SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.50 issue3 author indexsubject indexarticles search
Home Pagealphabetic serial listing  

Tydskrif vir Geesteswetenskappe

Print version ISSN 0041-4751

Tydskr. geesteswet. vol.50 no.3 Pretoria Sept. 2010

 

NAVORSINGS- EN OORSIGARTIKELS RESEARCH AND REVIEW ARTICLES

 

Afrikaanse spreektaalnormen en prescriptieve afri kaanse normen: is er genoeg ruimte voor grammaticale diversiteit in het standaard-afrikaans?1

 

Afrikaans speech norms and prescriptive afrikaans norms: is there enough scope for grammatical diversity in standard afrikaans?

 

 

Gerald Stell

Centre for Linguistics, Vrije Universiteit Brussel, Brussel, België. E-pos: gstell@vub.ac.be

 

 


RÉSUMÉ

Les normes de l'Afrikaans parlé et de l'Afrikaans standard
Y a-t-il lieu de reconnaître la diversité grammaticale de l'Afrikaans?

Dans le contexte sociolinguistique actuel où l'Afrikaans, dans sa forme prescriptive, perd en visibilité, il semble approprié de réouvrir un ancien débat: l'Afrikaans standard doit-il refléter les normes du registre Afrikaans informel ou sa propre tradition écrite? Il est difficile de répondre à cette question sans un examen préliminaire de la variation qui prévaut actuellement dans l'Afrikaans parlé. Pour faciliter cette tâche, nous avons assemblé un corpus d'Afrikaans parlé sous la forme de sept échantillons composés de locuteurs Blancs et Métis, subdivisés en trois groupes générationnels. Afin de déterminer s'il y a lieu ou non de parler de convergence vers l'Afrikaans standard, un total de 15 variables morphosyntactiques a été sélectionné et soumis à une analyse statistique. Les résultats de cette analyse montrent qu'il peut y avoir convergence entre échantillons soit en direction de la variante prescriptive, soit en direction de la variante non-standard. Il s'avère que, dans tous les cas, les locuteurs Blancs restent les plus proches de la norme prescriptive. Il s'avère aussi que, malgré l'écart systématique observable entre Blancs et Métis, tous deux ont généralement tendance à converger mutuellement, sans que cette convergence ne se fasse nécessairement en direction de la norme prescriptive.

Trefwoorde: Taalvariasie, Afrikaans, Standaardisasie, Grammatika, Etnisiteit, Sosiolinguistiek, Gesprekstaal, Taalnorme, Preskriptiewe norme, Kleurlingafrikaans.


ABSTRACT

Afrikaans may be a standardized language, but it is acknowledged that the standardization it has undergone is not quite thorough and should be continued, particularly at the grammatical level. How the standardization process should be continued has, however, been the topic of a debate that emerged in the 1990s: should Standard Afrikaans reflect spoken varieties or its own written tradition? The origin of that debate was the fear that the gap between Standard Afrikaans and spoken varieties would, in the long term, widen and alienate a growing number of Afrikaans speakers, undermining its position and status in the process. Against today's background of the diminishing visibility of Standard Afrikaans not only in the media but also in education, that debate arguably deserves to be reopened once more. But then, arguably, that debate cannot dispense with a clear idea of linguistic variation in the Afrikaans speech community, and in particular in the informal register. And the central question which must be asked in reference to that informal register is: how deep is the imprint that Standard Afrikaans has left on it as a result of compulsory education and exposure to the media? And considering today's changed sociolinguistic settings: is that imprint diminishing, allowing informal spoken Afrikaans to evolve its own rules?
In order to answer these questions, a corpus of informal spoken Afrikaans has been collected among both White and Coloured speakers, subdivided into three distinct age cohorts, contained in seven samples spread across the three historical dialect zones of the Afrikaans language area. In the process, further possible geographical subdivisions of the Afrikaans speech community were taken into account, such as the urban/rural divide and the recent political border that separates Namibian Afrikaans speakers from their South African peers. In order to test the possibility of convergence with or divergence from the prescriptive norm, a total of 15 morphosyntactic variables with a standard variant and a non-standard variant were singled out for analysis. Among these are a range of variables whose non-standard variant is typically associated with Coloured varieties (e.g. non-standard onse vs. standard ons, "our", non-standard hulle se vs. standard hulle, "their"), and that I thus refer to as "ethnic variants", while the diffusion of the remaining variables is generally not described in ethnic terms (e.g. non-standard Verb Second in relative clauses vs. standard Verb Final).
The first step in our analysis consists of looking at the invidivual diffusion of each of the 15 variables. The overall picture is that general convergence is sometimes observable in the direction of the prescriptive variant, but also at other times away from it. Also, there are cases of divergence between samples, observable when some of the samples are converging towards the prescriptive variant while others are moving away from it. An important observation is that Whites generally stand closest to the prescriptive variant. The second step in our analysis consists of a multivariate analysis involving all variables simultaneously in order to allow generalizations on convergence with and divergence from the prescriptive norm. The overall picture yielded by that multivariate analysis is again one that illustrates the prevalence of a systematic linguistic gap between Coloured and White varieties, showing White varieties to be linguistically more homogeneous than Coloured varieties. What it further illustrates is a general trend of mutual convergence between the South African White and Coloured samples. In other words, Afrikaans varieties (at least in South Africa) are becoming more homogeneous without necessarily getting closer to the prescriptive norm. I argue that this observation should be taken into account in any attempt to further standardize Standard Afrikaans grammar.
On the basis of the observations described above, there seems to be scope for improving the representativity of the Standard Afrikaans norm. Enhancing the representativity of the Standard Afrikaans norm need not entail scrapping specific grammatical variants. Rather, it could mean acknowledging variation by mentioning variants which are typical of the informal registers of Afrikaans alongside their prescriptive equivalents. I argue here that one merit of this approach is that it reduces the gap between spoken and written registers without doing away with the latter, while also acknowledging ethnic diversity in spoken Afrikaans.

Key words: Language Variation, Afrikaans, Standardization, Grammar, Ethnicity, Sociolinguistics, Spoken Language, Language Norms, Prescriptive Norms, Coloured Afrikaans


 

 

*****

Vanuit een Zuid-Afrikaans perspectief is het Afrikaans een volledig ontwikkelde standaardtaal die door een uitgebreide prescriptieve literatuur ondersteund wordt. Er blijven echter leemtes in die prescriptieve literatuur, in het bijzonder op grammaticaal gebied. Een centraal naslagwerk vergelijkbaar met de Algemeen Nederlandse Spraakkunst zou die tekortkomingen kunnen opvangen en zou bovendien de bekroning zijn van meer dan een eeuw taalcodificering. De opmaak van een dergelijk normatief werk kan mijns inziens evenwel niet los gezien worden van de discussie die in de negentigerjaren plaatsvond rondom de mogelijke hervorming van prescriptief Standaardafrikaans.

De discussie waarnaar ik nu verwijs ontstond uit de vrees dat de kloof tussen prescriptieve normen en reëel taalgebruik op lange termijn de positie van het Afrikaans zou benadelen. Die bezorgdheid werd nog versterkt door de overweging dat sommigen het aanleren van gestigmatiseerde - en als te vreemd dan wel te "blank" aangevoelde - Afrikaanse prescriptieve normen wel eens niet langer noodzakelijk zouden kunnen vinden in de veranderde taalpolitieke context van het nieuwe Zuid-Afrika.

Onder invloed van wijd verspreid eentalig Afrikaans onderwijs gedurende de apartheid evolueerden (c.q. standaardiseerden) Afrikaanse spreektaalvariëteiten in de richting van prescriptief Standaardafrikaans. Op dit eigenste ogenblik krimpt het Afrikaanse onderwijs verder in en kan het een verdere convergentie tussen spreektaalvariëteiten en prescriptieve normen misschien niet langer bewerkstelligen. De positie van prescriptieve normen ten opzichte van reëel taalgebruik is, met andere woorden, actueler dan ooit. Jammergenoeg lijken de verschillende standpunten over die kwestie soms moeilijk te verenigen. Indien men tot een grotere representatie van "reëel taalgebruik" in prescriptief Standaardafrikaans wil komen, dan is het zeker de vraag welk reëel taalgebruik als vertrekpunt genomen moet worden?

De kernvraag lijkt dus hoe men verantwoorde richtlijnen uit zou kunnen werken om een grotere representativiteit van reëel taalgebruik in prescriptief Standaardafrikaans te bewerkstelligen, rekening houdend met sociale, geografische en stilistische inclusiviteit. In dit artikel pleit ik daarom voor een nieuwe benadering van reëel taalgebruik bij het formuleren van grammaticale regels voor het Standaardafrikaans. De verschillende opties die ik aanhaal en evalueer houden, enerzijds, rekening met de tendensen van convergentie en divergentie tussen informele Afrikaanse spreektaalvariëteiten en, anderzijds, met de respectieve positie van die variëteiten ten opzichte van prescriptief Standaardafrikaans.

 

1. STANDAARDAFRIKAANS: TUSSEN CODIFICERING EN HERVORMING

Het concept "Afrikaans" als benaming voor een taal is niet te scheiden van prescriptieve normen. Voor de Eerste Taalbeweging was er immers nauwelijks sprake van "Afrikaans" als een taal. In plaats ervan werd er o.m. gesproken van "Kaaps-Hollandsch", "(Hoog-)Hollandsch", "Hotnot-Hollandsch", etc. (vgl. Roberge 2003:25; Deumert 2004:60). Het begin van de Eerste Taalbeweging, dat volgens algemeen aanvaarde historiografie in 1875 te plaatsen is, viel feitelijk samen met de uitgave van het eerste Afrikaanse regelboekje (Du Toit 1876). Die uitgave was het product van een ontluikend nationalistisch discours dat zowel gericht was tegen het Britse imperialisme als tegen de "antinationale" attitude van de stedelijke Kaaps-Hollandsch-sprekende intelligentsia (vgl. Roberge 2003:25-6; Deumert 2004:55-6). Afrikaans, als nationaal bindend symbool voor blanke Kaaps-Hollandsch-sprekenden, viel samen met ortografische en gramma ticale regels. Volgde men die regels niet, dan zondigde men tegen het Volkseie.2

Het proces van de normselectie voor het Afrikaans was nauw verbonden met de wil om elementaire motieven van Afrikanernationalisme te verpersoonlijken: de taal zou lokaal, blank en distinct van het Engels zijn. Dit was al zo onder de hoede van de Eerste Taalbeweging en bleef (na de Tweede Boerenoorlog) het geval tijdens de meer populaire Tweede Taalbeweging (vgl. Roberge 2003:26, 29-30; Zietsman 1992:58-62).

