundige theorieën wordt ervan uitgegaan dat er allerlei interacties bestaan tussen lexicale en grammaticale keuzes: tot de talige kennis van sprekers behoort onder andere gedetailleerde informatie over de neiging van specifieke lexicale items om samen voor te komen met specifieke grammaticale constructies - en niet, of relatief minder vaak, met andere grammaticale constructies die nochtans in theorie ook mogelijk waren geweest (zie o.m. Goldberg 1995, 2006; Wasow & Arnold 2003; Bresnan 2007; Bybee 2010). Zo is, om een paar voorbeelden te geven uit verschillende talen:

(i) in het Nederlands bij de transitieve werkwoorden als pakweg bezorgen en gunnen de kans op het gebruik van de dubbelobjectconstructie met een nominaal indirect object veel groter dan die op het gebruik van de constructie met een prepositioneel indirect object, terwijl dat bij werkwoorden als pakweg afstaan en verkopen precies andersom is (Colleman 2009);

(ii) in het Zweeds de combinatie van het koppelwerkwoord vara ("zijn") met het perifrastische futurum ska ("shall") veel waarschijnlijker dan de combinatie van vara met ska's concurrent komma att ("come to") (Hilpert 2008);

(iii) in het Engels de kans op een relatiefzin zonder het voornaamwoord that veel groter na substantieven als pakweg way of time dan na substantieven als pakweg people of stuff (Wasow, Jaeger & Orr 2011).

De drie voorbeelden komen niet alleen uit verschillende talen, ze betreffen ook heel verschillende fenomenen - resp. de keuze tussen twee argumentstructuur-constructies, de keuze tussen twee perifrastische constructies voor de uitdrukking van toekomende tijd, en de aan- of afwezigheid van een relativiseerder - zodat we mogen concluderen dat lexicale effecten optreden in uiteenlopende grammaticale domeinen. Een methode die vaak gebruikt wordt om zulke lexicale effecten op te sporen, is distinctieve collexeemanalyse (Gries & Stefanowitsch 2004), een techniek die deel uitmaakt van een bredere verzameling van zgn. "collostructionele" methoden die allemaal dienen om de mate van aantrekking na te gaan tussen lexicale items en de constructies waarin ze voorkomen, of tussen verschillende lexicale items die voorkomen in één en dezelfde constructie (zie verder ook nog o.m. Stefanowitsch & Gries 2003, 2005; Gries 2012; Stefanowitsch 2013). In deze bijdrage wordt de methode toegepast op de alternantie in het hedendaagse Afrikaans tussen (1a) de constructie met een complementzin met bijzinsvolgorde (SXV) en ingeleid door de complementeerder dat en (1b) de constructie met hoofdzinsvolgorde (SVX) en zónder dat (zie daarover onder meer Malherbe 1966; Ponelis 1979: 440-442; Feinauer 1989, 1990; Bosch 1998, 1999; Biberauer 2002; Stell 2011; Kruger & Van Rooy 2015 en ook Van Rooy & Kruger 2016). Het onderzoek is gebaseerd op een uitgebreide en verbeterde versie van de materiaalverzameling van de Gentse masterscriptie van Braeckeveldt (2013), die daarmee ter beschikking komt van de bredere onderzoeksgemeenschap.

(1) a. Sy het 'n ruk lank uitgegaan en het by haar terugkoms ontdek dat die hut afgebrand het. (Die Burger 14/03/2003)

b. Hy was net 26 toe Ludwig van Beethoven ontdek hy begin doof word. (Die Burger 19/04/2003)

In wat volgt verwijzen we, in overeenstemming met de gangbare Nederlandse en algemeen-taalwetenschappelijke terminologie, naar de afhankelijke zin met of zonder dat als complementzin en naar de hoofdzin waarvan die complementzin afhangt als matrixzin. Het zinswerkwoord van de hoofdzin is het matrixwerkwoord. Naar de complementzin in (1a) verwijzen we in wat volgt als de volle bijzin of dat-bijzin, de complementzin in (1b) noemen we, met een Afrikaanse term van Ponelis (1979: 440), de skoon bysin.1In alle aangehaalde voorbeelden staat de complementzin in cursief en het matrixwerkwoord in vetjes. In (informeel) gesproken Afrikaans komt nog een derde constructie voor, nl. een dat-bijzin met hoofdzinsvolgorde, zie daarover o.m. Feinauer (1989). In het geschreven Standaardafrikaans is de frequentie van die derde constructie echter verwaarloosbaar klein, zodat we er in dit bestek niet verder op ingaan (zie ook Van Rooy & Kruger 2016).2

De bijdrage is als volgt opgebouwd. Eerst geeft paragraaf 2 een overzicht in vogelvlucht van de bestaande literatuur over de variatie tussen de volle bijzin en de skoon bysin, met bijzondere aandacht voor bestaande hypothesen over de rol van het matrixwerkwoord als factor in die variatie. Daarna worden de werkwijze en de resultaten van het corpusonderzoek gepresenteerd in paragraaf 3 en worden de geobserveerde lexicale voorkeuren nader besproken in paragraaf 4. Paragraaf 5 vat de belangrijkste conclusies van het onderzoek samen.

 

2. DE SKOON BYSIN VS. DE VOLLE BIJZIN

Het is algemeen aanvaard dat de variatie in (1) onder andere lexicaal bepaald is. Op basis van eigen introspectie en/of van frequentietellingen in corpora geven verschillende auteurs een lijstje van matrixwerkwoorden die vaak voorkomen met een skoon bysin. Zo merkt Malherbe (1966:13) op dat de skoon bysin vooral voorkomt bij belowe, besef, beteken, beweer, bewys, dink, droom, help, hoor, onthou, reken, skat, sweer, toon, uitvind, verbeel, verdra, verneem, verwag, vind, voel en weet - een lijstje dat met instemming wordt geciteerd in Bosch (1999:11). Donaldson (1991:277) zegt dat weglating van dat vooral gewoon is na werkwoorden zoals beweer, dink, glo, hoop, sê, vertel, vertrou, voel, vrees, weet en wil hê en Feinauer (1990:118) noemt weet, glo, dink, sien, meen, verstaan, hoor, vertel, wens en skat. Hoewel die lijstjes verschillen in de details, tekent er zich een duidelijk algemeen beeld af: de skoon bysin komt vooral voor bij hoogfrequente, semantisch "neutrale" of "algemene" werkwoorden van communicatie en cognitie, terwijl meer formele en laagfrequente werkwoorden met een gespecialiseerdere betekenis de constructie met een dat-bijzin verkiezen, al is de skoon bysin ook daarbij niet helemaal uitgesloten. Volgens Feinauer (1990:117) komt in de constructie met een skoon bysin het semantische zwaartepunt op de complementzin te liggen, vandaar dat we die vooral aantreffen na "semanties minder dominante" matrixzinnen: zo is in (2) de skoon bysin veel gewoner in de (a)- dan in de (b)-zin, want "[d]ie hoofsin se semantiese waarde [in 2b] is hoër as dié van [2a], bloot deur die gebruik van die werkwoord stamel"; zie ook Kruger en Van Rooy (2015) voor vergelijkbare opmerkingen over de lagere thematische prominentie van de matrixzin in de constructie met een skoon bysin.3

(2) a. Hy hy kan nie hoor nie / dat hy nie kan hoor nie.

b. Hy stamel hy kan nie hoor nie / dat hy nie kan hoor nie.

