SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.51 número2 índice de autoresíndice de assuntospesquisa de artigos
Home Pagelista alfabética de periódicos  

Serviços Personalizados

Artigo

Indicadores

    Links relacionados

    • Em processo de indexaçãoCitado por Google
    • Em processo de indexaçãoSimilares em Google

    Compartilhar


    Tydskrif vir Geesteswetenskappe

    versão impressa ISSN 0041-4751

    Tydskr. geesteswet. vol.51 no.2 Pretoria Jun. 2011

     

    BOEKBESPREKINGS BOOK REVIEWS

     

    Godsdienst en religie zijn fascinerend voor schrijvers, literatuur is belangrijk voor religie en geloo. Nederlandse schrijvers en religie 1960 - 2010

     

     

    door Jaap Goedegebuure
    Nijmegen: Vantilt, 2010

    Geestelijke luiheid betekent dat we oude voorstellingen op nieuwe ontwikkelingen plakken. Een van deze oude voorstellingen is de overtuiging dat de hoofdstroom van de Nederlandse letterkunde afkerig is van iedere vorm van georganiseerde godsdienst en dat het ridiculiseren van de godsdienstige praktijk nog altijd de literaire dienst uitmaakt. Van deze gedachte kunnen we nu afscheid nemen. We hoeven niet op Karl Marx en Friedrich Engels terug te grijpen om te constateren dat godsdienst niet verdwijnt met de omwenteling van de productieverhoudingen en de productietoestanden, de zogeheten Basis. Tevens is ons duidelijk dat de Bovenbouw (om nog even bij Marx te vertoeven), dat geheel van denken, ethiek, fi losofi e, recht en kunsten, een taai en gezond leven leidt en een scheppende interne dynamiek kent. Zelfs door de veraangenaming van het dagelijks leven is de godsdienst niet verdwenen. De literatuur van Nederland heeft sinds de laatste decennia van de vorige eeuw een opmerkelijke omslag beleefd die een hele generatie schrijvers met mensen als Jan Wolkers, Rudy Koubroek, Jan Blokker, W. F. Hermans en Maarten 't Hart het etiket "verouderd" op het voorhoofd drukte. De genoemden waren zo dominant binnen de spraakmakende journalistiek dat zij een onbevangen, onbevooroordeelde houding ten opzichte van godsdienst jaren lang de pas wisten af te snijden.

    In welke gedaante komen literatuur en godsdienst bij elkaar? In de vorm van teksten die binnen een kerkelijke gemeente een rol tijdens de kerkdienst kunnen vervullen. In dat geval zijn deze teksten dienstbaar aan iets dat groter is dan zijzelf. Wanneer de teksten los staan van een dienstbare context, hebben we met een geheel eigen functie te maken. Dat is de functie waarover de Renaissance-vertegenwoordiger Giovanni Boccaccio al in zijn "Het Leven van Dante" schreef. Binnen die functie treedt de schrijver als mede-schepper op en gebruikt hij/zij beelden, vergelijkingen, metaforen, zoals God die - ik haal Boccaccio indirect aan - ook gebruikte. Binnen deze literatuur is in onze tijd het nadenken over God, over de mogelijkheden en onmogelijkheden om Hem te benoemen, over Zijn rol in de geschiedenis, Zijn bemoeienis met de mens, over Zijn verantwoordelijkheid tegenover het Kwaad, over het raadsel van de dood en over de aantrekkelijkheid en aandoenlijkheid van Jezus Christus zeer prominent geworden.

    De geschetste ontwikkelingen zijn niet onopgemerkt gebleven. Rooms-katholieke schrijvers als Willem Jan Otten en Désanne van Brederode hebben hun ideeën in de openbaarheid gepresenteerd en daarmee aan de uitbreiding van het verschijnsel bijgedragen waarvan zij getuigenis aflegden. De eerste grote verhandeling over de toewending tot vragen met betrekking tot God binnen de Nederlandse literatuur is het boek van de Leidse neerlandicus Jaap Goedegebuure: Nederlandse schrijvers en religie 1960 - 2010 (Uitg. Vantilt Nijmegen 2010). Wat heeft dit boek aan diegenen te bieden die van dat grensverkeer van godsdienst en letterkunde meer willen weten?

    In de eerste plaats inzichten van literatuurhistorische aard. Veranderingen binnen de letterkunde staan nooit op zichzelf en hebben altijd verband met veranderingen binnen de beeldende kunst en met andere "systemen" of kringen binnen de samenleving zoals de politiek, de sociale organisaties, de kerken en de media (vooral met de wereld van de nieuwe media als internet). Goedegebuure plaatst de literaire veranderingen binnen een geheel van gezichtspunten om er vervolgens enkele uit te lichten die de rol van de godsdienst accentueren. Het eerste gezichtspunt is het verschijnen van schrijvers sedert de beginjaren tachtig van de vorige eeuw die zich expliciet uitspreken over het geloof in God. Het tweede gezichtspunt is de hernieuwde belangstelling voor het verhalende karakter van de Bijbel en voor de religieuze en belijdend-christelijke aspecten van de Europese cultuurgeschiedenis. Daarover zegt Goedegebuure: "Je zou de door Bijbelverhalen en christelijke kunst gefascineerde Matsier, met het woord van de oorspronkelijk gereformeerde, maar inmiddels buitenkerkelijke theoloog Harry Kuitert, een "cultuurchristen" kunnen noemen. Kuitert doelt daarmee op een inmiddels gevestigde praktijk onder verlichte christenen om hun liefde voor kunst en literatuur te integreren in hun geloofsopvattingen. Daarmee trekken ze een lijn door die zijn oorsprong heeft in de romantiek. Het waren de romantici die verbeelding en creativiteit een goddelijk karakter toeschreven, en de opvatting huldigden dat wie zich intensief met kunst en literatuur bezighield vanzelf een beter mens werd. Hoewel George Steiner (bekende filosoof uit Genève) al jaren geleden heeft afgerekend met dit grenzeloze vertrouwen in de morele waarde van wat in het Duits Bildung heet, is het nog altijd niet verdwenen, integendeel. Het tiert welig in kringen van oude en nieuwe christenen, onder meer in het mede onder Steiners patronaat staande tijdschrift Nexus (hoofdredacteur is Rob Riemen, auteur van o.a. "Adel van de Geest"). Heeft het artistiek en literair geïnspireerde cultuurchristendom de toekomst? Valt de toekomst der religie ermee in te vullen? Bij gebrek aan vaste grond onder de voeten waag ik me liever niet aan een voorspelling." (p.17) Zou het geringe vertrouwen in de eigen voorspellende kracht hier het echte motief zijn geweest? Of aarzelt Goedegebuure, omdat hij anders zelf partij zou hebben gekozen?

    In ieder geval richt hij zijn blik met alle scherpte op de afgelopen vijftig jaar en daar ontbreekt de vaste grond onder de voeten niet, behalve wanneer Goedegebuure over de protestants-christelijke literatuur schrijft. In de afdeling van zijn boek die de titel "Van en naar Rome" draagt, analyseert Goedegebuure het werk van Gerard Reve, Frans Kellendonk, Willem Jan Otten en Désanne van Brederode. Het zijn stuk voor stuk inzichtgevende analyses, maar het stuk over het gehele werk van Frans Kellendonk steekt er met kop en schouders boven uit. Terwijl het kleine hoofdstuk over Reve mij gesterkt heeft in mijn overtuiging dat we met een verschrikkelijke charlatan te maken hebben, laat het hoofdstuk over Kellendonk zien dat deze schrijver oprecht op zoek was naar God, ook al heeft hij God uiteindelijk niet gevonden: "Het katholicisme, met zijn zin en samenhang stichtende taal van begrippen en beelden, was nog altijd een 'heilzame fictie' [voor Kellendonk] waarin het waard was te geloven. Juist omdat het een vruchtbare, bijna twee millennia oude traditie vertegenwoordigde, verdiende het een centrale plaats, niet alleen in Europa's culturele geheugen, maar vooral in Europa's levende cultuur" (p. 40).