Het lokale karakter van het Afrikaans werd bewerkstelligd door het selecteren van een aantal basilectale kenmerken van het Kaaps-Hollandsch, zoals bijvoorbeeld de dubbele ontkenning en het vereenvoudigde tijdensysteem. Beide elementen hadden een belangrijke symbolische functie: ze moesten afstand tot het Nederlands voor de geest te roepen (Deumert 2004:61). Al snel kwam men echter tot het inzicht dat het Nederlands toch betrokken moest worden bij de codifi catie van het Afrikaans indien men er een praktisch alternatief voor het Engels mee wou bieden (Uys 1983).

Bij de selectie van prescriptieve Afrikaanse normen in de vroege descriptieve literatuur valt op hoezeer raciale spanningen tussen blanke en niet-blanke Afrikaans-sprekenden een rol speelden. Het grote linguïstische contrast tussen blanke en niet-blanke Afrikaanssprekenden wordt systematisch onderstreept: in verband met het Afrikaans van kleurlingen sprak Von Wielligh (1925:94) van "die laagste vorm wat ooit bereik is deur Afrikaans", en Rademeyer (1938:5) van een "soort ontaarde Afrikaans". Niet-blanke variëteiten zijn nooit zichtbaar als bronnen gebruikt voor de Standaardafrikaanse norm, al is geopperd dat sommige kenmerken ervan - zoals de dubbele ontkenning - historisch een niet-Blanke correlatie bezitten (Deumert 2004: 209-10).

De toenemende waarschijnlijkheid van een multiraciaal Zuid-Afrika zorgde voor een politiek discours van openstelling voor niet-blanken vanaf de late jaren 1970 (vgl. du Plessis 1992:105-8). Tegen die achtergrond werd de sociale exclusiviteit van de prescriptieve Standaardafrikaanse norm (waarvoor toen de benaming Algemeen Beskaafde Afrikaans gangbaar was), in vraag gesteld (vgl. van den Berg 2000:191-2). De notie dat alleen een groepje toonaangewendes de sprekers van de standaardvorm waren, maakte plaats voor een nieuwe voorstelling van de Afrikaanse standaardtaal als een variëteit die in theorie voor iedereen toegankelijk was (van den Berg ibid.:192-3). Al is die voorstelling thans algemeen aanvaard, er blijft nog een spanning bestaan tussen definities die respectievelijk de "normkant" en de "feitenkant" van het begrip Standaardafrikaans beklemtonen. Bij de "normkant" vindt men definities zoals die van Ponelis (1994:107, 1998: 4), waarin het Standaardafrikaans gepresenteerd wordt als een variëteit waartoe men voornamelijk door het onderwijs toegang verkrijgt, en die verder voornamelijk als schrijftaal bestaat. Bij de "feitenkant" staan definities zoals die van Coetzee (1982:277,280), waarin Standaardafrikaans beschreven staat als reëel taalgebruik met een algemene verspreiding (zie verder van den Berg ibid.:196). De spanning tussen de "normkant" en de "feitenkant" zorgt voor conceptuele misverstanden. Aan de "normkant" staat het vast dat het Standaardafrikaans altijd ondersteund is door prescriptieve bronnen (dat wil zeggen naslagwerken, schoolboeken, taalgidsen), die al dan niet reëel taalgebruik weerspiegelen. Maar aan de "feitenkant" bestaat het gevaar dat dezelfde benaming "Standaardafrikaans" voor twee potentieel onverzoenbare gegevens gebruikt wordt, namelijk de Afrikaanse prescriptieve standaardnorm én het reële taalgebruik. Het is volgens mij dan ook belangrijk om hier voorgoed duidelijk het onderscheid te benadrukken tussen "prescriptief Standaardafrikaans" als een corpus van prescriptieve bronnen, enerzijds, en Standaardafrikaans als reëel taalgebruik anderzijds. Hoe verzoenbaar die twee types van Standaardafrikaans in de praktijk zijn, is wat ons hier interesseert. Het idee van een gevaarlijke kloof tussen prescriptief Standaardafrikaans en reëel taalgebruik heeft zich immers sedert de negentigerjaren wijd verspreid,3 maar er blijft wel onenigheid bestaan over de meest verantwoorde methodologie om de taalnormen zo te hervormen dat men tot een grotere representativiteit van de sprekersgemeenschap komt.

Het afstappen van een sociaal exclusieve definitie van het begrip Standaardafrikaans leidde tot een wetenschappelijke revalorisatie van Afrikaanse variëteiten die traditioneel als nietstandaard werden beschouwd. Met Coetzee (1982) begon het idee zich te verspreiden dat het Standaardafrikaans een variëteit is - onder verschillende gelijkwaardige variëteiten - die voor bepaalde communicatiecontexten geschikt is (vgl. van den Berg ibid.:73-4, 192). Van Rensburg (1992:191) formuleerde in diezelfde sfeer het voorstel om de linguïstische inhoud van prescriptief Standaardafrikaans te verruimen met behulp van elementen uit de spreektaal, en meer bepaald uit niet-blanke variëteiten.

Het idee van een hervorming van de normen van de standaardtaal werd over het algemeen kritisch onthaald; bovendien leek er een dominante consensus te bestaan dat normenhervorming eerder "from below" dan "from above" doorgevoerd moet worden. De Villiers (1992:303) verwierp het idee van radicale wijzigingen aan prescriptief Standaardafrikaans met het argument dat dergelijke wijzigingen niet uitvoerbaar zouden zijn. Zij stelde in de plaats voor om traditioneel als niet-standaard beschouwde Afrikaanse variëteiten te destigmatiseren terwijl de prescriptieve norm voorzichtig aangepast kon worden om beter te beantwoorden aan het concept van "die natuurlike, neutrale variëteit van die hele Afrikaanse taalgemeenskap". Webb (1998:190-1) neemt een voorzichtiger standpunt in: volgens hem kunnen de agenda's om het Afrikaans te hervormen beter uitgesteld worden in afwachting van een "radikale organiese en ekonomiese transformasie van die Afrikaanse taalgemeenskap", en er moet in tussentijd voorlopig gewerkt worden aan een veranderde attitude tegenover traditioneel gestigmatiseerde variëteiten. Met andere woorden: status quo is momenteel te verkiezen, de regels van prescriptief Standaardafrikaans moeten blijven wat ze tegenwoordig zijn, terwijl activiteiten van taalplanningorganisaties beperkt moeten worden tot "bestaande werklikhede op bane plaas" (ibid.).

Hiermee kan de discussie over de hervorming van prescriptief Standaardafrikaans volgens mij evenwel niet afgesloten worden, in het bijzonder in de huidige context waarin prescriptief Standaardafrikaans minder zichtbaar is geworden dan in de negentigerjaren en dus vermoedelijk minder invloed kan uitoefenen op de Afrikaanse spreektaalvariëteiten. Het idee dat de prescriptieve standaardnorm zich moet aanpassen aan "reëel taalgebruik" leeft nog, maar dan vooral op lexicografisch gebied. Er kan o.m. verwezen worden naar Odendals aanmaning om de Nederlandse "ballast" in lexicografische bronnen kwijt te raken (2003) en naar de introductie van een afzonderlijke afdeling over het Omgangsafrikaans in de negende uitgave van de Afrikaanse Woordelys en Spelreëls (2002). De problematiek van reëel taalgebruik en de weerspiegeling ervan in prescriptieve normen kan in breder taalkundig verband besproken worden zodra de plannen voor een centraal grammaticaal naslagwerk voor het Standaardafrikaans concreet worden. Indien voor het Afrikaans de optie ooit overwogen wordt om reëel taalgebruik als vertrekpunt te nemen voor het formuleren van grammaticale normen, dan zal dat reële taalgebruik op sociale basis gedefinieerd moeten worden. Het lijdt geen twijfel dat de meest aanvaardbare omschrijving van dat reële taalgebruik aanleunt bij De Villiers' idee van "die natuurlike, neutrale variëteit van Afrikaans"(1992:303). Waar zou de "natuurlike, neutrale variëteit" van Afrikaans gezocht moeten worden in de tegenwoordige context?

Een eerste kandidaat voor de status van "natuurlike, neutrale variëteit" zou die variëteit kunnen zijn waar Webb & De Villiers (1985:200) naar verwijzen als Informele Standaardafrikaans (ISA). Volgens die auteurs verwijst ISA naar het "Laefunksieafrikaans van standaardsprekers". Die "standaardsprekers" zijn die moedertaalsprekers die blootgesteld werden aan prescriptief Standaardafrikaans door (in het bijzonder tertiair) Afrikaanstalig onderwijs (vgl. Webb 1989:428; De Villiers 1985:31). Jammergenoeg lijkt het problematisch om ISA als synoniem voor een "natuurlike en neutrale variëteit" te behandelen: ISA kon door velen allicht effectief als "natuurlijk" en "neutraal" beschouwd worden toen Webb en De Villiers de term lanceerden omdat er toen meer mogelijkheden bestonden om Afrikaanstalig tertiair onderwijs bij te wonen. Maar aangezien blanken heden ten dage de meerderheid vormen van de studenten bij tertiaire instellingen waar het Afrikaans nog het doceermedium is, valt de sociale "neutraliteit" van ISA vandaag te betwijfelen. Een meer belovende kandidaat voor de status van "natuurlike, neutrale variëteit" zou die variëteit kunnen zijn waarnaar De Wet (1997:244) verwijst als Aktuele Afrikaans, d.w.z. een concept waarbij geen rekening gehouden wordt met toegang tot het Afrikaanstalig onderwijs, en dat eerder berust op de "supradialektale vorm van Omgangsafrikaans", of met andere woorden, Afrikaans "soos dit werklik in alledaagse omgang, in alle situasies en op verskillende funksionele vlakke gebruik word". Aktuele Afrikaans is duidelijk een sociaal meer inclusief begrip dan ISA, en het biedt een breder raamwerk waarbinnen de "neutrale variëteit van Afrikaans" gezocht kan worden.

Hoe "supradialectaal Omgangsafrikaans" te omschrijven is, hangt af van corpusgegevens. Om representatief te zijn moeten de corpusgegevens noodzakelijk informeel taalgebruik bevatten, om de eenvoudige reden dat het Afrikaans tegenwoordig steeds meer beperkt wordt tot informele functies. Representativiteit wordt ook alleen verzekerd als de corpusgegevens een evenredige vertegenwoordiging waarborgen van "gemiddelde leden" van respectievelijk de blanke en kleurlinggemeenschap; bij abstracte sociale of socio-economische klassen bestaat het risico dat die niet symmetrisch over de etnische grens heen verdeeld zijn.4

 

2. CORPUS

Voor het onderhavige artikel werd een corpus samengesteld uit zeven steekproeven in Zuid-Afrika en Namibië (figuur 1), in totaal omvat het corpus 340000 woorden en 620 sprekers. De geografische en etnische verdeling van dit corpus is gedeeltelijk bedoeld om algemeen aanvaarde dialectgrenzen tussen Zuidwestelijk, Noordwestelijk en Oostelijk Afrikaans te weerspiegelen (vgl. Ponelis 1998:13-5), maar er is ook rekening gehouden met de oude tegenstelling tussen Noord en Zuid in blanke variëteiten, met de recente politieke grens tussen Zuid-Afrika en Namibië en, in het geval van noordelijk Zuid-Afrika, met de tegenstelling tussen stedelijk en plattelands als potentiële onafhankelijke factoren van variatie. Van de zeven steekproeven zijn er vier samengesteld uit blanken (Noordelijk Plattelands, Noordelijk Stedelijk, Zuidelijk, Namibisch), en drie uit kleurlingen (Noordwestelijk, Namibisch, Zuidwestelijk). Alle steekproeven komen uit stedelijke gebieden (Gauteng, Windhoek, Kaapstad/Boland), behalve de Noordwestelijke kleurlingensteekproef (uit Upington, Noord-Kaap) en de Noordelijke blankensteekproef (uit resp. Potchefstroom, Noordwes, en Nelspruit, Mpumalanga).