Die hypothese van hogere vs. lagere semantische prominentie is ook bekend uit de uitgebreide literatuur over de weglating van de complementeerder that in Engelse complementzinnen, waarin al vaak is gesignaleerd dat that het vaakst wegblijft na matrixzinnen met hoogfrequente en semantisch algemene werkwoorden als think, say, know, enz. en waarin dat in verband wordt gebracht met de pragmatische functie van zulke zinnen als inleidende epistemische formules veeleer dan als onafhankelijke hoofdzinnen (zie o.m. Bolinger 1972; Thompson & Mulac 1991; Dor 2005; Boye & Harder 2007; Torres Cacoullos & Walker 2009; Wulff et al. 2014).

Er is echter weinig of geen empirisch onderzoek voorhanden naar de kwestie welke individuele werkwoorden nu de grootste voorkeur voor de skoon bysin of voor de volle bijzin vertonen. In deze bijdrage worden de lexicale voorkeuren van een grote groep van werkwoorden voor de skoon bysin of de dat-zin systematisch onderzocht a.d.h.v. een distinctieve collexeemanalyse. De resultaten van de analyse zullen in detail worden vergeleken met de bevindingen van Van Rooy en Kruger (2016), die het matrixwerkwoord meenemen als een van de onafhankelijke variabelen in een multifactoriële studie van de variatie tussen de dat-bijzin en de skoon bysin.

 

3. DISTINCTIEVE COLLEXEEMANALYSE: WERKWIJZE EN RESULTATEN

3.1 Materiaalverzameling

Als corpus gebruikten we de verzamelde artikelen uit de jaargang 2003 van de krant Die Burger die digitaal beschikbaar zijn via http://www.koerantargiewe.media24.com. Die Burger is een groot Afrikaanstalig dagblad met redactiekantoren in de West-Kaap en de Oost-Kaap, dat als kwaliteitskrant een relatief formeel register van geschreven Standaardafrikaans hanteert. De materiaalverzameling voor Braeckeveldt (2013) verliep in twee grote fasen. Om er zicht op te krijgen welke matrixwerkwoorden (frequent) voorkomen met een complementzin, werden eerst met behulp van de concordantiemodule van Wordsmith Tools (Scott 2012) alle voorkomens van de woordvorm dat opgezocht in een sample van ongeveer 6,5 miljoen woorden tekst, nl. alle beschikbare artikelen voor de periode 15/07/2003 tot 31/10/2003. Dat leverde 37409 treffers op, die manueel werden gecontroleerd om alle zinnen te verwijderen waarin dat niet als voegwoord werd gebruikt: na die filtering bleven 17192 voorbeelden van complementzinnen met dat over, gecombineerd met 332 verschillende matrixwerkwoorden (zie Braeckeveldt 2013:87-93 voor de volledige lijst). Daaruit werden alle werkwoorden geselecteerd met een geobserveerde frequentie van minimaal 50 voorkomens met een dat-bijzin, 76 werkwoorden in totaal. Die drempel van 50 is uiteraard volkomen arbitrair, de enige bedoeling was om een hanteerbare set samen te stellen van werkwoorden waarvan aangenomen mocht worden dat ze voldoende vaak voorkomen met een complementzin om geschikt te zijn voor de tweede fase van het onderzoek. In die tweede fase werden voor de 76 geselecteerde werkwoorden alle voorkomens van hun verschillende woordvormen opgezocht in een ander corpussample, van vergelijkbare omvang - nl. alle beschikbare artikelen voor de periode 02/01/2003 tot 01/05/2003, samen goed voor 6,3 miljoen woorden tekst. De resultaten van die automatische zoekopdrachten werden manueel doorgenomen om alle voorkomens te identificeren van zowel de constructie met een dat-bijzin als de constructie met een skoon bysin, wat uiteindelijk 9046 voorkomens van de skoon bysin opleverde en 5129 voorkomens van de dat-bijzin (zie Braeckeveldt 2013:21-22).

Voor de huidige studie werd die materiaalverzameling op drie manieren uitgebreid en gecorrigeerd. Ten eerste werden nog 104 matrixwerkwoorden toegevoegd, zodat de uiteindelijke set van testwerkwoorden uit 180 items bestond. Die bijkomende werkwoorden komen vooral uit Van Rooy en Kruger (2016), die eveneens eerst via een zoekopdracht naar dat een lij st samenstelden van matrixwerkwoorden die een complementzin kunnen krijgen, maar die (i) daarvoor een ander corpus gebruikten, nl. het Taalkommissiekorpus4 en (ii) uit de resultaten 104 werkwoorden selecteerden "verteenwoordigend van die volle omvang van werkwoordfrekwensie", dus opzettelijk inclusief een aantal laagfrequente werkwoorden. Voor alle werkwoorden uit die set van 104 die nog niet in de set van Braeckeveldt (2013) zaten, werden op dezelfde manier als hierboven beschreven alle voorkomens uit het materiaal uit Die Burger geëxtraheerd en manueel geanalyseerd. Bovendien werden aan de lijst nog een aantal matrixwerkwoorden toegevoegd die genoemd worden bij Malherbe (1966), Feinauer (1990) en Bosch (1999). We beperkten ons daarbij wel tot werkwoorden waarbij een complementzin kan voorkomen als (direct) object: werkwoorden als bv. ontgaan, blyk en volg werden niet opgenomen, omdat de complementzin daarbij als subject fungeert - zoals onder meer opgemerkt in Feinauer (1990:117) is de weglating van dat in subjectzinnen minder gebruikelijk dan in objectzinnen.5

