SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.50 issue2 author indexsubject indexarticles search
Home Pagealphabetic serial listing  

Tydskrif vir Geesteswetenskappe

Print version ISSN 0041-4751

Tydskr. geesteswet. vol.50 no.2 Pretoria June 2010

 

BOEKBESPREKINGS BOOK REVIEWS

 

 

Sagres & Suiderkruis: Raakpunte tussen Portugal en Suid-Afrika

 

 

deur O.J.O. Ferreira & Schalk W. le Roux
Gordonsbaai & Jeffreysbaai: Adamastor, 2009
387 bladsye
ISBN 978-0-620-44068-4
R250

Voor mij ligt een boek van Ferreira en Le Roux, 387 pagina's inclusief bronnenlijst en een uitgebreid register over de raakpunten tussen Portugal en Zuid-Afrika. Als Nederlander wonende in Portugal ben ik altijd op zoek naar literatuur die mij inzicht kan geven in de Portugese geest, een klein land dat toch nog drie en een half keer groter is dan Nederland. Zulke kleine landen met een dergelijk grote en lange geschiedenis, die zoveel invloed gehad hebben op plekken zover verwijderd van hun eigen grondgebied.

De banden met Zuid-Afrika zijn mij met de paplepel ingegoten in Nederland, maar dat er ook een zodanig groot verband bestond tussen Zuid-Afrika en Portugal wist ik niet. Het boek Sagres en Suiderkruis laat een heel spectrum zien van verbanden die zijn ontstaan in de afgelopen vijf eeuwen.

In ieder van de 17 hoofdstukken wordt een bepaald aspect belicht en in verschillende lijnen verder uitgewerkt. Om de veelzijdigheid recht te doen zal ik hier de hoofdstukken kort langsgaan.

- We vertrekken in het begin van de 15e eeuw met "Dromers en wegbereiders" waarin wordt ingegaan op de ondernemende geest van Dom Henrique de zeevaarder, een Portugese prins met een visie, die wilde weten wat er achter de horizon lag, woonplaats Sagres.

- Op de route naar het Oosten, waar de grootste rijkdommen in het verschiet lagen, moest de Kaap de Goede Hoop gerond worden en "Om die Stormkaap" doet verslag van deze ondernemingen en ook van de eerste kontakten met de plaatselijke bevolking. Bartolomeu Dias de Novaes en Vasco da Gama zijn een paar van deze fameuze figuren uit de Portugese geschiedenis die deze gevaarlijke tochten ondernamen.

- "Kartering van Suider Afrika" geeft een uitvoerige uitleg over de geschiedenis van de kartering door de Portugezen, ook van de kust van Zuid-Afrika op weg naar het oosten.

- Door schipbreuk op de heen en terug weg naar het oosten vonden verschillende Portugezen een nieuw land met vele nieuwe mogelijkheden. "Skeepswrakke aan 'n onherbergsame kus" gaat dieper in op verschillende hiervan. Het porselein dat strandde aan de Kaap op weg van China naar Lissabon, verdient hier inderdaad een gedetailleerde beschrijving die is gedaan door Valerie Esterhuizen.

- Als de politieke en zakelijke omstandigheden anders gelegen hadden, had het Afrikaans een Portugese oorsprong gehad in plaats van een Hollandse. De redenen worden besproken in "Die Kaap word Hollands".

- De toenemende druk van de Engelsen op de ZAR heeft uiteindelijk geleid tot de aanleg van een spoorlijn van Pretoria naar Lourenço Marqués in Mozambique. "Deurweg na die see" bevat een omvattende behandeling van de belangrijke personages en omstandigheden.

- Zoals wij nu het wereldruim proberen te ontdekken was de negentiende eeuw de eeuw van de exploratie van de binnenlanden van Afrika. De titel "Avonturiers, reisigers en onder-handelaars" maakt al duidelijk wat hier de motieven waren, de spannende verhalen van deze dappere mannen met hun ondernemingslust zijn uniek.

- Een minder positief verhaal wordt verteld met betrekking tot Angola in verband met de Dorslandtrek. Een heroïsche maar ook tragische onderneming die werd vastgelegd in "Deur die Dorsland na Angola".

- In de Anglo-Boerenoorlog moest president Kruger zijn ballingschap beginnen in Lourenço Marqués. De boeren die gevlucht waren voor de Engelsen werden in Mozambique maar ook in Portugal geïnterneerd. Het contact met de Portugese bevolking en hun negatieve houding ten opzichte van de Engelsen, zijn enkele van de onderwerpen die behandeld worden in "Oorlog en ballingskap".