 

 

Elke steekproef is samengesteld uit ongeveer gelijke aantallen vrouwen en mannen en is onderverdeeld in drie leeftijdsgroepen (17-25, 25-50, 50+). Die onderverdeling in leeftijdsgroepen is bedoeld om vergelijkingen mogelijk te maken binnen steekproeven waardoor een beeld van potentiële taalverandering door "apparent-time" verkregen kan worden.5

Om zo informeel mogelijke spreektaalgegevens te kunnen verzamelen, heeft de recrutering van de meeste informanten plaatsgevonden volgens de "friend of a friend approach" (Milroy & Gordon 2003:73-6), maar opnames uit chat-programma's van radiostations voor lokale gemeenschappen zijn soms toegevoegd om het corpus uit te breiden. Om de Observer's Paradox te minimaliseren werden de interviewtaken aan "insiders" toevertrouwd met dezelfde leeftijd en de etnische en geografische achtergronden als de informanten.

Alle jongeren werden gerecruteerd op universiteitscampussen behalve in het geval van de Noordwestelijke kleurlingen en Namibische blanken die op plaatselijke hogescholen gerecruteerd werden. Wat sociale categorieën betreft kunnen de steekproeven als representatief beschouwd worden voor de gemiddelde inkomensniveau's binnen respectievelijk de blanke en kleurlingen gemeenschappen.

Alle informanten hebben eentalig Afrikaans lager en middelbaar onderwijs gevolgd, behalve de jongere informanten van de Namibische steekproeven en die van de Zuidwestelijke kleurlingsteekproef. In het eerste geval was het Afrikaans onderwijs beperkt tot de eerste drie jaren van het lager onderwijs (vgl. paragraaf 1). In het tweede geval bevat de steekproef een aanzienlijk aantal jongere informanten die eentalig Engels onderwijs gevolgd hebben, terwijl de overigen eentalig Afrikaans onderwijs gevolgd hebben.6 Onder de jongere blanke informanten volgen alleen die van de Zuidelijke en Noordelijk Plattelandse steekproeven eentalig Afrikaans universitair onderwijs, terwijl de jongere blanke informanten van de Noordelijk stedelijke steekproef gerecruteerd werden uit de overwegend Engelstalige omgevingen van de campussen van de universiteiten van Johannesburg en Pretoria.

 

3. MORFOSYNTACTISCHE VARIABELEN

In totaal zijn 15 morfosyntactische variabelen geselecteerd. Aan elke van die variabelen is een standaard- respectievelijk niet-standaardwaarde, of een meer respectievelijk minder formele waarde toegekend, bepaald op grond van prescriptieve naslagwerken. Het bepalen van die waarden was niet altijd vanzelfsprekend doordat prescriptieve naslagwerken soms tegenstrijdige standpunten innemen ten opzichte van een bepaalde variant, of diezelfde variant zelfs helemaal niet vermelden. De naslagwerken die in geval van twijfel als doorslaggevend beschouwd werden, zijn van Schoors Grammatika van Standaardafrikaans (1983) en Carstens' Norme vir Afrikaans (2002).

3.1 Onse/ons se i.p.v. ons

Over de historische herkomst van de bezittelijke voornaamwoordsvorm ons se/onse bestaan twee zienswijzen die ofwel een Nederlandse ofwel een substratale Khoekhoegowab etymologie vooropstellen. Malherbe (1917:95) observeerde in zijn tijd dat onse prestige bezat onder blanken op grond van zijn verbogen vorm, en vaak te horen viel bij openbare toespraken. Het feit dat ons se/onse ook een gangbare vorm was onder kleurlingen uit ongeveer hetzelfde tijdperk (vgl. Stell 2007:108; Luijks 2000:124-6) kan evenwel laten veronderstellen dat het een reflex was van de synonimische Khoekhoegowab constructie sida di (zoals in bijvoorbeeld sida di hab, "ons paard", met di als bezittelijk partikel, Luijks ibid.:130).

Onse werd door vroege Afrikaanse prescriptieve bronnen getolereerd. De Waal (1910:37) concludeert dat "the choice between ons and onse rests with the user" (1910:37). Malherbe (ibid.) nam geen duidelijk normatief standpunt in met betrekking tot onse maar suggereert dat ons de natuurlijkste keus is omdat het de meest gangbare vorm is. Op grond van een corpus van blanke taalgegevens onderstreept Donaldson (1993:140) de lage frequentie van onse, waarvan hij zegt: "because it is no longer current, it may even be used ironically or humorously", zoals in het voorbeeld FW is onse held. Onse/ons se wordt naast andere bezittelijke voornaamwoordsvormen beschreven door Ponelis (1993:230) als kenmerkend voor huidige "Westelijke Afrikaanse variëteiten".

Vandaag de dag is ons de enige - dan wel de eerste - vorm die door prescriptieve bronnen vermeld wordt. Onse wordt nog steeds erkend door de Afrikaanse Woordelys en Spelreëls in de collocatie Onse Vader. Het Handwoordeboek van die Afrikaanse Taal neemt onse ook nog op en niet louter als een attribuut van godsdienstige uitdrukkingen. Op grond van de marginale vertegenwoordiging van onse in huidige prescriptieve bronnen beschouwen we deze vorm hier als de niet-standaardvariant en ons als de standaardvariant.

3.2 Hulle se i.p.v. hulle

De invoeging van het bezittelijke partikel se tussen het bezittelijk voornaamwoord hulle en het daaropvolgende substantief zoals in hulle se goed kan etymologisch een reflex vormen van bezittelijke constructies in Khoekhoegowab, Pasar Maleis en Creools Portugees. In elk van die talen waren constructies [NP poss. N] met bezittelijke partikels gangbaar (vgl. Den Besten 1989:233 ; Le Roux 1923:98). Hulle se en andere vormen met se waren sociaal gestigmatiseerd.7

Met betrekking tot de Karoostreek suggereerde Von Wielligh (1925:188) dat het voorkomen van o.m. hulle se "word dikwels onder blankes sowel as gekleurdes gehoor". Van Rensburg (1989:145) en Ponelis (1998:14) vermelden hulle se als kenmerkend voor het Oranje Rivier Afrikaans. Hulle se wordt niet vermeld in recente prescriptieve bronnen. Om die reden beschouwen we hier hulle se als de niet-standaardvariant en hulle als de standaardvariant.

3.3 Afwisseling tussen de uitgangen -n and -t bij athematische werkwoorden

Door een historisch proces van morfologische reductie is het Afrikaanse werkwoordelijke vervoegingspatroon hoogst regelmatig geworden; alleen de hulpwerkwoorden van tijd wees en vormen hierop een uitzondering (vgl. Raidt 1983:80-2; Ponelis 1993:155). Deumert (2004:143-5) suggereert dat het proces van morfologische reductie tegen het begin van de 20ste eeuw niet geheel voltooid was voor o.m. athematische werkwoorden (gaan, staan, slaan, doen, zien); bij deze werkwoorden leek de t-apocope nog niet veralgemeend te zijn. Heden ten dage wordt de afwisseling tussen de uitgangen -n en -t bij werkwoorden als voornamelijk kenmerkend voor oudere sprekers beschouwd (vgl. van Schoor 1983:213; Ponelis 1993:391; Donaldson 1993:218). Ponelis (1993:391) beschrijft de vorm gaat in het bijzonder als "relatively common in colloquial style and much more prominent in dialect usage".

Het standpunt van prescriptieve bronnen ten opzichte van -t uitgangen bij athematische werkwoorden is zelden uitdrukkelijk afkeurend geweest (vgl. De Waal 1910: 45; Botha & Burger 1921:117), maar Booysen & Jansen (1922:101) raadden aan dat "die reëlmatige vorme op -n is meer gebruiklik en ook verkieslik bo die ander vir onderwysdoeleindes". Onder historisch athematische werkwoorden worden de vormen gaat en slaat als tweede keuzemogelijkheid vermeld in de Afrikaanse Woordelys en Spelreëls tot de achtste uitgave (1991); vanaf dan worden ze niet langer vermeld (vgl. Combrink 1991). Vandaag staan de vormen gaat en slaat vermeld in het Handwoordeboek van die Afrikaanse Taal met het etiket geselstaal. Op grond hiervan beschouwen we hier de t-vormen als de niet-standaardvarianten en de n-vormen als de standaardvarianten.

3.4 Afwisseling tussen en het in infi nitieve positie

Naast wees is het hulpwerkwoord van tijd het enige werkwoord dat stemvariatie vertoont naargelang van functie. De vorm wordt gebruikt in infinitieve positie in onafhankelijke woordvolgorde terwijl de vorm het veralgemeend gebruikt wordt als persoonsvorm en in de positie van infinitief hulpwerkwoord van tijd in afhankelijke woordvolgorde.

(1) Hy het genoeg geld (van Schoor 1983:129)

(2) Nadat hy sy studie voltooi het, open hy toe 'n praktyk in die stad (ibid.: 132)

(3) Hulle sal geld (Ponelis 1993:411)

Er bestaat echter een als "niet-standaard" omschreven tendens om de vorm het te gebruiken in alle types van infinitieve positie, zoals geïllustreerd door (4). O.a. van Rensburg (1992:192) noemt dit kenmerkend voor taalgebruik onder Zuidwestelijke kleurlingen.

(4) Ons wil die kind terughet

Zulke gevallen van het-gebruik beschouwen we als de niet-standaardvariant, en het gebruik van in dezelfde contexten als de standaardvariant.

3.5 Onregelmatige vorming van het voltooid deelwoord

In prescriptief Standaardafrikaans worden voltooide deelwoorden volgens het Standaardnederlandse patroon gevormd. Het prefix ge- wordt over het algemeen aan de werkwoordstam toegevoegd (bijv. kom > gekom), behalve in het geval van werkwoorden met een onbeklemtoond prefi x (bijv. begin, aanbid, voltooi, vgl. Donaldson 1993: 223, Combrink 1990: 218, 267-9, van Schoor 1983: 213). In het specifieke geval van werkwoordelijke clusters aan het zinseinde die uit een schakelwerkwoord en een hoofdwerkwoord bestaan, doet de onveranderde stam van het schakelwerkwoord dienst als voltooid deelwoord, zoals geïllustreerd door (5).