Een tweede wijziging t.o.v. Braeckeveldt (2013) is dat voor de scheidbaar samengestelde werkwoorden ook alle treffers werden opgezocht waarin het partikel en het basiswerkwoord gescheiden voorkomen, aan de hand van automatische zoekopdrachten met WordSmith naar alle voorkomens van het partikel in kwestie in combinatie met een vorm van het basiswerkwoord binnen een maximale afstand van 5 woorden naar links of naar rechts. Ten derde bleek bij een controle op de frequenties in Braeckeveldt (2013) dat voor een vijftiental werkwoorden de gerapporteerde totalen niet klopten, om niet geheel reconstrueerbare redenen (wellicht omdat daarvoor een verkeerde corpusselectie was gebruikt). Voor die werkwoorden werd de analyse overgedaan om tot betrouwbare frequenties te komen. Voor heel frequente werkwoorden werden willekeurige samples van 500 voorkomens (voor werkwoorden met een totale frequentie tussen 1000 en 3000) of 1000 voorkomens (voor werkwoorden met een frequentie van meer dan 3000) manueel geanalyseerd en werden de geobserveerde frequenties geëxtrapoleerd, zodat we een betrouwbare schatting kregen van de totale frequenties van de skoon bysin en de dat-bijzin met de werkwoorden in kwestie in het corpus - voor de distinctieve collexeemanalyse is het nl. van belang dat we zicht hebben op de totale frequenties van de twee alternerende constructies in het gebruikte corpus (cf. infra).

Een aantal werkwoorden uit de lijst bleken in het geheel niet voor te komen met een complementzin in het gebruikte corpus: hoofdzakelijk laagfrequente werkwoorden zoals bv. deklameer, snap, terugkap of wink, maar ook een aantal werkwoorden die an sich nog relatief frequent zijn maar waarbij het direct object blijkbaar uiterst zelden de vorm van een complementzin aanneemt, zoals bereik en protesteer. 140 verschillende werkwoorden kwamen wel een of meerdere keren voor met een dat-bijzin en/of een skoon bysin. Uiteindelijk werden in totaal 13994 voorkomens van de constructie met een dat-bijzin geteld tegenover 17868 voorkomens van de skoon bysin: over alle testwerkwoorden heen, komt de skoon bysin dus voor in iets meer dan de helft van de gevallen (56,1 procent). Appendix A geeft een gedetailleerd overzicht van de geobserveerde frequenties die dienden als input voor de collexeemanalyse; die tabel vervangt de overzichtstabel in Braeckeveldt (2013:21-22).

3.2 Resultaten van de distinctieve collexeemanalyse

Distinctieve collexeemanalyse richt zich altijd op een bepaald slot in twee (of meer) alternerende constructies, in dit geval dus het V-slot van de matrixzin waarvan de dat-bijzin of skoon bysin afhangt als (direct) object. Op basis van een statistische evaluatie van (i) de frequenties waarmee allerlei lexicale items voorkomen in het betreffende slot van de alternerende constructies in een corpus en (ii) de overkoepelende verhouding tussen die alternerende constructies in dat corpus, wordt berekend welke lexicale items een significante voorkeur hebben voor één van de concurrerende constructies, d.w.z. bij welke items de geobserveerde distributie significant (p < .05) verschilt van de distributie die verwacht mocht worden op basis van de totale verhouding tussen de twee constructies in het corpus. Als significantietoets wordt meestal de Fisher-Yates-Exact-test gebruikt, al komen in principe ook andere associatiematen in aanmerking (zie Gries 2012 voor nadere toelichting). De significant aangetrokken lexicale items worden distinctieve collexemen genoemd en ze kunnen worden gerangschikt naar de mate van aantrekking tot een van de twee (of meer) alternerende constructies door de p-waarde van de Fisher-Yates-Exact-test als maat te gebruiken: hoe kleiner de p-waarde, hoe sterker het werkwoord in kwestie is aangetrokken tot de betreffende constructie.

De toepassing van een distinctieve collexeemanalyse op de geobserveerde frequenties in Appendix A, met behulp van het R-script voor collostructionele analyse van Gries (2007), levert 12 distinctieve collexemen op voor de skoon bysin, die in (3) worden opgesomd in dalende volgorde van distinctiviteit. Daarnaast blijken maar liefst 88 matrixwerkwoorden significant aangetrokken te zijn tot de dat-constructie.

(3) sê, meen, dink, glo, wil hê, hoop, weet, reken, voel, wens, beweer, sweer

Het grote verschil tussen de beide aantallen collexemen valt te verklaren door de bijzondere distributie van de alternerende constructies. Hierboven merkten we op dat de skoon bysin tekent voor 56% van het totale aantal complementzinnen in de materiaalverzameling. Nadere inspectie van de geobserveerde frequenties in Appendix A toont echter dat dat lichte kwantitatieve overwicht in belangrijke mate wordt veroorzaakt door de bijzonder sterke voorkeur voor de skoon bysin van sê, dink en meen, de drie meest frequente werkwoorden in de materiaalverzameling, waarbij de skoon bysin goed is voor resp. 95, 90 en 87 procent van het totale aantal complementzinnen. Geen enkel ander matrixwerkwoord komt bij die scores in de buurt.6 De resultaten van het onderzoek leveren dus een duidelijke bevestiging voor het belang van frequentie als sturende parameter in de variatie: in overeenstemming met de bevindingen van Van Rooy en Kruger (2016), treffen we de sterkste voorkeur voor de skoon bysin aan bij de werkwoorden die het frequentst worden gecombineerd met een complementzin.