    In het hoofdstuk over Désanne van Brederode valt het woord "mystiek" dat verderop in Goedegebuures boek een zeer prominente plaats zal innemen: "Hoewel Van Brederode naderhand nogal wat afstand tot haar debuutroman (Ave Verum Corpus) heeft genomen, is ze blijven volharden in de op het lichaam gerichte mystiek. Christus en de minnaar zijn inwisselbaar, zo niet identiek." (p. 94) De schrijvers van protestants-christelijke huize komen er in de afdeling "Reformatorisch intermezzo" uiterst bekaaid van af, terwijl Andreas Burnier en Oek de Jong in de afdeling "Op zoek naar verlichting" de aandacht krijgen die hen toekomt. Zowel met Désanne van Brederode als met Oek de Jong schept Goedegebuure de overgang naar de afdeling van zijn boek met de titel "Mystieke projecties". Daarin behandelt hij het werk van C. O. Jellema, Hans Faverey, Kees Ouwens en Maria van Dalen vanuit vragen die betrekking hebben op de mystiek, het verlangen naar eenwording met God. Het gedeelte over Jellema waarin de affiniteit van Jellema met het werk van de middeleeuwse mysticus Meister Eckhart duidelijk wordt gemaakt, spreekt mij daarvan het meest aan. Het minst interessant is het hoofdstuk over Faverey, een dichter die noch talent noch diepgang heeft en ten onrechte tot enige faam is gekomen.

    In een soort epiloog vertelt Goedegebuure zijn eigen levensverhaal in relatie tot het geloof. Hij leefde lang op afstand van de Bijbel van zijn jeugd en noemt zijn hernieuwde belangstelling voor het verband van Bijbel en cultuur een "confrontatie met mijn wortels" (p. 184). In zijn gedachten over het kennen van God is hij tot de volgende conclusie gekomen: "Is het mogelijk iets over God te zeggen dat niet familiair en kleinerend is? Nee, want God valt buiten taal en voorstellingsvermogen, onttrekt zich per definitie aan beeld en gelijkenis. Als we toch iets zeggen, doen we dat uit een even onstuitbare als onstilbare behoefte aan zekerheid en troost, aan zelfrechtvaardiging en ordening. Maar Gods domein bestaat uit de woestheid en de leegte waaruit de kosmos, dat wil zeggen de overzichtelijke want tot een tuin aangeharkte wereld voortkwam. Aan het begin van de aardse geschiedenis staat niet God, maar de mens die zijn bewustzijnsgroei uitbeeldt in het verhaal van de schepping en zondeval. De Bijbel kan onmogelijk Gods woord zijn nu dit boek met mensentaal de witregels vult die God heeft opengelaten" (p. 187). Dit citaat is onthullend, omdat het tegen zijn aanvankelijke stelling ingaat en wel degelijk in taal iets fundamenteels over God zegt. Nog lastiger om totaal te zwijgen wordt het wanneer Jezus Christus ter sprake komt: "Dankzij Jezus wordt God gehumaniseerd. Het is de Zoon des Mensen die de figuur van de hemelse Vader creëert" (p. 188). Over deze laatste, cryptische zin had ik graag meer gehoord. Uit de aarzelende stijl concludeer ik een gevoeligheid die even welsprekend is als de ferme uitspraak dat we over God dienen te zwijgen. De gekozen auteurs zijn in het verlengde van Goedegebuures eigen overtuigingen te zien. Zij worstelen ieder op een eigen individuele manier met het probleem van het benoemen en benaderen van God.

    Ik vind dat Goedegebuure een knap boek heeft geschreven dat mijn kennis heeft vergroot. Het is aan de boeiende inhoud van dit boek te danken dat ik begon te fantaseren over een geheel ander boek dat Goedegebuure had kunnen schrijven, een boek dat niet op individuele schrijvers ingaat, een boek dat het algemene perspectief, het overzicht als uitgangspunt neemt. Dat zou een boek zijn met thematische hoofdstukken zoals "Geloof en Sterven", "Eros en seksualiteit in relatie tot het geloof", "Religie als het nieuwe geloof", "Mystiek en geloof", "Het Kwaad", "God en de geschiedenis van de wereld na 1933", "Taal als thema in verhouding tot God". Een dergelijk boek zou vermoedelijk een gezamenlijk werk van een groep kenners van zowel het geloof als de literatuur moeten zijn.

    Kijkend naar de jaren sedert de grote politieke omwenteling van 1989 in Europa valt mij door de vele contacten met studenten, christenen en niet-christenen, op dat het zoeken naar de zin van het leven en het kennis willen maken met eerdere pogingen tot zingeving binnen de Nederlandse samenleving geweldig zijn toegenomen. Daar ligt de reden voor de groeiende belangstelling voor algemene universitaire vakken die "cultuur" in het vaandel voeren en voor de tanende interesse in de specifieke studies als Frans of Duits. Studenten anno 2011 zijn wars van oppervlakkigheid en die ernstige houding (die zeer wel met gevoel voor humor samen kan gaan) leidt er toe dat culturele inhouden van religieuze of gelovige aard niet reflexmatig naar de prullenbak worden verbannen. Integendeel. Religie en geloof hebben een hoge status in de algemene visie op de eigen ontwikkeling, religie met de associatie met het gevoel mogelijk nog meer dan het geloof met een omlijnde geloofsinhoud.

    Goedegebuure heeft laten zien dat de zwaartepunten binnen de Nederlandse letterkunde zijn verschoven van het aanvankelijke taboe dat op religieuze inhouden rustte naar een nieuwe openheid voor religieuze vragen. Wanneer deze authentieke behoefte echter niet de voeding krijgt die hij verdient, verdwijnt hij geleidelijk aan uit het geheel van noodzakelijke vragen en verlangens. Tot die voeding behoren de verhalen uit de Bijbel (die je met begrippen uit de literatuurkunde kunt leren begrijpen) en behoort de literatuur in algemene zin. Liefst niet alleen de Nederlandse literatuur en bij voorkeur niet uitsluitend de literatuur van de laatste vijftig jaar. Dus ook de literatuur in andere Europese talen, voor zo ver die literaturen toegankelijk zijn. En waarom niet in de letterkunde van de Barok duiken of van de Romantiek! Het opvallende verschijnsel doet zich namelijk voor dat verhalen en andere literaire uitingsvormen in staat zijn om het aanvankelijke volledige onbegrip om te vormen tot kennis en begrip. Je kunt honderd keer ontkennen dat je God kunt kennen, laat staan in woorden kunt "vatten", maar op het moment waarop je ingezogen wordt in de taal die juist met dat probleem worstelt of wanneer je de weergave leest van een levenservaring die door de moeilijkheden heen de sterren bereikt, schieten je begrippen te kort en moet je als lezer toegeven dat je je moet herbezinnen.