- De eerste Portugees die zich op de Kaap gevestigd heeft is João (Johannis) de Souza omstreeks 1696. Een man, van waarschijnlijk Joodse afkomst, die vanuit Nederland naar de Kaap is gegaan. Ignácio Ferreira strandde in juni 1722 in de Tafelbaai en besloot op de Kaap te blijven zo lezen we in " Immigrasie en vestiging".

- In het hoofdstuk "Bondgenote en nabure" wordt nader ingegaan op de komst van arbeiders uit Mozambique op zoek naar werk, diplomatieke betrekkingen met Portugal en haar toenmalige koloniën en de consequenties van de burgeroorlogen in Angola en Mozambique.

- Mijn favoriete hoofdstuk is "Taal en woordkuns" waarin op de invloed van het Portugees op de Afrikaanse taal wordt ingegaan. Twee grote Portugese dichters: Luís Vaz de Camões en Fernando Pessoa vormen hier terecht een belangrijk onderdeel. De Kaap en Durban hebben respectievelijk een grote rol gespeeld in hun leven.

- Wetenswaardigheden over toneel en muziek die vanuit Portugal Zuid-Afrika hebben bereikt leest u in "Die kunste". Omstreeks 1635 werden er al kluchten opgevoerd door schipbreukelingen op het strand lezen wij hier en er wordt uitvoerig ingegaan op verschillende musici die in de loop der tijd een bijdrage hebben geleverd aan het Zuid-Afrikaanse culturele leven. De schilder en beeldhouwkunst vormen hier een andere bijdrage, we maken kennis met de prachtige schilderijen van onder andere Irma Stern. Dat hier ook een plaats is ingericht voor de invloeden van de Portugese kookkunst in brede zin is zeer terecht. De wijn daarbij werd voor het eerst geperst in 1659 volgens het dagboek van Jan van Riebeeck.

- De Nederlanders zijn sterk beïnvloed door de koloniale bouwkunst van de Portugezen dat door z'n zuidelijke karakter bijzonder geschikt was voor de Kaap. Maar ook in de moderne bouwkust zijn er opmerkelijke invloeden vanuit Portugal via Mozambique en Angola. Een onderdeel van "Geboue en strukture" wordt besteed aan Pancho Guedes, een uitzonderlijke fantasierijke architect, die vanuit Mozambique in Zuid-Afrika terecht kwam en daar zijn sporen heeft achter gelaten.

- Josephus Suasso de Lima (1791-1858) wordt aangehaald in verschillende artikelen in het hoofdstuk "Gemeenskapslewe", een Portugese Joodse man die geboren is in Amsterdam. Een veelzijdige persoon die zich in 1818 op de Kaap gevestigde. Hij heeft als onderwijzer, vertaler, auteur, boekhandelaar, drukker en journalist zeker een grote invloed gehad op het culturele leven in Zuid-Afrika. U leest hier verder alles over organisaties, media en economie met Portugese wortels.

- Iedere geschiedschrijver staat natuurlijk op de schouders van anderen en gelukkig waren er genoeg die de Portugese ontdekkingsreizen hebben vastgelegd. "Kroniek- en geskiedskrywers" voert een aantal op en laat zien dat er sinds de 15e eeuw tot nu een aantal illustere mensen zijn geweest die onderzocht, geanalyseerd en geschreven hebben over het ontstaan van Zuid-Afrika, Angola en Mozambique en hun relatie met Portugal.

- In dit laatste hoofdstuk "Om te gedenk" worden de monumenten en gedenktekens besproken die ter nagedachtenis door de eeuwen heen zijn geplaatst om de onderlinge historische banden te markeren. Ook zijn hier opgenomen een deel over heraldiek en een deel over postzegels, munten, geldpapier en penningen die te maken hebben met de wederzijdse banden.

Het nawoord is geschreven door Carel J.B. Wessels, voormalig ambassadeur van Zuid-Afrika in Portugal. Hij behandelt de verhoudingen tussen Portugal en Zuid-Afrika vanaf 1975 tot nu op uitstekende wijze. Ik ben zo vrij met zijn zeer terechte citaat van Fernando Pessoa dit overzicht te besluiten:

Valeu á pena?
Tudo vale á pena, quando a alma não é pequena!