Als we die drie topwerkwoorden niet in rekening brengen, dan zakt de totale frequentie van de skoon bysin tot 6406 en die van de dat-bijzin tot 13130, dat is respectievelijk 32.76 en 67.24 procent van de gevallen, dus een veel schevere verhouding. We voerden de distinctieve collexeemanalyse opnieuw uit met die aangepaste totalen. Dat is een enigszins ongebruikelijke ingreep, die echter vanuit gebruiksgebaseerd perspectief goed te motiveren valt. Distinctieve collexeemanalyse houdt rekening met de totale frequenties van de alternerende constructies net omdat ervan wordt uitgegaan dat sprekers probabilistische kennis bezitten over de waarschijnlijkheid waarmee beide constructies voorkomen in het reële taalgebruik: om werkelijk distinctief te zij n, moet een bepaald lexicaal item niet gewoon significant vaker dan in 50 procent van de gevallen in één van de twee constructies voorkomen, maar significant vaker dan op basis van de overkoepelende verhouding (die zelden fifty-fifty is) verwacht mocht worden. Echter, sê, meen en dink komen zoveel vaker voor met een skoon bysin dan andere matrixwerkwoorden dat we ons kunnen afvragen of ze nog veel invloed hebben op de mentale representatie van de relatieve frequenties van de skoon bysin en de dat-bijzin in het algemeen: in gebruiksgebaseerde theorieën wordt ervan uitgegaan dat hoogfrequente vertegenwoordigers van een categorie als afzonderlijke units zitten opgeslagen in het geheugen en in mindere mate bijdragen tot de cognitieve verankering ("entrenchment") van de categorie als zodanig (zie o.m. Bybee 2010:33-56 en de referenties daar). Als abstractie wordt gemaakt van sê, dink en meen, dan is de kans op een dat-bijzin gemiddeld dubbel zo groot als de kans op een skoon bysin: dat betekent dat een werkwoord waarbij de skoon bysin goed is voor pakweg de helft van de gevallen zich daarmee eigenlijk al onderscheidt van het "gemiddelde" alternerende werkwoord. Door in de collexeemanalyse geen rekening te houden met de treffers van sê, meen en dink, zal een dergelijk werkwoord inderdaad worden herkend als een werkwoord dat vaker dan verwacht voorkomt met een skoon bysin. Omgekeerd moet een werkwoord op die manier significant vaker dan in twee derde van de gevallen voorkomen met een dat-bijzin om te mogen gelden als werkwoord met een bovengemiddelde voorkeur voor die constructie. De belangrijkste resultaten van de collexeemanalyse met de aangepaste totalen worden gepresenteerd in Tabel 1. Het aantal distinctieve collexemen van de skoon bysin loopt op tot 24, zie de rechterkolom van de tabel; met de toppers sê, meen en dink erbij, hebben we dus in totaal 27 werkwoorden geïdentificeerd die een lexicale voorkeur vertonen voor de skoon bysin. Het aantal collexemen van de dat-bijzin loopt terug tot 59: de linkerkolom van Tabel 1 geeft daarvan enkel de 25 meest distinctieve, zie Appendix B voor de volledige lijst. We volgen in Tabel 1 de conventie van later collostructioneel werk om als maat van distinctiviteit niet de p-waarde van de Fisher-Yates-Exact-test zelf maar een negatieve logaritmische transformatie daarvan te rapporteren, zodat die scores makkelijker te interpreteren zijn: hoe groter de waarde, hoe sterker de aantrekking. In de volgende paragraaf worden de bevindingen van de collexeemanalyse verder besproken.

 

 

4. DISCUSSIE

Er zijn uiteraard een aantal methodologische verschillen tussen onze studie en die van Van Rooy en Kruger (2016). Het huidige onderzoek is niet multifactorieel, zodat we niet kunnen uitsluiten dat sommige van de geobserveerde lexicale effecten geheel of gedeeltelijk voortvloeien uit andere variabelen. Daartegenover staat dat in het huidige onderzoek meer matrixwerkwoorden zijn opgenomen en dat de collexeemanalyse twee gerangschikte lijsten van collexemen als output geeft, zodat een fijnmaziger beeld kan ontstaan van de lexicale voorkeuren en hun sterkte.

Als we de resultaten van de collexeemanalyse vergelijken met de bevindingen van Van Rooy en Kruger (2016) over het effect van de variabele matrixwerkwoord, dan zijn de overeenkomsten duidelijk groter dan de verschillen. De meeste werkwoorden die Van Rooy en Kruger (2016) opsommen in hun lijstjes (8) en (10) - d.w.z. de groepen van werkwoorden die, op twee verschillende plaatsen in de classificatieboom, de waarschijnlijkheid van de skoon bysin sterk doen toenemen -komen terug bij de distinctieve collexemen in de rechterkolom van Tabel 1. Bij de werkwoorden met een zo goed als categorische voorkeur voor de dat-bijzin in de dataverzameling van Van Rooy en Kruger (2016), opgesomd onder (9) in hun artikel, zitten naast een groot aantal laagfrequente werkwoorden die in ons corpus niet of nauwelijks voorkomen met een complementzin ook allerlei werkwoorden die terugkomen in de linkerkolom van Tabel 1 of verderop in de lijst van distinctieve collexemen van de dat-bijzin. Nergens zijn de resultaten echt tegenstrijdig, d.w.z. er is geen enkel werkwoord dat in de data van Van Rooy en Kruger (2016) een voorkeur vertoont voor de dat-bijzin maar in onze test geklasseerd wordt bij de significante collexemen van de skoon bysin of andersom. Dat wijst erop dat de lexicale voorkeuren van allerlei werkwoorden behoorlijk robuust zijn: in verschillende corpora van hedendaags geschreven Standaardafrikaans (het Taalkommissiekorpus in het onderzoek van Van Rooy & Kruger 2016, een krantencorpus met materiaal uit Die Burger 2003 voor het huidige onderzoek) zijn het grotendeels dezelfde werkwoorden die worden aangetrokken tot de skoon bysin of de dat-bijzin (wat overigens niet wegneemt dat er registerver-schillen kunnen optreden, zie hieronder). Onze set van testwerkwoorden bevatte naast de 104 werkwoorden uit het onderzoek van Van Rooy en Kruger (2016) nog 76 andere werkwoorden, waarvan er uiteraard ook verschillende behoren tot de twee reeksen van significant aangetrokken werkwoorden. Een aantal voorbeelden van werkwoorden waarvan de lexicale voorkeur nog niet eerder empirisch was vastgesteld, zijn sorg, veroorsaak, beskuldig, meebring, verwag, enz. bij de dat-collexemen en meen, hoop, beweer, besef, wil hê, reken, berig, enz. bij de collexemen van de skoon bysin. Het valt niet uit te sluiten dat sommige van die werkwoorden vooral in hetjournalistieke taalgebruik frequent voorkomen met de dat-bijzin of de skoon bysin. Zo laat Bertus van Rooy (persoonlijke communicatie) weten dat meen, dat niet voorkwam in de testset van Van Rooy en Kruger (2016), in het Taalkommissiekorpus vooral in de component krantentaal met een skoon bysin voorkom, terwijl het in andere registers op het eerste gezicht slechts zelden een complementzin als object krijgt. Mogelijk zijn er nog andere werkwoorden waarbij de sterkte van het gemeten effect samenhangt met de keuze voor een corpus krantentaal (zie ook noot 8 verderop).