    Het einde van de door Jaap Goedegebuure gesignaleerde ontwikkeling is nog lang niet in zicht.

     

    Hans Ester
    Radboud Universiteit
    Nijmegen
    E-pos: J.Ester@let.ru.nl

     


     

    Voortrekkerstamouers 1835 - 1845 (2011)

     

     

    deur Jan C. Visagie
    Protea uitgewers

    Soos tereg in die voorwoord staan: 'n Mens sou eintlik van die geskiedskrywing oor só 'n belangrike onderwerp verwag dat die vrae oor wie die Voortrekkers was en waarvandaan hulle gekom het, veel vroeër ondersoek moes gewees het. Dit is aan die navorsing en deursettingsvermoë van dr. Visagie te danke dat die stuk geskiedenis uiteindelik geboekstaaf is. In 2000 het hy sy navorsing gepubliseer in 'n boek met dieselfde titel, 'n boek waarvoor hy in 2001 deur die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns bekroon is met die D.F. du Toit-Malherbeprys vir genealogiese navorsing. Sederdien het Visagie met sy navorsing voortgegaan en dit sodanig uitgebrei dat die 361pp van die lankal uitverkoopte 2000 uitgawe nou in die bygewerkte 2011 uitgawe gegroei het na 752pp!

    Die eerste taak van so 'n omvangryke werk is om kriteria vas te stel waarvolgens die persone wat in die boek opgeneem is, geselekteer kon word. Visagie het die kriteria in die nuwe uitgawe nie verander nie. Die jare 1836 tot 1838 word algemeen as die "trekjare" beskou en om voorsiening te maak vir die "agternatrekkers", is die navorsing tot 1845 uitgebrei. Slegs Voortrekkergesinshoofde en hulle vrouens is opgeneem, dus is persone wat na 1825 gebore is, nie as afsonderlike items ingesluit nie.

    Daar het ook vermenging plaasgevind tussen die sogenaamde trekboere wat as gevolg van ekonomiese redes geleidelik oos- en noordooswaarts getrek het, en Voortrekkers. Die twee groepe is nie van mekaar te onderskei nie as gevolg van 'n gebrek aan dokumentasie. Alhoewel siviele kommissarisse en ampsbekleërs in die Kaapkolonie opdrag gehad het om lyste by te hou van diegene wat trek, is die lyste onvolledig en onnoukeurig en moes die skrywer dit uit ander argivale bronne aanvul. Die plasing van die trekkers binne hulle breër familieverband is weer afhanklik van genealogiese gegewens. Dit is in die nuwe uitgawe vergemaklik deur die voltooiing van die Suid-Afrikaanse geslagsregisters (17 bande), 'n publikasie van die Genealogiese Instituut van Suid-Afrika (GISA). Dit is juis hierdie plasing van die genealogiese nommer by elke gesinshoof wat die werk so 'n kosbare bron van inligting vir genealoë maak.

    Die skrywer het ook 'n opsomming gemaak van die name van die bekendste Voortrekkerleiers en die aantal gesinne wat saam met hulle getrek het, asook 'n afbreek van getalle trekkers wat uit die verskillende distrikte en wyke in die Kaapkolonie getrek het. Hierdie gegewens is aangevul met ses kaarte van die distrikte Albany, George, Graaff-Reinet, Somerset, Uitenhage en Swellendam soos dit ongeveer 1825 - 1836 was.

    Die alfabeties beskrywende lys van Voortrekkerstamouers beslaan 583pp in die boek. Elke inskrywing staan duidelik uit en gee die persoon se genealogiese nommer, sy geboorte- en sterfdatum en waar en met wie hy getrou het. Sy vrou word ook geïdentifiseer volgens haar genealogiese nommer. Sy woonplek in die Kaapkolonie en sy trekdatum word aangegee, en ook waarheen hy getrek het met die plaasname waar hy hom gevestig het. Aan die einde van die inskrywing volg 'n verwysing na al die bronne waaruit die inligting verkry is.

    Wat die nuwe uitgawe besonders maak, is die insluiting van 214 foto's van gesinshoofde. Dit is die eerste keer dat soveel foto's van Voortrekkerleiers in een boek verskyn en as in ag geneem word hoe 'n nuutjie fotografie in daardie tyd in Suid-Afrika was, is dit 'n merkwaardige prestasie dat soveel foto's bymekaargemaak is.

    Die boek het 'n volledige bronnelys, en, besonder waardevol, 'n register wat verwys na elke persoon wat in die boek voorkom en na die verskillende plaas- en plekname wat voorkom.

    Hierdie boek getuig van wye navorsing uit 'n groot verskeidenheid bronne. Dit was 'n groot taak vir een navorser om al hierde inligting bymekaar te bring! Die boek word aanbeveel vir alle persone wat in die Groot Trek belangstel en veral vir genealoë en historici. Eintlik hoort hierdie boek in elke huis.

     

    Linda Zöllner

     


     

    'n Studie van Afrikaans op Universiteitsvlak met betrekking tot grondwetlike kwessies, die studentemark en onderrigtaalmodusse

     

     

    Uitgewer: saamgestel en uitgegee deur die FW de Klerk Stigting met die hulp van die Dagbreek Trust
    Bladsye: 182
    Jaar: 2010

    Toe ek nog 'n student by hom was, het Johan Combrinck altyd gesê: die doel van taal is 100 persent kommunikasie die eerste keer. Die FW de Klerk Stigting (hierna "die Stigting") het hierdie boodskap duidelik onthou met die samestelling van hul boek 'n Studie van Afrikaans op Universiteitsvlak. Reeds op die voorblad word die leser gekonfronteer met wat die boek eintlik wil sê, naamlik:

    Elkeen het die reg om in openbare onderwysinstellings onderwys te ontvang in die amptelike taal of tale van eie keuse waar daardie onderwys redelikerwys doenlik is ... soos aangehaal uit die SA Grondwet, artikel 29 (2). Die res van die boek sou óf hierdie stelling bevestig, óf argumente aanvoer wat hierdie versugting sou versterk en ondersteun.

    Die boek is 'n uitvloeisel van die Vredenheim-beraad wat deur 26 organisasies bygewoon is en waarvan die belangrikste uitvloeisel die verbreding van die debat was. Die boek is daarom 'n poging om duidelikheid te kry oor (1) die voor- en nadele van die verskillende onderrigtaalmodusse (enkel-, parallel- , dubbelmedium of tolking), (2) die grondwetlike ruimte vir eise van demografiese verteenwoordiging en universiteitsonderrig in 'n ander taal; (3) die ontwikkelinge binne die Suid-Afrikaanse studentemark.

    Kyk jy na die inhoudsopgawe, is dit duidelik dat die voormalige Nobelpryswenner sy politieke spierkrag ingespan het om die Who's who in die Afrikaanse akademiese wêreld bymekaar te kry vir 'n magsvertoning wat laas in 1992 in die parlement gesien is: Marinus Wiechers, Lawrence Schlemmer, Flip Smit, Theo du Plessis, Vic Webb en Marlene Verhoef lewer almal bydraes van uitnemende gehalte. Die enigste ooglopende leemte is die afwesigheid van 'n Matie-segspersoon. In die inleiding verwys Dave Steward van die Stigting kortliks hierna as hy sê: "Alhoewel taalkenners van die Universiteit Stellenbosch (US) genooi is om 'n bydrae te lewer, was dit ongelukkig nie vir hulle moontlik nie." In stede daarvan vind lesers in hoofstuk 6 'n ontleding van taalaspekte aan die US deur Piet le Roux van die Stigting en tot nou die dag nog self 'n student.