Was het de moeite waard?
Alles is de moeite waard, wanneer de geest groot genoeg is!

Deze samenvatting openbaart slechts een zeer klein gedeelte van dit omvangrijke werk, de 99 verhalen werken stuk voor stuk als miniatuurtjes in de schilderkunst, zeer precies met fijne lijnen wordt het verhaal verteld. Dit prettig leesbare boek is in het geheel het beste te beschrijven als een werk met veel studies, vertelt in aantrekkelijke verhalen, die je ieder keer weer op een andere manier zeer gedetailleerd inzicht geven in de gezamenlijke geschiedenis van de Portugezen en Zuid-Afrikaners.

Het register, de bronnenlijst en verwijzingen vormen een uitgangspunt voor verdere studie. Mede voor de studiehoofden en de lezers in Portugal is een vertaling in het Portugees zeer gewenst.

 

Drs A.C.W. van Zoelen
Nojões-Real
Castelo de Paiva, Portugal.

 


 

Nie- fiksie. Die Afrikaner Broederbond

 

 

deur Nico Smith
Subtitel: Belewinge van die binnekant
Uitgewer: LAPA Uitgewers, Pretoria
Bladsye: 260
ISBN: 978 - 0 - 7993 - 4496
Vier uit vyf sterre

Broederbond-lid praat uit: Nico Smith onthul wat almal wou weet.

"Hoe kon ons so blind gewees het?"

Die vraag duik dikwels op wanneer wit Suid-Afrikaners en veral Afrikaners, deesdae oor ons apartheidsverlede gesels. Selfs stoere vroeëre ondersteuners van apartheid vra die vraag met verbasing, indien nie verbystering nie. Noudat die skille van so baie se oë afgeval het, word die proses wat Afrikaners so lank in 'n duisternis gehou het, al hoe raaiselagtiger.

In hierdie boek praat 'n voormalige lid van die Afrikaner Broederbond (AB) uit, vir die eerste keer. En so byna het ons die boek nooit gesien nie. Want dis nou reeds 36 jaar dat Nico Smith die AB verlaat het. In hierdie tyd het hy hierdie manuskrip aan verskeie uitgewers voorgelê, sonder sukses. Dit alleen vertel 'n verhaal van 'n volk wat so geïndoktrineer was deur die AB dat selfs die uitgewers net dit sou publiseer wat deur die AB goedgekeur is.

Nico Smith, oud-NG predikant, oud-professor in Sendingwetenskap, oud-sendingsekretaris, oud-Afrikaner-Broederbond-lid en uiteindelik "uitgeweke" predikant in die swart woonbuurt, Mamelodi, vertel van die ongekende mag van die Afrikaner Broederbond in die apartheidsjare. "Ek was na aan die hart van die wit wêreld in Suid-Afrika. In 1982 het ek oorgeskuif na die hart van die ander wêreld in Suid-Afrika, die swart wêreld." Die boek vertel van die reis van Nico Smith tussen dié twee wêrelde. Hy vertel van die greep wat die AB op die Nasionale Party-regering gehad het, die greep van die regering op die Broederbond, die greep van die NG Kerk op die Bond, ...

Die boek onthul wat so lank vir die res van Suid-Afrika geheim gehou is. Dit vertel die verhaal van twee pasmaats: 'n dompas en 'n vrypas wat hand aan hand deur die apartheidsgeskiedenis van Suid-Afrika loop. Dis 'n verhaal van die onderdrukking van die swartes aan die een kant, en aan die ander kant die mag van die Afrikaner, gerugsteun deur 'n drie-party-alliansie: die Afrikaner Broederbond, 'n geheime organisasie wat die Afrikaner 'n vrypas gegee het om gekleurde mense hulle fundamentele regte te ontneem, die Nasionale Party en hul beleid van apartheid, en die NG Kerk wat hierdie beleid Bybels gefundeer het.

Hierdie fundering het kortliks as volg daar uitgesien. Die grootste gebod in die Bybel is "jy moet jou naaste liefhê soos jouself". Wat jy dus vir jouself wil opeis, moet jy ook vir jou naaste gun. As die Afrikaner dus 'n vaderland wil hê, moet hy ook toesien dat die swartes hul eie tuisland het. Dit verklaar ook waarom sendingwerk so 'n hoë profiel in die NG Kerk gehad het. Predikante moes die swart mense bearbei om hulle ontvanklik te maak vir die idee van die tuislande (p.114). Om die waarheid te sê, teen die tyd dat Smith die AB verlaat het, (1973) het 67% van alle predikante van die NG kerk aan die Broederbond behoort (p.181).