(5) Hy het gaan slaap (Donaldson 1993:225)

Er bestaat historisch een sterke tendens, vooral gecorreleerd met sociale klasse, om ge-te veralgemenen bij werkwoorden met een atonisch prefi x (bijv. gebegin, gebeloof, gebetaal), al herkende Raidt (1992:304) een specifieke correlatie tussen ge-veralgemening en het Oranje Rivier Afrikaans gebied. Voorbeelden van ge-bij schakelwerkwoorden in werkwoordelijke clusters (6) komen verder vaak voor in 19de eeuwse Nama correspondentie (Luijks 2000: 225-6).

(6) Daarom heb ik dardie brief Daniel geladschrijfen
Daarom heb ik deze brief aan Daniel laten schrijven (Luijks ibid.: 225)

De ogenschijnlijk historische correlatie tussen veralgemeend ge- en het Oranje Rivier Afrikaans gebied werd door Roberge (1994:73-5) verklaard als een interlectale analogie tussen ge-en de Khoekhoegowab tijdspartikels ge, go, ga (zie verder Den Besten 2001:15). De recente descriptieve literatuur beschrijft ge-als kenmerkend voor informaliteit (vgl. Combrink 1990:220; Ponelis 1993:421), en voor Oranje Rivier Afrikaans dialectgebruik (vgl. van Rensburg 1989:147). Hier behandelen we de vorming van het voltooid deelwoord van werkwoorden met een atonisch prefix als een afzonderlijke variabele, waarbij de stam zonder ge-toevoeging als de standaardvariant beschouwd wordt, terwijl de stam met ge-toevoeging als de niet-standaardvariant beschouwd wordt. We behandelen verder ook de vorm van schakelwerkwoorden in werkwoordelijke clusters als een andere afzonderlijke variabele, waarbij de stam zonder ge-toevoeging als de standaardvariant beschouwd wordt, terwijl de stam met ge-toevoeging als de niet-standaardvariant beschouwd wordt.

3.6 R-pronomina

Prescriptief Standaardafrikaans bezit een reeks pronomina die bestaan uit de samentrekking van de voornaamwoorden dit en wat met voorzetsels. Doordat dit en wat door dat proces respectievelijk daar en waar worden (vgl. 7 en 9), worden die vormen R-pronomina genoemd (Zwarts 1999:1092). Die vormen mogen gescheiden worden (vgl. 8 en 10). Naast die patronen vermelden sommige prescriptieve bronnen gescheiden verbindingen van dit of wat + voorzetsel waarbij het R- element uitblijft (vgl. 11 en 12).

(7) Sy twyfel soms daaraan (Ponelis 1993:352)

(8) Sy sien daar niks mee verkeerd nie (Ponelis ibid.:352)

(9) Dit is die dorp waarin hy woon (van Schoor 1983:307)

(10) Dit is die dorp waar hy in woon (van Schoor ibid.)

(11) Hulle hou baie van dit (Ponelis 1993:350)

(12) Dit is die dorp wat hy in woon (van Schoor ibid.:307)

De verbindingen dit of wat + voorzetsel werden voornamelijk als het resultaat van Engelse invloed verklaard (vgl. Ponelis 1993:349-55; van der Merwe 1967:221). Den Besten (1996) heeft echter een alternatieve verklaring voorgesteld voor het specifieke geval van wat + voorzetsel, waarin de laatstgenoemde constructie als een creolisme in de mond van niet-blanken ontstaan zou zijn. Dit + voorzetsel wordt gewoonlijk afgewezen in prescriptieve bronnen (vgl. van der Merwe 1967:60; Spies & Combrink 1994:36), maar Ponelis (1979:57, 63) vermeldt dit + voorzetsel als mogelijk wanneer de nadruk op het voornaamwoord gelegd wordt. In tegenstelling tot dit + voorzetsel lijkt wat + voorzetsel een volledig erkende variant te zijn geweest in de vroege prescriptieve literatuur, zoals geïllustreerd door o.m. Malherbe (1917:86), waar het vermeld staat naast waar + voorzetsel. Recente naslagwerken vermelden soms wat + voorzetsel, zonder echter het gebruik ervan aan te moedigen. Van der Merwe (1967:221) zegt hierover: "dis juis nie verkeerd nie, maar op die duur word dit vervelig" . Van Schoor (1983:307) beschrijft de vorm evenmin als incorrect, maar beveelt aan dat "die skool moet die konservatiewe weg volg en die tradisionele vorm onderrig". Met andere woorden: alleen R-vormen worden onvoorwaardelijk ondersteund door de recente prescriptieve literatuur.

Hier kijken we naar twee variabelen, namelijk de verbinding daar/dit + voorzetsel en de verbinding waar/wat + voorzetsel. De verbindingen daar en waar + voorzetsel noemen we de standaardvarianten, en de verbindingen dit en wat + voorzetsel de niet-standaardvarianten.

3.7 Vorm van de constructie modaal hulpwerkwoord + hoofdwerkwoord ter uitdrukking van de indicatief (on)voltooid verleden tijd

Naast de hulpwerkwoorden van tijd en wees zijn de modale hulpwerkwoorden kan, moet, sal, wil, en mag de enige werkwoordelijke vormen die vervoegd kunnen worden (tot resp. kon, moes, sou, wou en archaïsch mog) om een onderscheid in tijd en wijs aan te duiden (vgl. Donaldson 1993: 236-41). De verschillende configuraties waarin modale hulpwerkwoorden in hun vervoegde of onvervoegde vormen kunnen voorkomen met hoofdwerkwoorden, kunnen in vier types samengevat worden, zoals geïllustreerd door voorbeelden (13) tot en met (16):

(13) Type 1: Vervoegd hulpwerkwoord + hoofdwerkwoord, zoals in:
Hy kon nie kom nie (De Villiers 1968:90)

(14) Type 2: het + vervoegd of onvervoegd hulpwerkwoord + hoofdwerkwoord, zoals in:
Ek het dit altyd kan/kon doen (Donaldson 1993:241)

(15) Type 3: Vervoegd hulpwerkwoord + verleden deelwoord + het, zoals in:
Kon jy nie die hek oopgekry het nie? (Donaldson ibid.: 245)

(16) Type 4: Onvervoegd hulpwerkwoord + verleden deelwoord + het, zoals in:
My broer kan al by die huis aangekom het; ek gaan net gou seker maak (van Schoor 1983:155)

Type 1 wordt voornamelijk gebruikt ter uitdrukking van de indicatief (on)voltooid verleden tijd maar het komt ook voor om irrealis aan te geven bij wensen (ek wou net vra..."Ik wou graag vragen") of in voorwaardelijke bijzinnen, zoals in (17):

(17) As ek 'n koper kon vind, dan sou ek dit verkoop (De Villiers 1968:103)

Type 2 wordt alleen maar gebruikt met een verleden indicatieve betekenis, los van het feit of het hulpwerkwoord wel of niet vervoegd is (Donaldson 1993:241). Types 3 en 4 kunnen naast de irrealis ook de indicatief verleden tijd uitdrukken (vgl. van Schoor 1983:141, Donaldson 1993:240-4). Voorbeelden (18) en (19) bezitten een indicatieve betekenis.

(18) Hy het sy been so beseer dat hy beswaarlik kon geloop het (de Villiers 1948:157)

(19) Hy kan gesien het dat ek praat nie met hom nie (Kotzé 1989:260)

De geschiedenis van de polysemie van types 3 en 4 is niet gedocumenteerd, maar de dubbele betekenis wordt wel vermeld in de vroege prescriptieve literatuur, zoals in Booysen & Jansen (1924:106, 117), waar types 1 en 3 als gelijkwaardige varianten ter uitdrukking van de indicatief verleden tijd beschreven worden. In meer recente prescriptieve Standaardafrikaanse bronnen wordt type 1 aanbevolen voor het uitdrukken van de indicatief (on)voltooid verleden tijd (van Schoor 1983:145, 154-5, zie ook de Villiers 1968:94-5). Donaldson (1993:240-4) beschrijft type 3 met indicatieve betekenis als kenmerkend voor informele stijl in het algemeen, terwijl Kotzé (1989:260) en Klopper (1983:288) type 4 met indicatieve betekenis beschrijven als kenmerkend voor Zuidwestelijke kleurlingenvariëteiten.

De variabele waarnaar we hier kijken bezit drie varianten - namelijk. type 1, type 3 en type 4. Met type 2 wordt hier geen rekening gehouden omdat dit kenmerk afwezig bleek in het corpus. De variant type 1 beschouwen we hier als de standaardvariant, en de overige varianten types 3 en 4 als de niet-standaardvarianten.

3.8 Objectief "vir"

Het voorzetsel vir wordt in het Afrikaans gangbaar gebruikt om het indirecte en directe voorwerp in te leiden. Volgens prescriptieve bronnen mag vir in zijn datieve functie de voorzetsels aan, teen, tot vervangen maar indirecte voorwerpen mogen net zoals in het Standaardnederlands zonder voorzetsel ingevoegd worden (20).

(20) Hy het (aan/vir) sy seun te veel geld gegee (van Schoor 1983:226)

Vir-invoeging bij directe voorwerpen (21) is over het algemeen facultatief. Wanneer het in die functie mag voorkomen hangt af van de aard van het substantief (of het een actief, beweeglijk, verpersoonlijkbaar voorwerp aanduidt), affect en formaliteitsgraad (vgl. Ponelis 1979:202-5, 1993:266).

(21) Het jy vandag/beslis vir hom gesien? (Ponelis 1979:203)

Het lijkt alsof de herkomst van objectief vir terug te voeren is op het markeren van [+human]/ [+animate] objecten door middel van semantisch equivalente voorzetselsvormen in het Creools Portugees en Maleis (vgl. Raidt 1969:84-93; Ponelis 1994:272-5; Den Besten 2000). De historische verspreiding van objectief vir is nog steeds gehuld in onzekerheid, maar Raidt (ibid.:92-3) suggereert dat het een niet-blanke correlatie bezat. Objectief vir wordt al in de vroegste prescriptieve bronnen vermeld, maar raakte eventjes in ongunst bij taalpuristen in de periode na 1930 (Raidt 1976:144-7). Vandaag lijkt objectief vir aanvaard te worden als standaard maar wel informeel (vgl. Carstens 2002:59-60). De verspreiding van vir lijkt sociaal gecorreleerd (Raidt 1976:116), en het wordt in zijn accusatieve functie als een kenmerk van kleurlingenvariëteiten genoemd (vgl. Kotzé 1989:256-7, van Rensburg 1989:459).