    Steward verduidelik verder dat aangesien die Vredenheim-beraad (dus Afrikaans se plek by US) die katalisator was wat tot die boek gelei het, is die voordragte wat deur Magda Fourie (viserektor: onderrig) en Leon de Stadler (direkteur: taalsentrum) by die beraad gelewer is, wel bygevoeg. Alhoewel dit eerder hul afwesigheid in die boek, en/of hul stilswye oor 'n saak wat hul direk raak, beklemtoon (byna soos iemand wat 'n yslike verband om 'n seer vinger draai en dit juis die teenoorgestelde uitwerking het pleks van die seer vinger weg te steek), vind ek tog die volgende twee stukkies juwele daarin: "Dit is belangrik om te verstaan dat kontekste van universiteite drasties van mekaar verskil" (Magda Fourie, p 117) en "[K]om ons gebruik van die energie wat ons so op die US het en vat die regering aan op al die beloftes wat hulle gemaak het" (Leon de Stadler, 119).

    Soos die subtitel aandui, gaan dit hier om die posisie van Afrikaans as onderrigtaal op universiteitsvlak met betrekking tot grondwetlike kwessies, wat ook die tema is vir die eerste bydrae in die boek. En niemand is beter toegerus om hierdie aspek aan die hand van die Grondwet te debatteer as die voormalige rektor van UNISA en emeritus professor in internasionale en grondwetlike reg, Marinus Wiechers nie (wat terloops 'n prominente rol gespeel het in die opstel van die Grondwet van Suid-Afrika). Hy lewer 'n waardevolle bydrae tot die debat deur stelselmatig en oortuigend met behulp van bewyse uit die Grondwet daarop te wys dat Afrikaans op universiteitsvlak uiteindelik die keuse van 'n universiteitsraad en nie 'n minister is nie: die wet verleen in hierdie verband geen gebiedende magte aan die minister nie en boonop sou 'n ministeriële voorskriftelikheid indruis teen die outonomie van 'n universiteit wat in artikel 16(i)(d) van die Grondwet gewaarborg word (9).

    Maar daar is 'n voorwaarde: Wiechers maan (12) dit sal bewys moet word dat Afrikaans oor die akademiese woordeskat en intellektuele vermoëns beskik om as voertaal vir hoër onderwys te dien. Voorts sal die instelling bewys moet lewer dat Afrikaans nie as meganisme dien om teen mense te diskrimineer op grond van taal nie, en om dit te bewerkstellig, is dit nodig dat Afrikaanse universiteite moet toesien dat studente (veral bruin Afrikaanssprekende studente) maksimaal bemagtig word om hul kennis en vaardighede te verwerf en te verbeter. Die bemagtiging van bruin studente word deur meer as een skrywer uitgelig as 'n belangrike aspek wat dringende aandag verdien.

    Die tweede bydrae vir hierdie boek kom van die Australiese taalkenner Fernand de Verannes, iemand wat internasionaal hoog aangeslaan word op die gebied van taalregte. Hy beklemtoon die internasionale regsbeginsels wat aan Afrikaanssprekendes, soos ook aan die sprekers van ander tale, die reg gee om hul taalbehoeftes, ook op universiteitsvlak, uit te leef. Hy noem voorts dat universiteite sover dit prakties haalbaar is, liefs een taal moet gebruik. Dit maak steeds sin om sekere nagraadse programme in Engels aan te bied sonder dat dit afbreuk doen aan die hooftaal. Hy sê voorts: "It is quite common to have different language models for university education to address the demographic makeup of the population groups within a state" (24).

    Hoofstukke vier en vyf is gerig op ontwikkelinge in die Afrikaanse studentemark. Eers ontleed Lawrie Schlemmer inligting uit die jaarlikse All Media Products Survey (AMPS) oor die Afrikaanse studentemark om te probeer vasstel wat die tendense en behoeftes is. Hy bevind dat Afrikaanse studentegetalle nie afneem nie, en dat daar dus geen rede is waarom enige universiteit hom moet voorberei vir 'n kleiner aanbod nie. Ook hy is bekommerd oor die arm, bruin Afrikaanssprekende jeug en vra wat Afrikaanse universiteite doen "oor die roeping om die mees benadeelde segmente van die Afrikaanse bevolking, die bruin plattelandse jeug, te bemagtig?" (48).

    Hoofstuk vyf is 'n deeglike en besonder insiggewende ontleding van studentegetalle oor sowat 20 jaar aan die tradisionele Afrikaanse universiteite: Pretoria (UP), Johannesburg (UJ), Vrystaat (UV), Stellenbosch (US) en Noordwes (NWU) deur Flip Smit, demograaf en oudrektor van Tukkies. Sy navorsing wys dat die markaandeel van voorgraadse Afrikaanse studente tussen 1999 en 2008 sterk gegroei het by die NWU, maar minder sterk by die UV, en by US en UP selfs gedaal het, terwyl die getalle by UJ drasties afgeneem het. Soos die ander voor hom, is ook hy bekommerd oor "veral die minder gegoede bruin bevolking wie se huistaal oorwegend Afrikaans is" en hy waarsku dit "verg dringende ondersoek en ondersteuning" (72).

    In hoofstukke ses tot nege vind lesers inligting oor die onderrigtaalaanbod, onderrigtaalmodusse en studente-ontwikkelinge by elk van die US, UP, UV en NWU. In hoofstuk sewe wys Theo du Plessis van die UV daarop dat hoewel parallelmedium-onderrig (PMO) tans 87 persent van die UV se onderrigaanbod uitmaak, die PMO-model waarskynlik hersien sal word: "Gegewe die veranderde studentedemografie, die indirekte koste verbonde aan PMO, maar veral die strewe na integrasie en transformasie, kan wysigings beslis verwag word, en sal toenemend beweeg word na 'n model waar Engels die oorheersende onderrigmedium sal wees" (144).

    In hoofstuk ses ontleed Piet le Roux taalaspekte by die US. Dit behels 'n kort geskiedenis van die taalbeleid asook inligting oor die veranderinge in die onderrigtaalaanbod tussen 2004 en 2010, sowel as inligting oor die demografiese samestelling van die studentebevolking oor dieselfde tydperk. Van die belangrikste inligting wat in dié tyd opgeteken is, is dat die Vlottenburg-groep (wat akademici soos Jakes Gerwel, Neville Alexander, Van Zyl Slabbert en Lawrie Schlemmer ingesluit het) bevind het dat daar geen opvoedkundige gronde bestaan vir dubbelmedium-onderrig (die sg. T-opsie) nie.

    Dit stem ooreen met die verwikkelinge by UP, en Vic Webb noem in hoofstuk agt dat die nuwe taalbeleid by Tukkies bepaal dat wat onderrigmodelle betref, dubbelmedium so ver as moontlik beperk moet word. Dubbelmedium aan die UP is van 43 persent in 2007 afgeskaal tot 21 persent in 2010. Waar PMO of dubbelmediumonderrig nie moontlik is nie, sal tolking gebruik word (156).