Waarom sou hulle dit wou doen? Veral twee redes kan aangevoer word. Die eerste rede is die godsdienssin van die meeste Afrikaners wat glo hulle dien God en kan daarom van Sy bewaring en seën verseker wees. Die tweede is 'n politieke bestel waarvan die hoogste doel is om hul eie leefwyse en waardes in stand te hou en daarom sou hulle geregtig wees op die hoogste en beste lewenspeil terwyl miljoene ander mense in hul land van ellende krepeer.

Die boek vertel van 'n jong seun wie se denke gevorm is deur sy verbitterde moeder wat saam met haar twee dogters in die konsentrasiekamp vasgevang is tydens die Anglo-boereoorlog. Sy skoolhoofpa sou hom in die geheim laat Engelse lesse neem omdat hy as opvoeder besef het dat sy seun dit eendag sou nodig kry. Dit was juis sy pa se gematigde houding wat hom as lid van die (AB) gediskwalifiseer het; terwyl die meeste skoolhoofde, predikante en suksesvolle boere outomatiese keuses vir lidmaatskap was.

Die leser word daaraan herrinner dat Genl. Smuts 'n kafferboetie was (p.37), en dat die Sappe (soos wat Smuts se party in die volksmond bekend gestaan het) eintlik 'n klomp hensoppers was. Dit sal menige leser skok om te hoor dat die Afrikaners tydens die Tweede Wêreldoorlog die Duitse Nazi'z ondersteun het, want, so het hulle geglo, as die Duitsers wen, sal hulle ontslae wees van Britse oorheersing.

Die boek vertel van verkiesingsplakkate in 1948 wat gelui het: "Stem vir die NP en hou SA blank", en toe die NP uiteindelik wen, het Afrikaners met 'n sug van verligting gesê: "Nou sal daar iets aan die swartes gedoen word." So kom ons agter dat die vernaamste katalisators vir hierdie oordrewe nasionalisme gebore is uit die Afrikaner se haat vir die Engelse oorheersing veral na die onreg wat teenoor Afrikanervroue en -kinders in konsentrasiekampe gepleeg is, en tweedens, maar in 'n mindere mate, die sogenaamde "swart gevaar." Aan die inhoud van hierdie nasionalisme sou die skrywer die grootste gedeelte van sy lewe 'n gevangene bly.

Smith verklap hoe die AB gekonkel het om onderwysers en predikante aan te stel wie se "harte op die regte plek sit." Dié beroepe was strategies baie belangrik vir die AB omdat hulle die Afrikaners vanaf die kansel en in die klas moes indoktrineer. Die skrywer vertel hoe sy dosente aan die Universiteit Pretoria hierdie indoktrinasie voortgesit het. Op dié manier het die Afrikaner verleer om vir hulself te dink. "Ons teologiese opleiding het ons op geen wyse met 'n sensitiwiteit vir geregtigheid of 'n kritiese ingesteldheid teenoor die samelewing toegerus nie" (p.62).

Die bevoorregting van Afrikaners sedert die Nasionale Party in 1948 aan bewind gekom het, het inderdaad hulle lewenspeil verhoog. Lidmaatskap aan die AB was 'n kort pad na die beste poste. Maar deur terselfdertyd apartheid te implementeer, het diskriminasie teen miljoene gekleurde inwoners in die land veroorsaak dat dié mense geen aandeel verkry in die rykdom van die land nie. Miljoene mense moes dus noodgedwonge onder die broodlyn leef.

As voorbeeld verwys Smith hoe hy en Carel Boshoff (Verwoerd se skoonseun) as professors in sendingwetenskap aangestel is ten spyte van die feit dat nie een van hulle op daardie stadium oor 'n doktorsgraad beskik het nie: Smith by die US en Boshoff by die UP. "My vermoede dat lidmaatskap van die AB (sy) lede tog wel bo nie-lede bevoordeel ...is bevestig" (p.138). In die proses is baie beter kandidate oor die hoof gesien (p.108).