Hier kijken we naar twee variabelen, namelijk het gebruik van vir bij respectievelijk directe en indirecte voorwerpen. Gevallen waar datief vir gebruikt wordt, worden gecontrasteerd met die gevallen waar hetzij aan/tot/teen hetzij geen voorzetsel gebruikt wordt.8 De verspreiding van accusatief vir wordt bepaald op grond van het aandeel ervan in het totale aantal gevallen van objectief vir. Vir-invoeging noemen we hier de informele variant, terwijl ontbrekend vir de formele variant genoemd wordt.

3.9 Ontkenning

Op enkele gevallen na, namelijk o.m. wanneer bijwoorden zoals nêrens, nooit zinsfi naal staan in kortere zinnen, is de dubbele ontkenning verplicht in prescriptief Standaardafrikaans, zoals geïllustreerd door (22) en (23):

(22) Hy weet niks daarvan nie (van Schoor 1983:341)

(23) Sy rus nooit (ibid.)

De herkomst van die constructie is controversieel geweest: nie-2 werd o.m. geïnterpreteerd als een reflex van het ontkenningspatroon in zowel Zuidnederlandse dialecten (vgl. Waher 1994) als in het Khoekhoegowab (vgl. Den Besten 1989). Onlangs heeft Roberge (2000:120, 148) een alternatieve hypothese voorgesteld waarin nie-2 als een emfatisch kenmerk geïnterpreteerd wordt in de context van interetnische communicatie. De dubbele ontkenning is vanaf de vroegste prescriptieve bronnen als verplicht beschreven (vgl. Du Toit 1876 ; De Waal 1910:103-4 ; Malherbe 1917:89-98). Thans lijkt het weglaten van nie-2 zelden voor te komen onder blanke sprekers (vgl. Feinauer 1994:96), maar er bestaat een neiging om een enkelvoudig ontkenningspatroon te gebruiken dat volgens van Rensburg (1989:147) kenmerkend is voor het Oranje Rivier Afrikaans gebied. Hier bekijken we gevallen van dubbele ontkenning (die we als de standaardvariant beschouwen) en van enkelvoudige ontkenning waar die niet toegestaan wordt door de prescriptieve bronnen.

3.10 Positie van het werkwoord in bijzinnen

Prescriptief Standaardafrikaans is wat de positie van het werkwoord betreft, in grote mate vergelijkbaar met het Standaardnederlands. Voor de plaatsing van het "spilwerkwoord" laat het Afrikaans evenwel meer vrijheid. Vooropplaatsing wordt getolereerd in bepaalde syntactische contexten, zoals bijvoorbeeld in bijvoeglijke bijzinnen zonder dat (24), of in "open fi nals", d.w.z. VP's waarin een werkwoordelijk of bijwoordelijk element nauw verbonden is aan het werkwoord (25). Anderzijds is achteropplaatsing in finale positie verplicht in bijvoeglijke bijzinnen met dat (26) (vgl. Conradie 2004).

(24) Die dokter het ontdek sy het pes onder lede (Ponelis 1979:441)

(25) Die dokter het ontdek dat sy pes onder lede het (ibid.)

(26) Hy het by my kom wegkruipertjie speel (van Schoor 1983:167)

Er bestaat een neiging in spreektaalvariëteiten om vooropplaatsing te verkiezen boven achteropplaatsing zoals in (27) en (28) (vgl. Carstens 2002:49-50; Ponelis 1993:340-343; Biberauer 2002:37-39).

(27) Ek glo dat dit is besig om uit te sterf (Carstens 2002:48)

(28) Ons weet waar gebeur dit daagliks (Ponelis 1993:340)

Als redenen voor die vooropplaatsing zijn zowel taalinterne factoren (bij "open fi nals") als versterkende interlectale factoren genoemd (vgl. Ponelis 1993:345). Engelse invloed lijkt de verkozen interlectale interpretatie te zijn (vgl. Ponelis ibid. ; Carstens 2002:49-50). Den Besten (2001) biedt een alternatieve interpretatie waarbij Khoekhoe-sprekers een doorslaggevende rol zouden gespeeld hebben bij de expansie van vooropplaatsing. Vooroplaatsing wordt niet vermeld in de vroege prescriptieve literatuur, maar er wordt later aandacht aan geschonken (in het bijzonder in het geval van dat-zinnen) als een spreektaalkenmerk dat best vermeden moet worden (vgl. Carstens 2002:48-50). Vooropplaatsing bij <wh>-vraagzinnen wordt zelden direct besproken in de prescriptieve literatuur, waar doorgaans alleen melding gemaakt wordt van achteropplaatsing (vgl. van Schoor 1983:94).9 Vooropplaatsing wordt gewoonlijk als een kenmerk van de omgangstaal beschreven, maar Klopper (1983:289) herkent een specifieke correlatie tussen "(S) VO-woordvolgorde" en Zuidwestelijke kleurlingen.

Hier kijken we naar drie variabelen: vooropplaatsing/achteropplaatsing in bijzinnen over het algemeen, en verder meer specifiek in bijvoeglijke bijzinnen met dat en in ondergeschikte vraagzinnen. In elk geval vormt achteropplaatsing (uitgezonderd getolereerde gevallen zoals "open finals" of vooropplaatsing bij voorzetselsbepalingen, vgl. van Schoor 1983: 49-50, 167, Carstens 2002: 51-2) de standaardvariant en vooropplaatsing de niet-standaardvariant.

 

4. REALISATIE VAN INDIVIDUELE VARIABELEN

Kenmerken die in de descriptieve literatuur als etnisch gecorreleerd voorgesteld worden, worden grotendeels in de kleurlingensteekproeven aangetroffen. Een van die kenmerken komt alleen voor onder kleurlingen uit het Oranje Rivier Afrikaans gebied (hulle se), terwijl twee van die kenmerken (het i.p.v. hê, gaat i.p.v. gaan) alleen voorkomen onder de Zuidwestelijke kleurlingen. De onregelmatige vorming van het voltooid deelwoord bij dubbele infinitieven komt hoofdzakelijk onder kleurlingen voor, maar wordt ook opgemerkt onder oudere Namibische blanke sprekers. Alle andere kenmerken worden over etnische grensen heen aangetroffen, zij het in contrasterende mate.

Bij de realisatie van individuele variabelen vinden we een contrast tussen tendensen waarbij de resultaten van de steekproeven divergeren dan wel convergeren. De eerste tendens wordt geïllustreerd aan de hand van figuren 3 en 4, waar aangetoond wordt dat Namibische en Zuidwestelijke kleurlingen van alle andere steekproeven divergeren op basis van de realisatie van de meeste etnisch gecorreleerde variabelen. Divergentie tussen steekproeven wordt verder ook geïllustreerd aan de hand van de proporties van

- objectief vir,

-type 3 versus types 1 en 4 en type 4 versus types 1 en 3 van de vorm van de constructie hulpwerkwoord + hoofdwerkwoord in de indicatief verleden tijd

- vooropgeplaatste werkwoorden in afhankelijke volgorde over het algemeen,

- vooropgeplaatste werkwoorden in indirecte <wh>-vraagzinnen.

 

 

 

 

 

 

Over het algemeen ziet het er echter uit alsof de proporties van de andere niet-standaardkenmerken aan het convergeren zijn. Hierbij vallen twee types van convergentie te onderscheiden, namelijk eenzijdige convergentie en onderlinge convergentie.

Eenzijdige convergentie geldt in het bijzonder voor de realisatie van etnisch gecorreleerde variabelen bij de Noordwestelijke kleurlingen (fig. 2). In die steekproef nemen de proporties van alle niet-standaard varianten van die variabelen (behalve onregelmatig ge-bij dubbele infinitieven) af, waardoor convergentie met de Blanke steekproeven bewerkstelligd wordt. Met andere woorden: Noordwestelijke kleurlingen nemen kenmerken uit prescriptief Standaardafrikaans over, terwijl blanken constant blijven in hun gebruik van dezelfde kenmerken uit prescriptief Standaardafrikaans.

Onderlinge convergentie is het tweede type van convergentie dat opgespoord kon worden. We verwijzen met die term naar die gevallen waarbij de proporties van een gegeven niet-standaard dan wel informele variant in alle steekproeven (of in tenminste 6 van 7 steekproeven) gelijker worden van de middelste naar de jongste leeftijdsgroepen toe. Onderlinge convergentie valt in twee types uiteen, namelijk a) onderlinge convergentie die tot stand komt door asymmetrische fluctuaties tussen steekproeven en b) onderlinge convergentie die tot stand komt door parallelle fluctuaties tussen steekproeven.

Voor onderlinge convergentie door asymmetrische fluctuaties verwijs ik naar de resultaten voor de variabele "type 1 versus types 3 en 4 van de vorm van de constructie hulpwerkwoord + hoofdwerkwoord in de indicatief verleden tijd", waarbij de proporties van die variant asymmetrisch fluctueren tussen de verschillende steekproeven om tenslotte steeds meer gelijk te worden (vgl. fig. 6). Ook voor de ontbrekende tweede ontkenning en voor de vooropplaatsing van het werkwoord in dat-bijzinnen wordt dit patroon vastgelegd.

 

 

Onderlinge convergentie door symmetrische fluctuaties zien we bij de parallel toenemende proporties van gescheiden verbindingen dit en wat + voorzetsel zonder R-element (vgl. fig. 7).

 

 

Convergentie tussen steekproeven kan zowel plaatsvinden in de richting van de prescriptieve standaardnorm, als weg van die norm. Divergentie tussen steekproeven betekent dat een groep steekproeven afwijkt van de standaardvariant of van de informele variant, terwijl een andere groep steekproeven naar die standaardvariant of formele variant blijft convergeren.

Opvallend aan de resultaten is dat de blanke steekproeven over het algemeen patronen verkiezen die dichter bij het prescriptieve standaardpatroon of de meer formele varianten staan.

Om tot algemenere conclusies te kunnen komen of convergentie dan wel divergentie plaatsvindt ten opzichte van prescriptieve varianten en tussen steekproeven moeten alle variabelen simultaan bekeken worden.

 

5. MULTIVARIATE ANALYSE

Hiërarchische clusteranalyse en multidimensionale schaling zijn gangbaar in de sociolinguïstiek om algemene ontwikkelingstendensen grafisch te visualiseren (vgl. Deumert 2004:115-30). Voor dit onderzoek werd multidimensionale schaling doorgevoerd op basis van zowel leeftijdsgroepen als individuele sprekers. De analyse op basis van leeftijdsgroepsgroepen laat toe om de relatieve positie van de leeftijdsgroepen van alle zeven steekproeven te bepalen, waardoor de convergentie of divergentie tussen alle zeven steekproeven gevisualiseerd kan worden. Met de analyse op basis van individuele sprekers kan bepaald worden of het taalgedrag van individuele sprekers de geografische en etnische scheidslijnen bevestigt die voorondersteld werden bij het afbakenen van onze zeven steekproeven; verder kan hieruit afgeleid worden of individueel taalgedrag de tendensen naar convergentie of divergentie tussen steekproeven weerspiegelt.