Het is uiteraard ook interessant om het niveau van de individuele werkwoorden te verlaten en op zoek te gaan naar generalisaties. Collexeemanalyse wordt het best gezien als een exploratieve techniek, die hypothesen kan opleveren over de semantische variabelen die potentieel een rol spelen in de alternantie - variabelen die dan in toekomstig onderzoek kunnen worden meegenomen in een multifactoriële test. Van Rooy en Kruger (2016) namen ook een onafhankelijke variabele "semantische categorie van het matrixwerkwoord" op in hun model, waarvoor vijf klassen werden onderscheiden, nl. "kommunikasieproses", "mentale proses", "wyse van kommunikasieproses", "waarborg" en "andere", hoofdzakelijk voortbouwend op een voorstel van Dor (2005) voor het Engels (cf. infra). Die variabele bleek echter een statistisch onbeduidende rol te spelen. De vraag is dan ook of er op basis van de output van de distinctieve collexeemanalyse misschien andere semantische generalisaties mogelijk zijn: vallen er groepjes van werkwoorden aan te wijzen met een gemeenschappelijk betekenismoment die een consistente voorkeur aan de dag leggen voor de skoon bysin dan wel de dat-bijzin?

Een eerste vaststelling in dat verband is dat causatieve werkwoorden een consistent sterke voorkeur vertonen voor de dat-bijzin: vijf van de tien meest distinctieve dat-collexemen zijn van dat type (sorg, veroorsaak, toelaat, meebring en keer), verderop in de lijst volgen onder meer nog toesien, voorkom, bydra en verhoed. Verhagen (2005:141-149) wijst er in zijn constructiegramma-ticale analyse van (Nederlandse) complementzinnen al op dat causatieve werkwoorden verschillen van andere types van matrixwerkwoorden doordat ze moeilijk als "mental-space builders" kunnen worden beschouwd. Terwijl matrixzinnen met allerlei werkwoorden van communicatie en cognitie zoals zeggen, beweren, denken, geloven, enz. in de meerderheid van de gevallen fungeren als een instructie aan de hoorder om de inhoud van de complementzin - die het zwaartepunt van de mededeling vormt - vanuit een bepaald perspectief te zien (d.w.z., in plaats van als een verslag van een situatie waarin iemand iets zegt of denkt), benoemen matrixzinnen met werkwoorden als zorgen, maken, voorkomen, enz. wel degelijk causatieve gebeurtenissen. In het Nederlands correspondeert het semantisch-pragmatische verschil tussen de twee niet met formele verschillen zoals de aan- of afwezigheid van het voegwoord dat of hoofdzins- vs. bijzinsvolgorde, maar de parallellie met de bestaande hypothesen over that-deletie in het Engels en de skoon bysin in het Afrikaans is duidelijk: het ligt niet voor de hand om een complementzin die afhangt van een causatief zinswerkwoord als semantisch dominant voor te stellen, vandaar de sterke voorkeur voor de dat-bijzin bij werkwoorden als sorg, veroorsaak, enz. voor de dat-bijzin Toch moet worden opgemerkt dat de skoon bysin bij causatieve werkwoorden niet volkomen uitgesloten is: verschillende van de bovengenoemde werkwoorden komen wel degelijk ook een of twee keer voor met de skoon bysin in het corpus. (4) is een geobserveerd voorbeeld met sorg.

(4) Daarom is dit verblydend dat die baanopsigter, AD Carter, alles in sy vermoë doen om te sorg dinge verloop Dinsdag vlot. (Die Burger 13/03/2003)

Dor (2005) formuleert een algemene semantische hypothese over that-deletie in het Engels: dat verschijnsel kan enkel optreden bij "epistemische" werkwoorden, d.w.z. werkwoorden "which entail that a cognitive agent ... has made an epistemic claim concerning the truth of the proposition denoted by the embedded clause" (p. 347). In de praktijk zijn dat werkwoorden die een speech act benoemen zoals say, tell, claim, enz., werkwoorden van cognitie zoals believe, think, conclude, enz. en uitzonderlijk ook "manner-of-speaking"-werkwoorden zoals scream, yell en whisper. Bij allerlei andere werkwoorden is that verplicht.

We laten in het midden of er in het Engels inderdaad zo'n categorische semantische beperking is, maar in het Afrikaans is dat in elk geval niet zo. Hierboven zagen we al dat zelfs bij causatieve werkwoorden uitzonderlijk een skoon bysin kan voorkomen, onder (5) geven we nog een paar voorbeelden met andere matrixwerkwoorden die niet impliceren dat iemand beweert (of ontkent, gelooft, ontdekt, enz.) dat een propositie waar is. Echter, in zulke gevallen is de skoon bysin wel relatief zeldzaam: de werkwoorden in (5) behoren tot de distinctieve collexemen van de dat-bijzin - al volgen ze wel wat verder in de ranglij st dan de hierboven genoemde causatieve werkwoorden. Nog andere dat-collexemen die niet behoren tot de werkwoorden van communicatie of cognitie zijn ooreenkom, waarborg en behels. Blijkbaar speelt het verschil tussen "epistemische" en andere werkwoorden dus wel degelijk een rol in de alternantie, al is er dan geen categorische beperking.

(5) a. Die hofbevel bepaal Metrorail moet alle stappe doen wat redelikerwys moontlik is om "behoorlike en voldoende veiligheidsdienste" te voorsien. (Die Burger07/02/2003)

b. Die Kiwi's se sege oor die Windies Donderdag in Port Elizabeth was nie vir Suid-Afrika 'n goeie uitslag nie. Dit beteken Nieu-Seeland is nou terug in die prentjie. (Die Burger 15/02/2003)

Merk op dat sommige van die werkwoorden - waaronder in elk geval bepaal en beteken, en ook de meeste causatieve werkwoorden - relatief vaak een onbezield subject krijgen, zoals in (5). Ook bij werkwoorden als bewys, verklaar en bevestig, die eveneens behoren tot de dat-collexemen, is het subject niet noodzakelijk bezield. Van Rooy en Kruger (2016) nemen in hun statistisch model wel de vorm (voornaamwoord of lexicale NP) en de persoon van het subject op als onafhankelijke variabelen, maar geen semantische variabelen zoals de bezieldheid van de subjectreferent: het zou de moeite waard zijn om in toekomstig onderzoek ook die variabele te testen.

De distinctieve collexemen van de skoon bysin behoren wel (zo goed als) allemaal tot de werkwoorden van communicatie of van cognitie, inclusief de daarbij aansluitende werkwoorden van waarneming sien, hoor en voel.7 In dat verband is het nog interessant om even nader in te gaan op een opmerking van Bolinger (1972) over Engels decide die wordt aangehaald in Dor (2005:359360). Decide kan gebruikt worden als een epistemisch werkwoord waarvan de betekenis aanleunt bij realize en understand en dan kan that wegblijven (bv. Why didn t you take the job? - I decided I was too old). Echter, als het gebruikt wordt om een situatie te benoemen waarin "the deciding agent has the power or authority to change reality simply by making the decision" (Dor 2005:360), dan is that verplicht aanwezig (bv. Yesterday the Supreme Court decided *(that) wiretaps must stop). In Tabel 1 staan drie verschillende Afrikaanse werkwoorden die kunnen dienen als vertaalequivalent van decide : daarvan behoren besluit en beslis allebei tot de distinctieve collexemen van de skoon bysin, en inderdaad worden die werkwoorden vaak gebruikt om situaties te benoemen waarin iemand op grond van bepaalde overwegingen tot een conclusie komt, zoals in (6) hieronder. Bepaal echter, dat enkel de "objectieve" betekenis heeft - beter geglost als "stipuleren, vastleggen" dan als "tot de conclusie komen" - behoort tot de distinctieve collexemen van de dat-bijzin.