    Dit bring ons by tolking. In die laaste hoofstuk verduidelik Marlene Verhoef van die NWU die voordele van tolking in hulle taalbeleid. Die NWU glo dat hulle empiries bewys het dat tolking 'n haalbare en bekostigbare taaloplossing bied. Ten opsigte van die bekostigbaarheid van meertaligheid aan die NWU sê sy: "Die vraag is eerder of ons dit kan bekostig om dit nie te doen nie" (182).

    Suid-Afrikaners het tans meer vrae as antwoorde oor die toekoms van Afrikaans op universiteite. Die boek lewer 'n waardevolle en relevante bydrae tot die debat oor die plek van Afrikaans aan universiteite in Suid-Afrika. Ten minste spreek hierdie werk van die FW de Klerk Stigting die meeste vrae aan en dit bied selfs 'n paar oplossings. Dit maak die besit van hierdie werk 'n vanselfsprekendheid vir enigiemand wat betrokke is by taalbeleidbepaling in hoër onderwys en vir ouers wat van voorneme is om hul kinders na 'n Afrikaanse universiteit te stuur.

    Ek was self teenwoordig by die Vredenheim-beraad en wat ek daar gehoor en hier gelees het, het my oortuig om die werk vir my eie boekrak aan te skaf.

     

    Michael le Cordeur
    Universiteit Stellenbosch

     


     

    Teksredaksie

     

     

    Deur W.A.M. Carstens & K. van de Poel
    Stellenbosch: SUN MeDIA, 2010.

    Teksredakteurs is 'n spesie op hulle eie - en trots daarop. Waar eienskappe soos beterweterigheid, bemoeisiekheid en puntenerigheid (tot op die punt van muggiesiftery en haarklowery) dit in die daaglikse lewe nie juis maklik maak vir mense om vriendskappe te sluit of ander te inspireer nie, is hierdie eienskappe juis 'n aanbeveling vir iemand wat aspirasies koester om die ambag van die teksredakteur onder die knie te kry. Teksredakteurs steur hulle nie daaraan dat HAT haarklowery beskryf as "vitterige kritiseerdery; kleingeestige stryery" nie. Om vir 'n praktiserende teksredakteur te vra om 'n resensie te skryf oor 'n handboek vir teksredakteurs is dus inderdaad 'n riskante onderneming.

    Die tendens wat die afgelope dekade in taaldepartemente van tersiêre opleidingsinstansies sigbaar geword het om in die akademiese vorming van hulle studente onderwerpe in te sluit waarmee sulke studente eendag in hulle beroepslewe hul brood kan verdien, is prysenswaardig. Carstens en Van de Poel verdien dan ook lof vir die voortrekkerrol wat hulle in hierdie verband op hulself geneem het om 'n handboek te skryf vir die opleiding van teksredakteurs.

    Ek is van mening dat die meeste teksredakteurs met my sal saamstem dat hul eie opleiding vir die beroep nie plaasgevind het aan universiteite of ander opleidingsinstansies nie. Hoogstens het hulle daar 'n breë taalkundebasis en -agtergrond opgedoen, wat egter geensins beteken het dat pas gegradueerde voornemende teksredakteurs daartoe in staat was om twee foutlose sinne na mekaar te skryf nie. Nuwe aanstellings by 'n uitgewer of nuuskantoor is (en word steeds) onder die mentorskap en genadelose toesig van 'n ou meester in die vak geplaas en moes daar leer om letterlik die puntjies op die i's te sit, totdat hulle die métier tot in die puntjies geken het en hulle tekste in die puntjies versorg was. Selfs in idiome word die belang van die nederige punt erken - as puntjie by paaltjie kom, moet redakteurs immers die taal op die punte van hulle vingers ken. Maar terug na Teksredaksie en die vraag of die verskyning van hierdie boek kan bydra tot beter praktykopleiding. Die boek bestaan uit ses hoofstukke en tel meer as 500 bladsye. Om lang opskrifnommers te vermy, begin elke hoofstuk met 'n afdeling 1 (in plaas van byvoorbeeld 4.1, wat dan aandui dat die betrokke afdeling deel vorm van hoofstuk 4). Dit is 'n praktiese oplossing vir 'n lastige probleem ('n opskrif soos 4.1.2.2.1 raak immers onoorsigtelik), maar dit het as nadeel dat daar ses afdelings in die boek is waaraan die nommer 3.1 toegeken is - wat natuurlik weer (kruis)verwysing daarna bemoeilik.

    Die eerste drie hoofstukke is gewy aan die onderliggende begrippe en terminologie: hoe word die aktiwiteit van teksredaksie gedefinieer; wat is die geskiedenis en bronne van die vakgebied; op watter taalkundige teorieë en modelle is dit gebaseer; in watter sektore is teksredakteurs werksaam, en wat is hulle taakomskrywing. Myns insiens sou die uiteensetting in afd. 4.2 van hoofstuk 2 (en die subparagrawe daarvan) wat handel oor die interne en eksterne taalnorme vir Afrikaans eerder hier uitgelaat kon word deur bloot vooruit te verwys na hoofstuk 5, waar elkeen van hierdie aspekte weer in besonderhede gedek word.

    In hoofstuk 1-3 word 'n teoretiese raamwerk verduidelik wat grotendeels gebaseer is op Renkema se CCC-model, hier verafrikaans tot die K3-model. Die vyftien ykpunte van hierdie model word skematies weergegee in Skema 2 op bl. 63 - helaas so klein gedruk dat dit feitlik onleesbaar is. Siende dat dit die model is waarmee deurgaans gewerk word in hierdie boek, sou die uiteensetting daarvan sekerlik 'n aparte bladsy regverdig?

    In hoofstuk 4 tot 6 kom daar 'n meer praktykgerigte benadering na vore. In hoofstuk 4 word die proses van en prosedures nuttig vir teksredaksie bespreek (alhoewel die frase in die hoofstuktitel "die doen van teksredaksie" nie my rooi redakteurspen sou vrygespring het nie). Die verskillende formate waarin kopie gelewer kan word; die verskille tussen die hantering van elektroniese en gedrukte kopie; die gebruik van huisstylgidse en die hoe en wat van teksprojekbestuur is alles onderwerpe wat nuttig is vir die voornemende teksredakteur en wat besonder deeglik bespreek word.