Figuur 9, die gebaseerd is op de realisatie van 15 grammaticale variabelen (waaronder de bovenbeschreven variabelen, vgl. Afd. 4), vertoont 21 punten die elk verwijzen naar een bepaalde leeftijdsgroep (17-25, 25-50, 50+) van een van de zeven steekproeven. Dimensie 1 kan geïnterpreteerd worden als een onderscheid tussen groepen op basis van de realisatie van variabelen. Dimensie 2 kan geïnterpreteerd worden als een onderscheid tussen groepen op basis van hun leeftijdscategorie. Dimensie 1 laat een brede kloof tussen groepen zien, die samenvalt met de etnische scheidslijn tussen blanken en kleurlingen: aan de rechterkant staan de blanke groepen en aan de linkerkant staan de kleurlingengroepen. Uit de resultaten van de individuele analyses van alle 15 variabelen - die in de meeste gevallen tonen dat de blanken het dichtst bij prescriptief Standaardafrikaans staan, (vgl. paragraaf 5) kan men afleiden dat Dimensie 1 indirect onderscheiden mogelijk maakt op basis van graden van verwantschap met prescriptief Standaardafrikaans. Met andere woorden: hoe dichter bij de rechterkant, hoe dichter bij de prescriptieve standaardnorm.

 

 

Opvallend is dat de blanke groepen grafisch dichterbij elkaar staan dan de kleurlingen. Dit kan betekenen dat de blanke variëteiten meer homogeen zijn dan de kleurlingvariëteiten. Het onderscheid dat Dimensie 2 laat zien, is minder duidelijk. Jongere blanke leeftijdsgroepen (die op de grafiek aangeduid worden door rechthoekjes) staan wel onderaan de grafiek en ook betrekkelijk dicht bij elkaar, maar ze staan ook betrekkelijk dichtbij de blanke middelste leeftijdsgroepen. Bij de kleurlingen staan de jongere leeftijdsgroepen (die op de grafi ek aangeduid worden door ellipsen) geïsoleerd op de grafiek en betrekkelijk ver van elkaar verwijderd. De jonge leeftijdsgroepen van de Namibische en Noordwestelijke kleurlingen staan ver hogerop de grafiek, terwijl de jonge leeftijdsgroep van de Zuidwestelijke kleurlingen ver onderaan staat. De afstand tussen jongere leeftijdsgroepen en oudere leeftijdsgroepen is veel groter bij de kleurlingen dan bij de blanken.

Uit de grafiek kunnen tendensen naar convergentie en divergentie tussen steekproeven opgemaakt worden. Om zo'n interpretatie te vergemakkelijken, werden de drie leeftijdsgroepen van elke steekproef met elkaar verbonden door middel van een lijn die begint bij de oudste leeftijdsgroep en eindigt bij de jongste leeftijdsgroep. Bij de blanke groepen is er convergentie waarneembaar, afwijkend van het prescriptieve standaardpatroon, van de middelste tot de jongste leeftijdsgroepen. Het feit dat de jonge leeftijdsgroep van de Noordwestelijke kleurlingen dichter bij de blanke groepen staat dan alle andere kleurlingengroepen, duidt op een mogelijke tendens waarbij Noordwestelijke kleurlingen aan het convergeren zijn naar blanke normen en het prescriptieve standaardpatroon. Bij de andere kleurlingengroepen valt geen convergentie waar te nemen naar blanke normen en het prescriptieve standaardpatroon, maar eerder een divergentie ervan weg. Ter verificatie van die tendensen werd opnieuw multidimensionale schaling doorgevoerd, enkel op basis van die variabelen die significant verspreid liggen over de etnische grens heen, d.w.z. de variabelen die van subparagraaf 3.6 tot en met subparagraaf 3.10 gepresenteerd worden (fig.10).

 

 

In het nieuwe beeld dat we hier krijgen, lijken blanke variëteiten alweer meer homogeen te zijn dan kleurlingvariëteiten. Weerom zien we convergentie tussen blanke steekproeven maar de Namibische blanke steekproef lijkt een andere richting uit te gaan dan de andere. Bij de kleurlingen lijken de Zuidwestelijke en de Noordwestelijke steekproeven parallele ontwikkelingen te vertonen terwijl de Namibische kleurlingensteekproef afwijkt in een andere richting. Doordat de meeste lijnen naar het midden van de grafiek lopen, kan men een algemene tendens naar onderlinge convergentie tussen steekproeven veronderstellen (waarbij de Namibische steekproeven niet betrokken lijken). Dit grafische beeld van convergentie neemt niet weg dat een aantal grammaticale variabelen een divergerend gedrag vertonen aan weerskanten van de etnische grens, zoals bijvoorbeeld geïllustreerd wordt door de diffusie van etnisch gecorreleerde variabelen bij Zuidwestelijke en Namibische kleurlingen (vgl. paragraaf 4).

Figuur 11 toont de positie van individuele sprekers10 tegenover elkaar op basis van dezelfde selectie variabelen die gebruikt werd voor figuur 10. Dimensies 1 en 2 kunnen op dezelfde manier geïnterpreteerd worden als voor figuren 9 en 10. In de linkercluster (die aangeduid wordt door volle vierhoekjes) zijn de meeste blanke sprekers en ongeveer de helft van de Namibische en Noordwestelijke kleurlingen vertegenwoordigd, terwijl de resterende sprekers alsmede de meeste Zuidelijke kleurlingsprekers in de rechtercluster (die aangeduid wordt door lege vierhoekjes) gegroepeerd zijn. De vaststelling dat de meeste blanke sprekers in de linkercluster staan, duidt erop dat die cluster het dichtst bij de prescriptieve standaardnorm staat. Opmerkelijk is dat die twee clusters het ruwe onderscheid dat we oorspronkelijk maakten tussen blank en kleurling niet totaal weerspiegelen. Toch vinden we de meeste blanke sprekers aan een kant en de meeste Zuidwestelijke kleurlingen aan de tegenovergestelde kant. De Namibische en Noordwestelijke kleurlingen nemen een tussenpositie in, op grond van het feit dat ze in min of meer gelijke mate in beide clusters vertegenwoordigd zijn.

Om te zien of de verhouding tussen de individuele sprekers de tendensen weerspiegelt naar convergentie of divergentie die we tussen de steekproeven in figuren 9 en 10 opmerkten, kan gekeken worden naar de samenstelling van respectievelijk de rechter- en linkerclusters in figuur 11. Tabel 1 toont dat de jongere sprekers van elke steekproef meer naar de rechtercluster neigen dan de sprekers van de middelste en oudere leeftijdscategorieën, d.w.z. de cluster die het verst staat van de prescriptieve standaardnorm. Dit kan erop duiden dat jongere sprekers ongeacht etnische achtergrond een meer homogeen taalgedrag aan de dag leggen dan oudere sprekers, en dat die grotere homogeniteit bewerkstelligd wordt ten koste van de prescriptieve standaardnorm. Ook hier hebben we opnieuw te maken met onderlinge convergentie afwijkend van prescriptief Standaardafrikaans.

 

6. DISCUSSIE

Op basis van de bovenstaande individuele analyses kan een aantal conclusies getrokken worden over de verhouding tussen reëel informeel taalgebruik en prescriptief Standaardafrikaans. Vooreerst is er soms convergentie tussen steekproeven in de richting van de prescriptieve variant, maar zijn er anderzijds ook gevallen waar er convergentie optreedt van de prescriptieve variant weg. De parallelle expansie van de verbindingen dit of wat + voorzetsel zonder R is een illustratie van laatstgenoemde gevallen, waarbij sommige kenmerken van de prescriptieve standaardnorm aan het achteruitgaan zijn ongeacht de geografische ligging en etnische achtergrond van de steekproef. Divergentie tussen steekproeven is soms waarneembaar. Onder de duidelijkste gevallen is er het toenemende contrast tussen Zuidwestelijke en Namibische kleurlingensteekproeven, enerzijds, en de overige steekproeven, anderzijds, met betrekking tot het gebruik van gaat en het in infinitieve positie (bij de Zuidwestelijke kleurlingen), en van hulle se en onse (bij de Namibische kleurlingen).

De multivariate analyse op basis van steekproeven bevestigt dat er een algemene correlatie bestaat tussen blank taalgebruik en prescriptief Standaardafrikaans. Onderlinge convergentie is observeerbaar tussen Zuid-Afrikaanse blanken en Zuid-Afrikaanse kleurlingen. Hierbij komt taalgebruik onder Zuid-Afrikaanse kleurlingen dichter bij prescriptief Standaardafrikaans te staan, terwijl Zuid-Afrikaanse blanken er steeds meer van afwijken. Namibische blanken en Namibische kleurlingen lijken een apart gedrag te vertonen. De multivariate analyse op basis van individuele sprekers bevestigt de onderlinge convergentie tussen kleurlingen en blanken over het algemeen.

Deze resultaten wijzen op een algemene tendens naar grammaticale "deformalisatie". Of "deformalisatie" een blijvend effect zal hebben op het informele gesproken Afrikaans, hangt nauw samen met de toekomstige visibiliteit van prescriptief Standaardafrikaans. Indien deze blijft dalen, kan men aannemen dat de mogelijkheid van "age grading", d.w.z. een proces waarbij jongere sprekers zich op een gegeven ogenblik aanpassen aan meer formele of conservatieve normen (vgl. Bailey 2002: 324-5), beperkter zal worden.

Hoe kunnen de bovenbeschreven resultaten ertoe bijdragen een "neutrale variëteit" van het Afrikaans te localiseren, die als model zou kunnen dienen voor prescriptieve Standaardafrikaanse normen? Allereerst moeten we duidelijkheid verschaffen over wat we hier onder een "neutrale variëteit" verstaan; voor de onderhavige discussie moet dit idee mijns inziens verwijzen naar het gemeenschappelijke set van kenmerken dat het wijdst verspreid is over de steekproeven in het algemeen en over de etnische kloof tussen kleurlingen en blanken in het bijzonder. Deze definitie past in de meest inclusieve definities die geformuleerd werden voor kwantitatieve opvattingen van het begrip Standaardafrikaans, zoals die van De Wet (1997, vgl. paragraaf 1).

Blijkbaar kunnen sterk etnisch gecorreleerde kenmerken zoals gaat, het in infi nitieve positie, onse, hulle se niet opgenomen worden in de aldus gedefinieerde "neutrale variëteit" van het Afrikaans. Een reden hiervoor is dat die kenmerken voornamelijk voorkomen binnen de kleurlinggemeenschap en (bijna of) helemaal niet binnen de blanke gemeenschap. Aan de andere kant kan ervoor gepleit worden om een aantal kenmerken, die traditioneel als niet-standaard beschouwd worden, als bestanddelen van de "neutrale variëteit" van Afrikaans te beschouwen op grond van hun wijde verspreiding en expansie. De opname van zulke kenmerken in de prescriptieve Standaardafrikaanse norm brengt het voordeel dat er een grotere representativiteit van algemeen informeel taalgebruik komt, waarnaar opkomende generaties van Afrikaanssprekenden thans convergeren ongeacht hun achtergrond. Maar indien men ermee akkoord gaat dat die kenmerken in de prescriptieve standaardnorm opgenomen worden, blijft de vraag welke status ze verkrijgen binnen die norm? Zouden die kenmerken hun oude "correcte" of meer formele tegenhangers moeten vervangen, of zouden ze er enkel naast moeten bestaan als gelijkwaardige dan wel informele varianten?