(6) Williams het gesê met die telling op 1-4 het sy besluit sy wil nie meer balle mis nie en graag die wedstryd wen. (Die Burger 18/01/2003)

De epistemische werkwoorden vormen op zich natuurlijk een heterogene categorie. Kruger en Van Rooy (2015) suggereren dat werkwoorden van communicatie relatief vaker een voorkeur voor de dat-bijzin hebben dan werkwoorden van cognitie: "Verbs that do not allow omission, or generally prefer the full form, tend to be more formal, low-frequency verbs, with a higher incidence of communication verbs". Dat lijkt te kloppen: sterker zelfs, het geldt niet enkel voor laagfrequente werkwoorden, want bij de distinctieve dat-collexemen zitten ook allerlei werkwoorden van communicatie die wel degelijk relatief frequent zijn, zoals beskuldig, vra, ontken, verseker, aandring, versoek, eis, aanbeveel, beklemtoon, voorstel, enz. De enige werkwoorden van cognitie in de top-25 in de linkerkolom van Tabel 1 zijn verwag, aanvaar en voorsien (in sommige van zijn gebruikswijzen, voorsien kan ook als causatief werkwoord worden gebruikt, verwant aan sorg). Andersom zijn bij de distinctieve collexemen van de skoon bysin de werkwoorden van cognitie duidelijk in de meerderheid. De relevante generalisatie lijkt te zijn dat vooral werkwoorden die een neutrale mededeling benoemen een voorkeur hebben voor de skoon bysin: sê, beweer, berig, getuig, vertel, laat weet8Het enige niet-neutrale communicatiewerkwoord in de rechterkolom is sweer, maar de voorkeur van dat werkwoord voor de skoon bysin lijkt vooral op het conto te komen van de min of meer vaste formules Ek sweer en Jy/'n Mens sou sweer. De communicatiewerkwoorden onder de dat-collexemen daarentegen, benoemen vooral (zij het niet uitsluitend) andere types van communicatieve gebeurtenissen: vragen/verzoeken (vra, eis, versoek, aandring), ontkenningen (ontken), bevelen/suggesties (beveel, aanbeveel, voorstel) en diverse minder neutrale mededelingen (beskuldig, beklemtoon, kla). Bij de communicatiewerkwoorden lijkt het voor de alternantie tussen de dat-bijzin en de skoon bysin dus een rol te spelen welk soort speech act benoemd wordt.

 

5. SLOT

De belangrijkste doelstelling van dit artikel was om empirische data aan te leveren over de lexicale voorkeuren voor de skoon bysin dan wel de dat-bijzin van een grote en diverse groep matrixwerkwoorden. De generalisaties in de vorige paragraaf blijven uiteraard relatief aan de oppervlakte, al hebben ze wel een aantal hypothesen opgeleverd over semantische variabelen die kunnen worden meegenomen in toekomstig onderzoek: zo is het aan te bevelen om de causatieve werkwoorden als een afzonderlijke klasse te beschouwen en bij de werkwoorden van communicatie een onderscheid te maken tussen verschillende soorten speech acts, en ook zou het de moeite waard zijn om het effect van de variabele [+/- bezieldheid van het matrixsubject] systematisch te testen. We hopen dat deze bijdrage zal aanzetten tot verder empirisch onderzoek naar de lexicale en semantische variabelen die de alternantie tussen de skoon bysin en de dat-bijzin mee bepalen en naar de overeenkomsten en verschillen met de variabelen die vergelijkbare alternanties beregelen in andere (Germaanse) talen, zoals that-deletion in het Engels maar bv. ook het voorkomen van complementzinnen met hoofdzinsvolgorde in het Duits (Auer 1998) en in het Deens (Jensen & Christensen 2013).

 

BIBLIOGRAFIE

Auer, P. 1998. Zwischen Parataxe und Hypotaxe: "Abhängige Hauptsätze" im gesprochenen und geschriebenen Deutsch. Zeitschrift für Germanistische Linguistik, 26(3):284-307.         [ Links ]

Biberauer, T. 2002. Verb second in Afrikaans: Is this a unitary phenomenon? Stellenbosch Papers in Linguistics, 34:19-69.         [ Links ]

Bolinger, D. 1972. That's that. Den Haag: Mouton.         [ Links ]

Boye, K. & Harder, P. 2007. Complement-taking predicates: Usage and linguistic structure. Studies in Language, 31(3):569-606.         [ Links ]

Bosch, B. 1998. Die onderskikker dat: 'n Korpus-gebaseerde bespreking (Deel 1). South African Journal of Linguistics, 16(4):120-126.         [ Links ]

Bosch, B. 1999. Die onderskikker dat: 'n Korpus-gebaseerde bespreking (Deel 2). South African Journal of Linguistics, 17(1):2-15.         [ Links ]

Braeckeveldt, C. 2013. De skoon bysin in Afrikaanse krantentaal: Voorkomen en parameters. Ongepubliceerde MA-scriptie. Gent: Universiteit Gent.         [ Links ]

Bresnan, J. 2007. Is syntactic knowledge probabilistic? Experiments with the English dative alternation. In Featherston & Sternefeld (eds). Roots: Linguistics in search of its evidential base. Berlin: Mouton De Gruyter, pp. 77-96.         [ Links ]

Bybee, J. 2010. Language, usage and cognition. Cambridge: Cambridge University Press.         [ Links ]

Colleman, T. 2009. Verb disposition in argument structure alternations: A corpus study of the Dutch dative alternation. Language Sciences, 31: 593-611.         [ Links ]

Donaldson, B.C. 1991. The influence of English on Afrikaans. Second edition. Pretoria: Academica.         [ Links ]

Dor, D. 2005. Toward a semantic account of that-deletion in English. Linguistics, 43(2):345-382.         [ Links ]

Feinauer, A.E. 1989. Plasing in Afrikaanse af hanklike sinne. Suid-Afrikaanse Tydskrif vir Taalkunde, 7(1):30- 37.         [ Links ]