Die skrywer vertel hoe hy in die geheim gewerf is, hoe hy die spesiale handdruk van die Broederbond moes aanleer, gedwing is om by Volkskas te bank en gemaan is om dit nie eens met sy vrou te bespreek nie. Hy wy ook uit oor sy vriendskap met Beyers Naudé, aanvanklik as mede-leraars en later as mede-AB-lede. Maar die saadjie van agterdog is vir die eerste keer geplant toe Naudé eendag terugkom van 'n Sinodevergadering en sê: "Nico, al die swart mense by die kongresse kan tog nie almal verkeerd wees nie?" (p.68).

Sedert daardie dag het Nico Smith 'n stryd met homself gevoer: Hoe sou hy sy verset teen die kerklike legitimering van apartheid verwoord? Dit was veral na die Cottesloe-beraad waar apartheid tot sonde verklaar is, dat hy die behoefte gevoel het om hom teen die kerk se beleid van apartheid uit te spreek. In 'n preek wat hy in Stellenbosch se moedergemeente gehou het,waarsku hy teen die gevaar as kerk en volk in mekaar se skoot beland. Dan word 'n monster (apartheid) gebore (p. 192).

Hy het ook voorgestel dat die moedergemeente af en toe na kerk tee en broodjies saam met die Rynse Kerk, wat skaars 'n halwe kilometer daarvandaan is, geniet. Dis met ongeloof en 'n vlaag briewe van beswaar begroet. Hy moes sy preek aan prof. Koot Vorster (die destydse Eerste Minister se broer en voorsitter van die kweekskool) voorlê. Hy is deeglik afgeransel: Hoe kan jy verwag dat wynboere wat tot die moedergemeente behoort saam met hul arbeiders van die Rynse Kerk tee drink? Uiteindelik moes die NG Kerk erken dat hy gedwaal het en kettery verkondig het.

Maar in Mei 1973 was hy uiteindelik 'n vry man. "Per slot van rekening was dit alleen maar genade dat ek my gemoed oopgestel het vir ruimer denke oor alternatiewe oplossings vir Suid-Afrika..." (p.73). Op dié dag moes alle broers met hul handtekening bevestig dat hulle slegs die Nasionale Party sou ondersteun. Hy het dit as 'n manier gesien om uit te kom en het gevolglik bedank ( p.209). Hy kon nie glo dat dieselfde persone wat tydens sy lidmaatskap hom met soveel vriendelikheid behandel het, eensklaps so onbeskof teenoor hom was nie.

En toe kry hy eendag 'n telegram waarin hy beroep word na die swart gemeente in Mamelodi en kon hy uiteindelik die voortdurende agterdog, die ondermyning van sy persoon en die gedurige saamkonkel by die Stellenbosse kweekskool vaarwel toeroep. Hy kon 'n nuwe lewe begin, byna soos 'n wedergebore Christen en sy ervaring en kundigheid aanwend tot voordeel van die mense wat deur die Broederbond van hul regte ontneem is.

Hierdie werklikhede omtrent die Afrikaners se verlede, veral onder NP-bewind, het die uiteindelike verlies aan heerskappy sonder dat hulle dit besef, onafwendbaar gemaak. Dit wat die Afrikaner vir hulle self bedink en uitgevoer het as enigste en finale oplossing vir die heil van Suid-Afrika en al sy inwoners het uiteindelik geblyk 'n droom te wees.

Sedert 1994 het die AB 'n nuwe blaadjie omgeslaan in die vorm van die Afrikanerbond. Vir die skrywer lyk dit asof die organisasie bloot 'n liefdadigheidsorganisasie geword het wat die miljoene rande wat die AB opgegaar het, uitdeel. As dit opraak, voorspel hy dat die AB sal verdwyn. Afrikaners het mondig geword. Hulle het nie meer organisasies nodig wat vir hulle voorsê nie. Die nuwe Suid-Afrika dwing hulle eenvoudig daartoe.

En hulle enigste hoop op voortbestaan is om hulself nuttig en dus onmisbaar vir die land te maak. En hierin het die Afrikaanse Kerke 'n sleutelrol om te speel. Maar eers moet hulle die advies van Paulus in Rom.12:2 volg "Laat julle denke verander" (p.256). Gebeur dit, sien die skrywer, soos ook Beyers Naudé op sy sterfbed, "'n groot toekoms vir die Afrikaners".

Myns insiens lê die relevansie van die boek nie opgesluit oor wat hy oor die verlede te sê het nie, maar eerder dit waarteen die boek vir ons waarsku in terme van die toekoms van die nuwe Suid-Afrika: dat geen derde party ooit weer in ons land se geskiedenis so magtig moet word, dat dit redelike denke ondermyn nie.