Er zijn argumenten in het voordeel van eerstgenoemde optie. Een van die argumenten is praktisch van aard:de sociolinguïstische context waarin het Afrikaans gebruikt wordt, wordt steeds informeler. Hieruit zou men kunnen afleiden dat conservatieve kenmerken die in de informele spreektaal steeds minder voorkomen, niet langer nodig zijn. Een ander motief is ideologisch geïnspireerd: doordat zoveel van die conservatieve kenmerken aanleunen tegen het Standaardnederlands, zou het schrappen ervan het "Afrikaanse karakter" van prescriptief Standaardafrikaans zichtbaarder maken. Zo'n initiatief zou tegemoet komen aan van Rensburgs pleidooi voor een "Afrikaanser" Standaard-Afrikaans (vgl. paragraaf 2, zie verder van Rensburg 1992).

Het is mogelijk dat Afrikaanse taalplanningsorganen zich toch - in weerwil van bovenstaande overwegingen over normhervorming - wensen te richten naar overgeleverde schrijftaalnormen bij het bepalen en vorm geven van de "meest correcte" taalvariëteit. In dat geval dringen een aantal aanpassingen in lexicografische en grammaticale bronnen zich op. Onder mogelijke lexicografische aanpassingen vermeld ik:

• De vorm gaat, die thans met het label geselstaal vermeld wordt in het Handwoordeboek van die Afrikaanse Taal, zou voortaan als Suidwestelike Afrikaans gemarkeerd kunnen worden.

• De vorm onse, die thans in het Handwoordeboek van die Afrikaanse Taal vermeld wordt als deel van o.m. de godsdienstige uitdrukkingen onse Vader, onse God, zou ernaast ook het label Oranje Rivier Afrikaans en Suidwestelike Afrikaans kunnen krijgen.

Volgende kenmerken komen mijns inziens in aanmerking voor het label "gewestelijk" in toekomstige grammaticale naslagwerken over het Standaardafrikaans:

• De vorm hulle se (en eventueel ook ons se) zou als een kenmerk uit het Oranje Rivier Afrikaans omschreven kunnen worden.

• Het gebruik van het in plaats van zou als een kenmerk uit het Zuidwestelijk Afrikaans omschreven kunnen worden.

• Onregelmatige vorming van het voltooid deelwoord zou als een kenmerk uit het Oranje Rivier Afrikaans en Zuidwestelijk Afrikaans omschreven kunnen worden.

• Ontbrekend nie-2 zou eveneens als een kenmerk uit het Oranje Rivier Afrikaans en Zuidwestelijk Afrikaans omschreven kunnen worden.

• Type 4 van constructies hulpwerkwoord + hoofdwerkwoord in het verleden indicatief (d.w.z. kan gedoen het) zou als een kenmerk uit het Oranje Rivier Afrikaans en Zuidwestelijk Afrikaans omschreven kunnen worden.

De overige niet-standaardvarianten die we hier behandeld hebben zouden als deel van het Omgangsafrikaans kunnen bestempeld worden. Het betreft de verbindingen dit en wat + voorzetsel, type 3 van constructies hulpwerkwoord + hoofdwerkwoord in de indicatief verleden tijd (d.w.z. kon gedoen het), en vooropplaatsing van het werkwoord in bijzinnen.

Door bovenstaande kenmerken naast hun "correcte" of meer formele tegenhangers te vermelden, zou niet alleen symbolisch erkenning verleend worden aan de geografi sche (en etnische) diversiteit van het Afrikaans, maar ook aan de stylistische diversiteit ervan. Precedenten zijn er al: geografische etiketten zijn allang aanwezig in het Woordeboek van die Afrikaanse Taal, en kenmerken uit het Omgangsafrikaans worden al afzonderlijk behandeld in de Afrikaanse Woordelys en Spelreëls sedert de uitgave van 2002 (vgl. paragraaf 1). Het lijkt erop dat de weg al gebaand werd voor een nieuwe generatie van naslagwerken over het Standaardafrikaans, waarin kenmerken die traditioneel als "afwijkend" beschouwd worden, gedestigmatiseerd worden. Het valt nog te bezien of die weg systematisch gevolgd zal worden.

 

CONCLUSIE

Er zijn indicaties voorhanden dat er een "neutrale variëteit" van het Afrikaans bestaat op morfosyntactisch gebied. Die variëteit valt soms maar niet altijd samen met de prescriptieve Standaardafrikaanse norm. Opname van kenmerken in de prescriptieve Standaardafrikaanse norm zou de stilistische en sociale representativiteit van die norm aanzienlijk kunnen vergroten. Het bestempelen van diezelfde kenmerken als stilistisch gelijkwaardige alternatieven voor hun huidige prescriptieve tegenhangers, lijkt op dit ogenblik nog iets te radikaal. Maar om de erkenning ervan als informele varianten binnen de prescriptieve standaardnorm lijkt wel verantwoord.

 

BIBLIOGRAFIE

AWS (Afrikaanse Woordelys en Spelreëls) 1991. Agste verbeterde uitgawe. Kaapstad: Nasionale Pers.         [ Links ]

AWS (Afrikaanse Woordelys en Spelreëls) 2002. Negende verbeterde uitgawe. Kaapstad: Pharos.         [ Links ]

Bailey, G. 2002. Real and Apparent Time. In J. K. Chambers, P. Trudgill & N. Schilling-Estes (eds) The handbook of variation and change. London: Blackwell, pp. 312-332.         [ Links ]

Biberauer, T. 2002. Verb Second in Afrikaans. Is this a unitary phenomenon? Stellenbosch Papers in Linguistics, 34: 9-70.         [ Links ]

Booysen, C.M. & M. Jansen. 1924. Praktiese grammatika en stylkursus van die Afrikaanse taal. Pietermaritzburg: Nasionale Pers.         [ Links ]

Botha, M.C. & J.F. Burger. 1921. Maskew Miller se Afrikaanse grammatika. Kaapstad: Maskew Miller.         [ Links ]

Coetser, A.S. 1992. Nuwe Taalgids. Kaapstad: Maskew Miller Longman.         [ Links ]

Coetzee, A.E. 1982. 'n Heroriëntering van die begrip standaardtaal en 'n voorstudie van die ontwikkeling van standaard-Afrikaans gedurende die 20stee eeu. Tydskrif vir Geesteswetenskappe, 22(4): 271-289.         [ Links ]

Combrink, J.G.H. 1990. Afrikaanse morfologie. Capita exemplaria. Pretoria: Academica.         [ Links ]

Combrink, J.G.H. 1991. Gids by die AWS. Kaapstad: Tafelberg.         [ Links ]

Conradie, J. C. 2004. Verb sequence and placement: Afrikaans and Dutch compared. In W. Abraham (red.) Focus on Germanic Typology. Studia typological 6. STUF. Berlin: Akademie Verlag, pp. 153-168.         [ Links ]

De Villiers, A. 1985. Standaardafrikaans en Omgangsafrikaans van Pretoria. Ongepubliceerd M.A. proefschrift. Universiteit van Pretoria.         [ Links ]

De Villiers, A. 1992. Die implikasies van taalinterne konflik in Afrikaans vir opvoedkundige prestasie. In V.N. Webb (red.) Afrikaans ná apartheid. Pretoria: Van Schaik, pp. 286-315.         [ Links ]

De Villiers, M. 1948. Woordsoorte, werkwoorde en tye. Kaapstad: Nasionale Pers.         [ Links ]

De Villiers, M. 1968. Die grammatika van tyd en modaliteit. Kaapstad: Balkema.         [ Links ]

De Waal, J.H.H. 1910. Africander Grammar. Kaapstad.         [ Links ]

De Wet, J. P. 1997. Afrikaans: 'n ideologiese besinning in 'n multilinguistiese Suid-Afrikaanse bestel. Ongepubliceerd doctoraal proefschrift. UNISA.         [ Links ]

Den Besten, H. 1989. From Khoekhoe Foreignertalk via Hottentot Dutch to Afrikaans: The Creation of a Novel Grammar. in M. Pütz & R. Dirven (eds) Wheels within Wheels. Papers of the Duisburg Symposium on Pidgin and Creole Languages. Frankfurt am Main: Verlag Peter Lang. 1989. Duisburger Arbeiten zur Sprach- und Kulturwissenschaft 5: 207-249.         [ Links ]

Den Besten, H. 1996. Afrikaans relatief 'wat' en de West-Germaanse relativisatiesystemen. In H. Den Besten, J. Goossens, F. Ponelis & P. van Reenen. Amsterdam: Meertens Instituut. 1996. Taal en Tongval, Themanummer 9 (1996): 12-34.         [ Links ]

Den Besten, H. 2000. The slaves' languages in the Dutch Cape Colony and Afrikaans vir. Linguistics 38(5): 949-971.         [ Links ]

Deumert, A. 2004. Language standardization and language change: The dynamics of Cape Dutch. Amsterdam: Benjamins.         [ Links ]

Donaldson, B.C. 1993. A grammar of Afrikaans. Amsterdam: Mouton De Gruyter.         [ Links ]

Du Plessis, T. 1992. Veranderende opvattings rondom Afrikaans sedert die sewentigerjare. In V. N. Webb (red.). Afrikaans ná Apartheid. Pretoria: van Schaik, pp. 92-119.         [ Links ]

Du Toit, S.J. 1876. Eerste beginsels fan di Afrikaanse taal. Paarl.         [ Links ]

Feinauer, I. 1994. Die plasing van nie-1 en nie-2 in die Afrikaanse spreektaal. South African Journal of Linguistics, 19: 92-119.         [ Links ]

HAT (Verklarende Handwoordeboek van die Afrikaanse Taal). Vierde uitgawe 2000. Midrand: Perskor.         [ Links ]

Klopper, R. M. 1983. Taalsisteemvariasie in Kaapse Afrikaans. In A. J. L. Sinclair (red.) G. S. Nienaber. 'n Huldeblyk. Bellville: Publikasiekomitee UWK, pp. 275-296.         [ Links ]

Kotzé, E. F. (1989). How Creoloid Can You Be? Aspects of Malay Afrikaans. In M. Pütz & R. Dirven (eds) Wheels within Wheels. Papers of the Duisburg Symposium on Pidgin and Creole Languages. (Duisburger Arbeiten zur Sprach- und Kulturwissenschaft 5). Frankfurt am Main: Lang, pp. 251-264.         [ Links ]