Feinauer, A.E. 1990. Skoon afhanklike sinne in Afrikaanse spreektaal. Suid-Afrikaanse Tydskrifvir Taalkunde, 8(3):116-120.         [ Links ]

Goldberg, A.E. 1995. Constructions: A Construction Grammar approach to argument structure. Chicago: University of Chicago Press.         [ Links ]

Goldberg, A.E. 2006. Constructions at work: The nature of generalization in language. Oxford: Oxford University Press.         [ Links ]

Gries, S.Th. 2007. Coll.analysis 3.2a. A script for R to compute collostructional analyses.         [ Links ]

Gries, S.Th. 2012. Frequencies, probabilities, association measures in usage-/exemplar-based linguistics: some necessary clarifications. Studies in Language, 36:477-510.         [ Links ]

Gries, S.Th. & Stefanowitsch, A. 2004. Extending Collostructional Analysis: A corpus-based perspective on "alternations". International Journal of Corpus Linguistics, 9:97-129.         [ Links ]

Hilpert, M. 2008. Germanic Future Constructions. A usage-based approach to language change. Amsterdam: John Benjamins.         [ Links ]

Jensen, T.J. & Christensen, T.K. 2013. Promoting the demoted: The distribution and semantics of "main clause word order" in spoken Danish complement clauses Lingua 137:38-58.         [ Links ]

Kruger, H. & Van Rooy, B. 2015. Finite declarative complement clauses: Construction forms .Taalportaal. http://www.taalportaal.org/taalportaal/topic/pid/topic-14295917758711433 (geraadpleegd op 21/12/2015).         [ Links ]

Malherbe, G.H. 1966. Die gebruik van "dat" as verbindingswoord in Afrikaans. Ongepubliseerde MA verhandeling. Stellenbosch: Stellenbosch Universiteit.         [ Links ]

Ponelis, F.A. 1979. Afrikaanse sintaksis. Pretoria: JL van Schaik.         [ Links ]

Scott, M. 2012. Wordsmith Tools version 6. Stroud: Lexical Analysis Software.         [ Links ]

Stefanowitsch, A. & Gries, S.Th. 2003. Collostructions: Investigating the interaction between words and constructions. International Journal of Corpus Linguistics, 8:209-243.         [ Links ]

Stefanowitsch, A. & Gries, S.Th. 2005. Covarying collexemes. Corpus Linguistics and Linguistic Theory, 1:1-43.         [ Links ]

Stefanowitsch, A. 2013. Collostructional analysis. In Hoffmann & Trousdale (eds). The Oxford handbook of construction grammar. Oxford: Oxford University Press, pp. 290-306.         [ Links ]

Stell, G. 2011. Ethnicity and language variation: Grammar and code-switching in the Afrikaans speech community. Frankfurt: Peter Lang.         [ Links ]

Taalkommissie van die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns. 2011. Taalkommissiekorpus 1.1. Noordwes-Universiteit: CTexT.         [ Links ]

Thompson, S.A. & Mulac, A. 1991. The discourse conditions for the use of the complementizer that in conversational English. Journal of Pragmatics, 15(3):237-251.         [ Links ]

Torres Cacoullos, R. & Walker, J.A. 2009. On the persistence of grammar in discourse formulas: A variationist study of that. Linguistics, 47(1):1-43.         [ Links ]

Van Rooy, B. & Kruger, H. 2016. Faktore wat die weglating van die Afrikaanse onderskikker dat bepaal. Tydskrif vir Geesteswetenskappe, 56(1):102-116.         [ Links ]

Verhagen, A. 2005. Constructions of intersubjectivity: Discourse, syntax and cognition. Oxford: Oxford University Press.         [ Links ]

Wasow, Th. & Arnold, J. 2003. Post-verbal constituent ordering in English. In Rohdenburg & Mondorf (eds). Determinants of grammatical variation in English. Berlin: Mouton De Gruyter, pp. 119-154.         [ Links ]

Wasow, Th., Jaeger, T.F. & Orr, D. 2011. Lexical variation in relativizer frequency. In Simon & Wiese (eds). Expecting the unexpected: Exceptions in grammar. Berlin: Mouton De Gruyter, pp. 175-195.         [ Links ]

Wulff, S., Lester, N. & Martinez-Garcia, M.T. 2014. That-variation in German and Spanish L2 English. Language and Cognition, 6(2):271-299.         [ Links ]

 

 

 

Timothy Colleman is verbonden aan de vakgroep Taalkunde van de Universiteit Gent als hoofddocent Nederlandse Taalkunde. Zijn onderzoek richt zich voornamelijk op de syntaxis en semantiek van grammaticale constructies in het Nederlands en verwante talen, waaronder het Afrikaans. Theoretisch sluit zijn werk aan bij de constructiegrammatica en gerelateerde usage-based benaderingen, methodologisch wordt het gekenmerkt door een corpusgebaseerde aanpak. Hij maakt deel uit van de onderzoeksgroep GLIMS ("Ghent research team on Linguistic Meaning & Structure") en van het Gents centrum voor het Afrikaans en de studie van Zuid-Afrika.
Timothy Colleman is an Associate Professor in the Dutch section of the Department of Linguistics at Ghent University (Belgium). His research focuses primarily on the syntax and semantics of grammatical constructions in Dutch and related languages, including Afrikaans. This work is informed by key theoretical concepts from construction grammar and related usage-based approaches and is characterized methodologically by the use of qualitative and quantitative techniques for the analysis of corpus data. He is affiliated with the research unit GLIMS ("Ghent research team on Linguistic Meaning & Structure") and with the Ghent centre for Afrikaans and the study of South Africa.

 

 

Ilse Feinauer is Vicedecaan: Talen in de Faculteit voor Letteren en Sociale Wetenschappen van de Universiteit Stellenbosch en professor in de Afrikaanse taalkunde en vertaalwetenschap in het Departement Afrikaans en Nederlands. In 2014 werd ze benoemd als ereprofessor aan de Taiyuan Universiteit voor Technologie in China. Ze coördineert en doceert vertaalwetenschappelijke vakken, als onderdeel van de opleidingen vertaling, en daarnaast ook vakken in de Afrikaanse taalkunde, voornamelijk syntaxis. Ze is co-auteur van het Basiswoordeboek vir Afrikaans en redacteur van de verzamelbundel Sintaksis op die voorgrond. Ze heeft gepubliceerd over de syntaxis en lexicografie van het Afrikaans, maar de klemtoon in haar huidige onderzoek ligt vooral op de vertaalwetenschap.
Ilse Feinauer is Vice Dean: Languages at the Faculty of Arts and Social Sciences at the University of Stellenbosch. She is also Professor in Afrikaans linguistics and Translation studies in the Dept. of Afrikaans and Dutch. In 2014 she was appointed as Honorary Professor at the Taiyuan University for Technology in China. She coordinates and teaches translation studies as part of the postgraduate programmes in translation, but she also teaches Afrikaans linguistics, mainly syntax. She is co-author of a Learner's Dictionary of Afrikaans Basiswoordeboek vir Afrikaans as well as co-editor of a volume on Afrikaans syntax. She has published in the field of syntax as well as lexicography, but her research has currently shifted towards translation studies.