    Hoofstuk 5 verskaf 'n oorsig van die taalkundige agtergrondskennis wat nodig is vir die proses van teksredaksie. Onderwerpe soos grammatika, betekeniskwessies, spelling en interpunksie, register en styl, taalsuiwerheid, tipografie en uitleg, paragrafering en argumentasiestrukture word bespreek. Dit is jammer dat die outeurs hier na beide lees- en skryftekens verwys onder die sambreelterm interpunksie (bl. 364). Dit is 'n ongelukkige keuse, want sowel die term punktuasie as interpunksie verwys uitsluitlik na leestekens. Van der Horst (1993)1 behandel die diakritiese of skryftekens wel onder die hoofopskrif Leestekens, maar onderskei tussen hulle in die teks deur na skryftekens te verwys as "meer tekens onmisbaar bij het schrijven" (1993:122). Hy beweer dus nie dat interpunksie of punktuasie ook die diakritiese tekens sou insluit nie, en so 'n interpretasie van die term punktuasie of interpunksie kon ek dan ook in geen Afrikaanse, Nederlandse of Engelse woordeboek opspoor nie. In aansluiting by die definisies van al hierdie begrippe in die Terminologielys van die jongste Afrikaanse woordelys en spelreëls2 verdien dit dan ook aanbeveling om hierdie twee begrippe van mekaar geskei te hou, omdat dit duidelik na verskillende kategorieë tekens verwys. Die gevaar in die saamgooi van die kategorieë word duidelik as daar op bl. 364 op twee plekke op verwarrende wyse na "interpunksietekens" verwys word. In die inleidende afdeling stel die outeurs die volgende: "Interpunksietekens (lees- en skryftekens) is meer 'n kwessie van konvensie, tradisie en gebruik as van verpligting." In die derde en vierde inskrywing van die kollys word verwys na "interpunksietekens" (dus in terme van die outeurs se definisie inklusief skryftekens) as "stylmiddele wat gebruik word om pouses of klem in skrif aan te dui" en waarvan die funksie is "om gemaklike lees te verseker". Vanselfsprekend word hier slegs na leestekens verwys, maar die gemiddelde leser lei dalk hieruit af dat die gebruik van skryftekens of diakritiese tekens ook 'n kwessie van smaak of keuse is, terwyl die gebruik daarvan in Afrikaans uiters noukeurig bereël word in die AWS en hoegenaamd nie aan die gebruiker se diskresie oorgelaat word nie. Diakritiese of skryftekens is deel van die vaste en voorgeskrewe spellingbeeld van woorde, selfs as 'n woord individueel gebruik word (soos in 'n woordeboek), terwyl leestekens weer die intonasie, pousering, betekenis en ritme van sinne bepaal en inderdaad deels afhang van persoonlike voorkeure.

    Toepaslike voorbeelde is dun gesaai in die tweede deel van die boek. 'n Ernstiger tekortkoming is verder dat baie van die gegewe voorbeelde nie outentieke praktykvoorbeelde is nie. Hulle kom dikwels kunsmatig voor en die voorbeeldsinne is boonop in baie gevalle ingebed in 'n patriargale denkpatroon, waar rugbyspelers, predikante en professore die manlike beroepsbevolking uitmaak en waar vroue slegs te vet is om in rokke te pas (of natuurlik fraai lyk in rokkies - vergelyk bl. 109), te graag klere koop (waarskynlik op hulle suksesvolle mans se rekening?) of persone is oor wie daar 'n ogie gehou moet word. Baie voorbeeldsinne is afkomstig uit 'n spreektaalkonteks of hulle is duidelik daar en dan uitgedink; dit is hoegenaamd nie die tipe voorbeelde wat teksredakteurs in saaklike tekste sou teëkom nie. En is die eerste outeur se familielede nie al moeg daarvoor om as figurante in die voorbeeldsinne ingesleep te word nie? Ek gee enkele voorbeelde van sinne wat so 'n onderliggende lewensbeskouing na vore laat kom om die punt te illustreer:

    Sy moes etlike kilogramme afskud om in die rok te pas. (94)
    'n Predikant moet eerder 'n huisvestingstoelaag ontvang sodat hy vir sy eie huisvesting kan sorg. (109)
    Lani sal nog skottelgoed was as sy moet, maar Ihan sal dit glad nie doen nie. (109)
    Ek koop graag boeke, maar Wilma weer net klere. (110)
    Rikus is intelligent, hardwerkend en eerlik. (111)
    Rikus gaan nie more met sy nuwe motor stad toe ry nie. (343)
    Ons was betyds vir die klas, maar daar was nie 'n dosent nie. (343)
    Volkspele, sang en vleis sal gebraai word. (347)
    Huis te huur vir jong paartjie naby bushalte. (348)
    Die hand wat die wieg regeer, is die hand wat die wêreld regeer. (Alle getroude mans is deeglik bewus hiervan.) (365)
    "Ek laat my nie voorsê wat ek moet doen nie," het oom Jan gesê... (367)

    Ook 'n stelling soos die volgende het 'n kamferreukie: "Jou ensiklopedie is skielik weg (kinders!) en jy moet dringend feite kontroleer..." (bl. 432). Die aanname dat almal sal kan identifi seer met 'n werksomgewing waarin kinders 'n rol speel is een ding, maar wie van ons kontroleer nog feite in 'n regte egte ensiklopedie wat 'n rak van die boekrak volstaan? Google en Wikipedia is nooit weg nie, behalwe as daar 'n kragonderbreking of internetprobleem is...

    Die taalhandboeke waarna lesers telkemale as bevoegde gesag verwys word, is (soos die outeurs self inderdaad tot vervelens toe meld) sterk verouderd en dikwels ook bloot deskriptiewe taalhandboeke wat gerig is op skool- of voorgraadse onderrig. Die inligting daarin is nie vanselfsprekend korrek bloot omdat die een of ander taalkundige ooit oor die saak 'n eiertjie gelê het nie. So word daar byvoorbeeld verwys na Coetser (1992) se aanbeveling dat gedagtestippels/'n ellips soms uit drie kolletjies bestaan, maar volgens hom in sekere gevalle net uit twee (bl. 365). Nog nooit het ek elders 'n aanbeveling vir twee kolletjies as ellips teëgekom nie, en baie redakteurs sal dan ook beslis nie so 'n "voorskrif" navolg nie. Dit is ook 'n taak van 'n handboek om studente aan te moedig tot kritiese denke, en nie tot slaafse navolging van voorskrifte nie.

    Inhoudelike en taalkundig gebaseerde redigeertake word omvattend bespreek in die boek. Die formaat waarin dit gegiet is, vergemaklik egter nie die vind van inligting oor 'n bepaalde onderwerp nie. Die tradisionele indeling in hoofstukke en afdelings in lopende prosa, deurspek met bladsyelange kollyste, in plaas van 'n meer tematiese benadering of selfs 'n hoofstuk- of lemmagebaseerde indeling soos in Van der Horst se Redactiewijzer of Müller se Skryf Afrikaans van A tot Z,3 maak dat 'n mens baie moeilik gaan vind waarna jy soek sonder om die halwe boek deur te blaai. Dit is ook nie altyd duidelik hoekom sekere aanbevelings meermale herhaal word nie. So is daar op bl. 371-372 'n kollys in 'n grys raampie (Lys 64) waarin nie minder nie as 20 algemene aanbevelings oor styl gemaak word. Die kollys self vorm op sy beurt deel van 'n oorkoepelende kollys (sonder dat hierdie hiërargieverskil deur middel van 'n ander ikoon aangedui word) wat oor talle bladsye strek. Skaars 'n bladsy later vind ons egter nóg 'n kollys met die opskrif 7.2 Gebruikswenke, waarin baie van die wenke/voorskrifte uit Lys 64 herhaal word. Het sulke lysies algemene wenke sonder illustrerende voorbeelde trouens enige praktiese nut, en indien wel, sou dit nie beter en duideliker gesistematiseer kon word nie? Ek bely openlik dat ek verdrink in die see van talle vae voorskrifte, en soms die logiese lyn verloor in die boek.

    In plaas van 'n lang lys van moets en moenies (vergelyk byvoorbeeld die lys op bl. 371-372) behoort die vae voorskrifte in die boek aangevul te word deur voorbeelde van minder geslaagde formulerings, en dan moet daar ook aangedui word hoe dit verbeter kan word. Wat maak 'n mens byvoorbeeld met 'n lys instruksies soos die volgende:

    Vermy hoogdrawendheid
    Gebruik objektiewe taal in neutrale tekste
    Gebruik lees- en skryftekens funksioneel
    Vermy oormatige beeldspraak
    Maak seker dat paragrawe koherent is

    As hierdie tipe voorskrifte nie deur praktykvoorbeelde toegelig word nie, het dit weinig praktiese opleidingsnut. Die voornemende redakteurs weet immers nie wat hulle nie weet nie - hoe sal hulle 'n oordeel kan vel oor 'n aspek soos hoogdrawendheid, objektiewe taalgebruik of funksionele leestekengebruik as hulle nie deur middel van voorbeelde leer hoe om dit in 'n teks te herken nie, en, selfs belangriker, hoe dit verbeter kan word?