Luijks, C. A. D. M. 2000. The realisation of syntactic principles in non-standard Afrikaans: The correspondence of Jan Jonker Afrikaner (1820-1889). Ongepubliceerd doctoraal proefschrift. Universiteit van Kaapstad.         [ Links ]

Malherbe, D. F. 1917. Afrikaanse Taalboek. Bloemfontein: Nasionale Pers.         [ Links ]

Milroy, L. & M. Gordon. 2003. Sociolinguistics. Method and interpretation. London: Blackwell.         [ Links ]

Odendal, F. F. 2003. Bevry ons leksikografies tog van Nederlands. In W. Botha (red.) 'n Man wat beur. Huldigingsbundel vir Dirk van Schalkwyk, Stellenbosch: Buro van die WAT, pp. 286-92.         [ Links ]

Pienaar, E.C. 1931. Taal en Poësie van die Twede Afrikaanse Taalbeweging. Kaapstad: Nasionale Pers.         [ Links ]

Ponelis F. (1998). Standaardafrikaans en die Afrikaanse taalfamilie. Universiteit van Stellenbosch, Annale.         [ Links ]

Ponelis, F. 1979. Afrikaanse sintaksis. Pretoria: Van Schaik.         [ Links ]

Ponelis, F. 1992. Standaardafrikaans in oorgang. In V.N. Webb (red.) Afrikaans ná apartheid. Pretoria: Van Schaik, pp. 69-90.         [ Links ]

Ponelis, F. 1993. The development of Afrikaans. Frankfurt am Main: Lang.         [ Links ]

Prinsloo, K. P. 1982. Aspekte van taal- en kommunikasieaangeleenthede in SWA/ Namibië, vol. 1-13. Pretoria: HSRC.         [ Links ]

Rademeyer, J. H. 1938. Kleurling-Afrikaans: Die taal van die Griekwas en Rehoboth-Basters. Amsterdam: Swets & Zeitlinger.         [ Links ]

Raidt, E. H. 1976. Die herkoms van objekskonstruksies met vir. Historiese Taalkunde. Studies oor die geskiedenis van Afrikaans (1989). Johannesburg: Witwatersrand University Press, pp. 116-147.         [ Links ]

Raidt, E. H. 1983. Einführung in die Geschichte und Struktur des Afrikaans. Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft.         [ Links ]

Raidt, E.H. 1969. Die gebruik van vir in objekskonstruksies. Historiese Taalkunde. Studies oor die geskiedenis van Afrikaans (1989). Johannesburg: Witwatersrand University Press, pp. 88-115.         [ Links ]

Roberge, P. 2000. Etymological opacity, hybridization, and the Afrikaans brace negation. American Journal of Germanic Linguistics and Literarures, 12: 101-176.         [ Links ]

Roberge, P. 2003. Afrikaans. In A. Deumert & W. Vandenbussche (eds) Germanic standardizations. Amsterdam: Benjamins, pp. 15-40.         [ Links ]

South African Statistics (2001). Census in brief. Tweede uitgave. Pretoria.         [ Links ]

Spies, J. & J. Combrink. 1994. SARA. Sakboek van regte Afrikaans. Kaapstad: Tafelberg.         [ Links ]

Stell, G. 2007. From Kitaab-Hollandsch to Kitaab-Afrikaans: The evolution of a non-white literary variety at the Cape (1856-1940). In Stellenbosch Papers in Linguistics, Vol. 37 (2007): 89-127.         [ Links ]

Steyn, J.C. 1980. Tuiste in eie taal. Kaapstad: Tafelberg.         [ Links ]

Uys, M. D. 1983. Die vernederlandsing van Afrikaans. Ongepubliceerd doctoraal proefschrift. Universiteit van Pretoria.         [ Links ]

Van den Berg, M. (2000). Die konsep Standaardafrikaans: 'n kritiese oorsig en Hallydayaanse perspektief. Ongepubliceerd doctoraal proefschrift. PU vir CHO.         [ Links ]

Van der Merwe, H. J. J. M. 1967. Die korrekte woord. Pretoria: Van Schaik.         [ Links ]

Van Rensburg, M. C. J. 1989. Soorte Afrikaans. In: T.J.R. Botha (red.). Inleiding tot die Afrikaanse Taalkunde. Pretoria: Academica, pp. 436-67.         [ Links ]

Van Rensburg, M.C.J. 1992. Die demokratisering van Afrikaans. In V.N. Webb (red.) Afrikaans ná apartheid. Pretoria: Van Schaik, pp. 181-99.         [ Links ]

Van Schoor, J.L. 1983. Die grammatika van Standaardafrikaans. Johannesburg: Lex Patria.         [ Links ]

Von Wielligh, G. R. 1925. Ons geselstaal. 'n Oorsig van gewestelike spraak soos Afrikaans gepraat word. Pretoria: Van Schaik.         [ Links ]

Waher, H. 1994. Die dialektiese ontkenning in Afrikaans. In G. Olivier & A. Coetzee (reds.). Nuwe perspektiewe op die geskiedenis van Afrikaans. Halfweghuis: Southern, pp. 102-9.         [ Links ]

Webb, V.N. & A. De Villiers. 1985. Standaardafrikaans: Chomskities of Laboviaans? LVSA-kongresreferate, 1985:192-208.         [ Links ]

Webb, V.N. 1989. Die Afrikaanse variasietaalkunde. In T.J.R. Botha, F.A. Ponelis, J.G.H. Combrink & F.F. Odendal (reds.) Inleiding tot die Afrikaanse taalkunde. 2de uitgawe. Pretoria: Academica, pp. 412-36.         [ Links ]

Webb, V.N. 1998. Herstandaardisasie en sintaktiese diversiteit. In R. Gouws & I. Feinauer (reds.) Sintaksis op die voorgrond. Pretoria: Van Schaik, pp. 183-92.         [ Links ]

Zietsman, P. H. 1992. Die taal is gans die volk. Pretoria: UNISA.         [ Links ]

Zwarts, J. 1997. Complex prepositions and P-stranding in Dutch. Linguistics 35: 1091-1112.         [ Links ]

 

 

GERALD STELL is 'n navorsingsgenoot aan die Vrije Universiteit Brussel (V.U.B.). Hy verwerf sy doktorsgraad in 2008 by dieselfde instelling. Sy proefskrif handel oor taalvariasie in die informele Afrikaanse gesprekstaal. Sy fokusgebiede sluit in die verhouding tussen etnisiteit en taal, kodewisseling, morfosintaktiese variasie en etniese variëteite van Afrikaans. Jongste publikasies sluit in "Ethnicity in linguistic variation: White and Coloured identities in Afrikaans-English codeswitching" in Pragmatics (2010), "Codeswitching and ethnicity: grammatical types of codeswitching in the Afrikaans speech community" in IJSL (2009), "Recent Trends In Grammatical Variation In Afrikaans Varieties Within And Across Namibia's
Gerald Stell is a research fellow at the Free University of Brussels (V.U.B.). He received his doctoral degree at the same institution in 2008. His thesis focused on language variation in informal spoken Afrikaans. His focus areas include the relationship between ethnicity and language, codeswitching, morphosyntactic variation and ethnic varieties of Afrikaans. Latest publications include "Ethnicity in linguistic variation: White and Coloured identities in Afrikaans-English codeswitching" in Pragmatics (2010), "Codeswitching and ethnicity: grammatical types of codeswitching in the Afrikaans speech community" in IJSL (2009), "Recent Trends In Grammatical Variation In Afrikaans Varieties Within And Across Nami-Borders" in SPIL (2009). Hy werk tans aan verskeie projekte, waaronder een wat handel oor kodewisseling in die Vrystaat en Swart Afrikaans. bia's Borders" in SPIL (2009). He is currently working on several projects, including one dealing with code-switching in the Free State and Black Afrikaans.

 

 

1 Mijn dank gaat uit naar de anonieme lezers die commentaar gaven op een eerdere versie van dit artikel.
2 De gelijkstelling van Afrikaans en Afrikanernationaliteit in het discours van de Tweede Taalbeweging werd uitvoerig beschreven door Zietsman (1992:102). Voor de strijd tegen Hollandismen en Anglicismen en de nationalistische symboliek ervan verwijs ik naar Pienaars veroordeling van "-ismen" in de vroege Afrikaanse dichtkunst (1931:139, 151-60).
3 Ik verwijs hier in het bijzonder naar de context waarin van Rensburg (1992) zijn voorstel formuleerde tot "normverruiming"; op hetzelfde ogenblik waarschuwde Ponelis voor de gevaren die de "oorkultivering" van prescriptief Standaardafrikaans met zich meebrengt (1992:80-3), en sprak De Villiers zich uit over wijzigingen aan de prescriptieve norm (1992). Van Rensburgs voorstel lokte verder reacties van Webb (1998) en Ponelis (1998) uit.
4 De notie van "gemiddeld lid" van de blanke of kleurlinggemeenschap is uiteraard niet onproblematisch. Het lijkt me toch verantwoord om die notie als vertrekpunt te nemen, omdat een vergelijking tussen leden van, bijvoorbeeld, de blanke middenklasse en van de kleurlingmiddenklasse neerkomt op een vergelijking tussen het gros van de blanke gemeenschap, enerzijds, en slechts een klein gedeelte van de kleurlinggemeenschap anderzijds. Indien men een representatief beeld wil geven van het taalgebruik van de meerderheid in de blanke gemeenschap, is dat beeld het gemakkelijkst verkrijgbaar bij de blanke middenklasse. Indien men aan de andere kant een representatief beeld wil geven van het taalgebruik van de meerderheid in de kleurlinggemeenschap, is dat beeld het gemakkelijkst te verkrijgen bij de arbeidersklasse van de kleurlingen. Op de identificatie van "gemiddelde leden" ga ik verder in in paragraaf 3.
5 Zie Bailey (2002) voor de voor- en nadelen van "apparent-time" bij het opsporen van taalverandering.
6 Wegens de "friend of a friend approach" is geen onderscheid gemaakt tussen de twee groepen, die tot
dezelfde sociale netwerken bleken te horen.
7 Von Wielligh (1925:182) verwijst naar o.m. hulle se als een vorm die meer onder "veragterdes" voorkomt.
8 Hierbij wordt gekeken naar de datieve complementen van een selectie van werkwoorden, die volgens Ponelis (1979:205) en Raidt (1976:122) vaak voorkomen in combinatie met vir, namelijk sê, vertel, vra, bring, gee, wys.
9 Vooropplaatsing bij of-zinnen lijkt meer de aandacht getrokken te hebben. Expliciete negatieve oordelen over zulke structuren worden aangetroffen in o.m. Carstens (2002:56), Coetser (1992:182, 184).
10 Bij deze analyse zijn slechts 144 sprekers betrokken. Die sprekers zijn geselecteerd op grond van het aantal woorden dat ze tot het corpus bijgedragen hebben.