 

 

Charlotte Braeckeveldt studeerde in 2013 af als Master in de Taal- en Letterkunde: Nederlands-Engels aan de Universiteit Gent. In de zomer van 2012 bracht ze een onderzoeksverblijf door aan de Universiteit Stellenbosch, in het kader van haar MA-scriptie over de variatie tussen de bijzin met en zonder dat in het hedendaagse Afrikaans, die werd geschreven onder het promotorschap van Timothy Colleman en Ilse Feinauer. Ze is professioneel actief in het jeugdwerk.
Charlotte Braeckeveldt obtained an MA degree in Dutch and English Linguistics and Literature from Ghent University in 2013. She spent a research stay at the University of Stellenbosch in the summer of 2012, in preparation for her MA dissertation on the alternation between the bare complement clause and the dat-complement clause in present-day Afrikaans, which was written under the supervision of Timothy Colleman and Ilse Feinauer. She currently works in youth work.
* We bedanken Bertus Van Rooy (Noordwes-Universiteit) en twee anonieme beoordelaars voor hun commentaar bij een eerdere versie van dit artikel, en Gilles-Maurice De Schryver (Universiteit Gent) voor de terbeschikkingstelling van het corpusmateriaal uit Die Burger 2003.
1 In het Nederlands zouden we kunnen spreken van een kale bijzin, maar die term is ten eerste niet goed ingeburgerd en dekt ten tweede de lading niet helemaal: "kaal" verwijst naar de afwezigheid van een bindwoord, maar er is natuurlijk nog een tweede belangrijk aspect waarin de complementzin in (1b) afwijkt van die in (1a), nl. in de positie van de persoonsvorm. Daarom gebruiken we in deze bijdrage gewoon de Afrikaanse term.
2 In het krantencorpus dat voor dit onderzoek werd gebruikt, troffen we slechts een handvol voorbeelden aan van die derde constructie, waaronder (i) hieronder. Die voorbeelden werden niet meegeteld in de totalen voor de dat-bijzin of de skoon bysin.
(i) Hy het gister deur mnr. Milton de la Harpe, sy regsverteenwoordiger, 'n beëdigde verklaring aan die hof oorhandig. Daarin dui Birgisson aan dat hy gaan skuld ontken. (Die Burger 20/03/2003)
3 Overigens kunnen natuurlijk ook andere factoren dan het zinswerkwoord bijdragen tot de lagere semantische dominantie/thematische prominentie van de matrixzin, zoals bv. het gebruik van een pronominaal subject (zie bv. Feinauer 1990:118).
4 Het Taalkommissiekorpus (Taalkommissie van die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns 2011) is een groot corpus van hedendaags geschreven Standaardafrikaans dat verschillende registers omvat, waaronder naast journalistiek taalgebruik o.a. ook literaire, academische en administratieve teksten, ten belope van in totaal 57 miljoen woorden lopende tekst.
5 Wel opgenomen zijn een aantal werkwoorden waarbij de complementzin strikt genomen niet als direct object, maar als voorzetselsvoorwerp fungeert, al dan niet met weglating van het voorlopige voorzetselvoorwerp, zoals aandring (daarop), beskuldig (daarvan), enz. Bij werkwoorden die zowel een subjectszin als een objectszin kunnen krijgen, zoals help, werden enkel de voorkomens met een objectszin meegeteld.
6 Met de uitzondering van proe, dat echter maar één keer voorkomt met een complementzin in het corpus.
7 De enige mogelijke uitzondering is het volitionele complexe werkwoord wil hê; echter, ook al is dat strikt genomen geen werkwoord van communicatie of cognitie, het is er via werkwoorden als hoop, wens en droom - die ook allemaal behoren tot de distinctieve collexemen van de skoon bysin - wel nauw aan verwant.
8 Een anonieme beoordelaar is het niet eens met onze typering van beweer als een semantisch neutraal communicatiewerkwoord en vermoedt dat de sterke voorkeur van dat werkwoord voor de skoon bysin veeleer een register effect is, dat te maken heeft met de hoge frequentie van beweer in het journalistieke taalgebruik. We laten het over aan toekomstig onderzoek om na te gaan of beweer ook in andere registers vaker dan verwacht een skoon bysin krijgt. Merk echter op dat we met onze semantische typering vooral een onderscheid hebben willen maken tussen communicatiewerkwoorden die een gewone mededeling benoemen en communicatiewerkwoorden die andere types speech acts benoemen. De keuze van sprekers voor beweer als matrixwerkwoord i.p.v. bijvoorbeeld of vertel dient vaak om een zekere twijfel te suggereren over de waarheid van de gerapporteerde mededeling - in die zin is het werkwoord inderdaad "niet neutraal" (zie Verhagen 2005: 115-117 voor discussie van vergelijkbare werkwoorden). Echter, dat neemt niet weg dat beweer in tegenstelling tot bv. vra, eis, aanbeveel, verseker, enz. wel degelijk een overdracht van informatie benoemt waarbij niet speciaal iets van de toegesprokene verwacht wordt. In die zin is het werkwoord dan weer wél "neutraal".

 

 

 

APPENDIX B: Volledige lijst van alle distinctieve (p < .05) dat-collexemen

sorg, veroorsaak, beskuldig, vra, meebring, toelaat, verwag, ontken, verseker, keer, versoek, toesien, aandring, aanbeveel, eis, aanvaar, voorkom, beklemtoon, voorstel, voorsien, verduidelik, bewys, bepaal, noem, bydra, toon, aankondig, verhoed, beteken, saamstem, inlig, bevestig, aandui, verklaar, behels, wys, sinspeel, help, beveel, meedeel, vind, bespiegel, voorspel, meld, waarsku, kla, benadruk, ooreenkom, bevind, te kenne gee, bekendmaak, leer, byvoeg, herinner, vergeet, waarborg, verkondig, beaam, argumenteer.

Creative Commons License All the contents of this journal, except where otherwise noted, is licensed under a Creative Commons Attribution License