    In Teksredaksie word 'n onderskeid tussen verskillende vorme van redigering gemaak op grond van die graad van ingryping wat vereis word: ligte, medium of swaar redigering. 'n Praktykonderskeid wat dikwels gemaak word, maar wat nie eintlik in die boek ter sprake kom nie, is juis die onderskeid tussen sogenaamde inhoudelike en tegniese redigering. Die aspekte wat ter sprake kom by tegniese redigering is baie omvattend. Dit sluit onder andere sake in soos die volgende: uitlyning, inkeping en kodering van opskrifte en paragrawe; die gebruik van leestekens by die afsluiting van voorbeelde in 'n kollys of genommerde lys; die kontrole of items in 'n lys korrek volg op die inleier en 'n soortgelyke struktuur het; die kontrolering van die inhoudsopgawe; eenvormigheid ten opsigte van hooflettergebruik, koppeltekens, eiename, spasies, metrieke simbole, die desimale merker, afkortings, die weergawe van syfers, verwysings, die plasing van aanhalingstekens, voetnootmerkers in teks ... die lys is eindeloos. Dit is al hierdie sake waarvan die aspirantteksredakteur kennis moet neem - en te min leiding oor en voorbeelde van hierdie aspekte word in die boek gegee. Dit is juis inligting ten opsigte van hierdie soort redigering (ek gebruik steeds die woord, al is die outeurs van mening dat dit eerder redaksie moet wees, wat egter vir my verwarring kan skep tussen die proses van redigering en die groep persone wat aan die hoof van 'n koerant of tydskrif staan) ten opsigte waarvan daar 'n veld braak lê in Afrikaans: 'n Afrikaanse ekwivalent vir die Chicago manual of style4 of, op meer beskeie skaal, vir 'n werk soos Van der Horst se Redactiewijzer.

    In die laaste hoofstuk (hoofstuk 6) word daar wel gepoog om aan die hand van werklike tekste 'n beeld te gee van hoe die teksredakteur te werk gaan by die redigering van 'n teks. Ek is van mening dat hierdie voorbeelde baie nuttig is vir beginnende teksredakteurs as 'n stapsgewyse voorstelling van die denkprosesse en oorwegings wat deel vorm van teksredaksie. Veral die bydrae van Renée Marais verdien hier vermelding omdat dit nuttige insae verskaf in die rondtes van die proses wat gevolg word.

    'n Laaste maar baie belangrike punt: practise what you preach. Dit is vanselfsprekend dat 'n boek wat daarop aanspraak maak om teksredakteurs prakties op te lei, self bo verdenking moet wees wanneer dit kom by die kwaliteit van die redaksionele versorging. Dit is jammer dat klein jakkalsies die wingerd hier taamlik verniel, want daar kan heelwat kritiek gelewer word op hierdie aspek. Natuurlik kan al hierdie foute nie voor die deur van die outeurs gelê word nie; die uitgewer is minstens medeverantwoordelik vir die redigering en proeflees van die boek. Ek noem slegs enkele voorbeelde uit die talle gebreke wat voorkom:

    1. Dit is nie korrek volgens die verkorte Harvard-styl van verwysing om die aanduiding red. of ed. deel te maak van die verwysing binne-in die teks nie, soos wat deurgaans in hierdie werk gedoen word; dus: Jansen 1996:18, nie Jansen (red.) 1996:18 nie (bl. 375). Ook hoort daar in die bibliografie-inskrywings 'n punt tussen die voorletters van die outeur en die jaartal, wat in hierdie werk ontbreek. Volle verwysing na internetbronne (die URL) word verkieslik nie in die teks gegee nie, maar in die bronnelys. Die verwysing in die teks moet lyk soos enige ander teksverwysing: outeur/instansie, jaartal en, indien van toepassing, bladsynommer (bl. 6).

    2. Die gebruik van die ampersand (&) in plaas van die woord en tussen die name van medeouteurs waar hulle as onderdeel van die sin genoem word, is nie die norm nie (vergelyk "In Lourens & Bedeker se Wetenskaplike skryfvaardighede (2004)... ", bl. 430).

    3. Op bl. 359 is daar 'n hele uiteensetting oor hoe mens te werk moet gaan om die onbepaalde voornaamwoord 'n in Afrikaans se afkappingsteken reg te stel sodat dit nie soos die eerste omgekeerde kommatjie van enkel aanhalingstekens (')verskyn nie, maar as die tweede ('), 'n regop kommatjie). Helaas het die 'n 'n hele paar keer deurgeglip, onder andere in die inhoudsopgawe van die boek (bl. viii en ix).

    4. Redakteurs het almal hul eie stokperdjies wat hulle graag ry ten opsigte van taal- of stylfoute wat hulle besonder irriteer. Die outeur(s?) van hierdie werk hou duidelik nie van die woord "aanspreek" in die konteks van "probleme aanspreek" nie; hulle meld hierdie persoonlike afkeer op minstens vier plekke in die boek en verwys na dié woordgebruik as "foutief" (byvoorbeeld op bl. 330, 351 en 457). Ongelukkig vermeld HAT se 2010-druk wél die woord in hierdie betekenis, dus gaan dit hier hoogstens oor 'n persoonlike voorkeur. 'n Mens moet seker maak dat dit in sulke gevalle inderdaad oor 'n taalfout gaan; veral by vermeende anglisismes, wat die neiging het om met verloop van tyd ingeburger te raak (of taalkundiges of teksredakteurs nou daarvan hou of nie). Aan die ander kant twyfel ek wel of die gebruik van die woord "oorsigte" in die betekenis van "foute, mistastings" al aanvaarde gebruik is in Afrikaans (bl. xiii). Nie volgens die 2010-HAT nie, wat dit as anglisisties bestempel; myns insiens tereg, omdat die bestaande woord "oorsig" in Afrikaans 'n heeltemal ander en onversoenbare betekenis het.

    5. Nienaber en Raper se boek oor Khoekhoense plekname is getiteld Toponymica Hottentotica, nie Hottentotica Toponymica nie (bl. 415).

    6. Baie van die skemas se lettergrootte dryf enigiemand ouer as 30 tot wanhoop; dit is gewoon te klein vir gemaklik lees (vergelyk Skema 22 op bl. 301, Skema 23 op bl. 334); soms is dit werklik so klein dat mens dit glad nie kan ontsyfer nie ( Skema 2 op bl. 63 en op bl. 442).

    7. 'n Hele afdeling word gewy aan tipografie; so word die kwessie van lettergewig bespreek op bl. 139. Tog kies die uitgewer/redakteur vir 'n ligte lettertipe vir die tweedevlakopskrif (bv. 5.2) in 'n skreeflose font, terwyl die hiërargies ondergeskikte derdevlakopskrif met 'n skreeflettertipe in vetdruk verskyn wat die tweedevlakopskrif heeltemal oordonder (vgl. bl. 442).

    8. Twee keer kom vet druk voor op bl. 391, terwyl AWS een woord vereis - maar dan weer vetdruk op bl. 396.

    Ten slotte: alhoewel daar 'n skat van nuttige inligting in die boek opgesluit lê, is dit (nog) nie werklik 'n praktykgerigte opleidingshandboek nie. Daarvoor sou daar baie meer outentieke voorbeeldtekste ingesluit moet word, waarin die algemene teoretiese advies oor baie sake prakties toegelig word met werklike praktykvoorbeelde. Daar kan ook meer aandag geskenk word aan die kwessie van hoe die werk as naslaanwerk toegankliker gemaak kan word. As eerste poging om die vakgebied te ontsluit is dit egter 'n baie welkome toevoeging tot die Afrikaanse teksredakteur en taaldosent se boekrak. Dit is tipies van werke van hierdie aard dat dit groei en verbeter soos wat praktykterugvoer van gebruikers geïnkorporeer word in volgende uitgawes. Ek sien uit daarna.

     

    Dineke Ehlers
    Departement Afrikaans en Algemene Literatuurwetenskap
    Universiteit van Suid-Afrika

     

     

    1 Van der Horst, P.J. 1993. Redactiewijzer. 'sGravenhage, Sdu.
    2 Afrikaanse woordelys en spelreëls. 2009. Tiende omvattend herbewerkte uitgawe. Saamgestel deur die Taalkommissie van die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns. Kaapstad: Pharos.
    3 Müller, D. 2003. Skryf Afrikaans van A tot Z. Kaapstad: Pharos.
    4 The Chicago manual of style. 2003. 15th ed. Chicago: University of Chicago Press.

     


     

    Reminiscences

     

     

    deur William Chapman, geredigeer en van aantekeninge voorsien deur Nicol Stassen, 2010. Uitgegee deur Protea Boekhuis, Pretoria.
    476 bladsye.
    ISBN 978-1-86919-192-4
    Prys: R300.

    William Chapman (1858-1932) was 'n handelaar en jagter wat in Kaapstad gebore is, maar reeds op sestienjarige leeftyd vertrek het na Damaraland (tans deel van Namibië) en in 1881 na Angola gereis het waar hy ingeskakel het by die Boeregemeenskap wat by Humpata gevestig was. Hy is met 'n Dorslandtrekker se dogter, Hester Opperman, getroud en na haar vroeë dood met nog 'n lid van die Afrikanergemeenskap in Angola, Maria Magdalena van der Walt. In Suid-Afrika en Namibië leef tans baie van hul nasate. Chapman is deur die Angolaboere as feitlik een van hulle gesien en het 'n leiersfiguur onder hulle geword. Hy was dan ook betrokke by hul repatriasie na die destydse Suidwes-Afrika in 1928. Hoewel Chapman deur een van sy grootouers van Afrikaanse afkoms was, is twee ander grootouers in Engeland en die vierde een in Ierland gebore en het hy homself as 'n Brit beskou. Op sy grafsteen in die begraafplaas van Gobabis word aangedui dat hy "a staunch Britisher" was (p. 12). Chapman het 'n goeie opvoeding gehad en selfs in Angola gereeld tydskrifte uit Europa ontvang. In sy herinneringsgeskrif is hy nie sonder kritiek op die leefwyse van die Angolaboere nie en betreur dit onder meer dat sommige van hulle nie veel waarde aan onderwys vir hul kinders geheg het nie (p. 350).

    Chapman het sy herinneringe op sestigjarige ouderdom begin opteken. Dit is 'n lywige geskrif wat uit twee dele bestaan: Reminiscences concerning the life of William Bushnell Chapman (pp. 25-318) en An account of the entry of the Trek Boers into Angola and of their sojourn during the forty-eight years they struggled in that country under Portuguese rule (pp. 319-437). Heelwat inligting wat in die eerste deel verskaf word, word in die tweede deel herhaal. Die manuskrip, wat sedert 1974 in die nasionale argief in Windhoek bewaar word, is nou vir die eerste keer gepubliseer en van aantekeninge voorsien deur dr. Nicol Stassen, kenner van die geskiedenis van die Dorslandtrekkers en hoof van Protea Boekhuis. Die boek is 'n waardevolle bron ten opsigte van toestande in Namibië voor die Duitse kolonisasie van 1884 en ook van omstandighede in suidelike Angola in die laat negentiende en vroeë twintigste eeue. Chapman het heelwat kontak met Portugese amptenare en setlaars gehad en het Portugees geleer praat. Sy werk bevat insiggewende inligting oor die Portugese bestuurstelsel en oor die probleme wat die Boere daarmee ondervind het. Hoewel hy baie krities teenoor die Portugese koloniale owerheid staan en hy sekerlik nie heeltemal onbevooroordeeld is nie, dui hy tog sowel negatiewe as positiewe aspekte van die Portugese se beleid en optrede in Angola aan. Chapman toon ook nie 'n rassevooroordeel nie en bied interessante inligting oor die verhoudinge tussen die Portugese, die Boere en die swart stamme in die streek. Onder die Angolaboere was daar niemand anders wat so uitgebreid oor sy/ haar ervaringe geskryf het nie. Chapman het hom in sy herinneringe egter nie ten doel gestel om 'n geheelbeeld van die Boeresamelewing in suidelike Angola te skets nie (ook nie in die tweede deel van sy manuskrip nie). Hy skryf hoofsaaklik oor sy eie wedervaringe en veral oor sy vele jag- en handelsekspedisies. Oor sy gesinslewe is hy baie terughoudend. Hy vertel byvoorbeeld in enkele sinne dat hy tydens een van sy reise die tyding gekry het dat sy eerste vrou oorlede is (p. 259) en vermeld nie die oorsaak van haar dood nie.

    Stassen het Chapman se teks onveranderd gelaat behalwe om enkele grammatikale foute reg te maak en dit dan elke keer in 'n voetnoot te vermeld. Selfs die bladsynommers in die manuskrip word in die gepubliseerde weergawe aangedui. Sy kantaantekeninge is besonder uitgebreid en getuig van deeglike navorsing. Van die meeste persone na wie Chapman verwys, verskaf Stassen kort biografiese gegewens. Enkele voetnote lyk onnodig, byvoorbeeld oor die geografi ese ligging van plekke soos Kimberley, Paarl en Worcester (pp. 27, 34, 35), maar vir lesers met baie min kennis van Suider-Afrika sal dit van waarde wees. In Stassen se inleiding word 'n kort oorsig gegee van Chapman se lewe (en van dié van sy vader, wat 'n bekende ontdekkingsreisiger in suidelike Afrika was) en word sake soos sy verhouding met die kerk en sy belangstelling in natuurwetenskaplike ondersoek bespreek. Die boek bevat 'n register en 'n uitgebreide lys van bronne wat (naas Chapman se herinneringe), van belang is vir die geskiedenis waarop die boek betrekking het. Verder het Stassen meer as honderd foto's wat verband hou met Chapman, die Angolaboere en Portugese nedersettings in Suid-Angola byeengebring en in die boek opgeneem. Resente foto's is in kleur gedruk. Die foto's alleen maak dit al die moeite werd om die werk te besit. Dit is verblydend dat die verkoopprys van die boek, seker een van die mees luukse publikasies wat deur Protea Boekhuis uitgegee is, nie baie hoog is nie.

     

    Pieter de Klerk
    Vakgroep Geskiedenis
    Noordwes-Universiteit