En kyk jy om jou heen, is die gevaarligte reeds sigbaar.

 

Michael le Cordeur
Departement Afrikaansonderwys
Universiteit van Stellenbosch

 


 

Fiksie. Troos vir die gebrokenes

 

 

deur Bettina Wyngaard
Subtitel: Roman
Uitgewer: Umuzi, Roggebaai, Kaapstad
Bladsye: 222
ISBN: 978-1-415200834

Troos vir die gebrokenes: die geloofwaardigste voorstelling van die bruin gemeenskap sedert Adam Small

Soms kan die lewe jou so vir 'n ses slaan dat jy nie weet of jy kom of gaan nie. Die ergste van alles, is dat die lewe inconsiderate genoeg is om jou nie eers 'n hint te gee nie (p.9). Hierdie woorde som Bettina Wyngaard se nuwe roman, Troos vir die gebrokenes, op. Die roman wat pas aangeys is as een van die finaliste van Rapport se Jan Rabie-debuutroman gaan om die wel en wee van 'n plattelandse bruin gemeenskap van Pineview, Grabouw; meer spesifiek die Danielsfamilie wat in die afgeleefde tweeslaapkamerhuis met die gepaste naam Safari in Sonneblomstraat woon. Dis dieselfde straat waarin Frieda Daniels grootgeword het.

Dis die verhaal van die vroue van Pineview en hul stryd om te oorleef deur as seisoenwerkers in die vrugtefabrieke op te tree, maar terselfdertyd hul stryd om bevryding uit die kloue van hul nikswerdmans. Daar is Antie Mina (sien foto op omslag), Frieda se bejaarde, maar ongelooflike sterk groot maak-ma wat die familie bymekaar hou en as hul beskermengel optree, en wat nie huiwer om geweld te gebruik om haar kinders en kleinkinders te beskerm nie. Frieda self is die ma van drie: Lilly die oudste met die pragtige voorkind, Storm, haar vuurvreter, feministiese suster Lucy met wie sy 'n kamer deel, en haar dierbare, vredeliewende broer Jimmy, die jongste wat onder die kombuistafel slaap omdat daar geen plek vir hom in die huis is nie.

Soos die skrywer tereg te kenne gee, dra die storie van hierdie gemeenskap ook 'n universele boodskap. Die boek spreek verskeie sosiale kwessies aan. Frieda probeer byvoorbeeld hard om 'n goeie ma vir haar kinders te wees, ten spyte daarvan dat sy gereeld deur haar man, John, geslaan en selfs verkrag word: Sy ervaar skaamte oor haar kinders al by meer as een geleentheid gesien het wat gebeur (p.37) en "die laaste tyd kan ek nie aan jou dink sonder om te onthou hoe jy jou op my ge-force het nie"(p.132). Daar is die skinderbek, Linda wat vir almal vertel dat Frieda se man haar slaan, maar stilbly daaroor dat sy self 'n slagoffer van 'n vroueslaner is, want baie mense hanteer hulle eie seekry deur ander mense seer te maak, aldus Antie Mina (p.29).

Dit vertel van Frieda se eie drome: "toe sy jonk was het sy gedroom om eendag in 'n groot huis te bly " (p.39) maar miskien, as die Here voorsien, sal haar kleinkind, Storm, eendag 'n beter lewe lei, sal hy nie hoef op die plaas te werk nie (p.34). Intussen sorg Frieda vir haar gesin; want hulle klere moet skoon en netjies wees en 'n goeie indruk skep (p.82).

Elke huis het sy kruis staan nie verniet op die gehekelde lappie in antie Mina se voorhuis nie. En dis asof die slagoffers saamwerk met die oortreder om die geheim te bewaar asof hulle ook self skuldig is (p.49). Eintlik is daar baie dinge waaroor Frieda se gesin nooit praat nie (p.62). En jy sien dikwels hoedat vroue wat selfstandig is, niks doen om mekaar te help nie; dat hulle liefs stilbly en toelaat dat hul mans hulle soos vloerlappe behandel (p.69).

Maar die verhaal eindig met hoop, oftewel Troos vir diegene wat seerkry. En hierdie hoop is daarin geleë dat God diegene help wat self iets aan hulle omstandighede doen.

'n Sterk karakter wat die gang van die verhaal sou verander, is die feminis, Lucy, wat as rekenaaroperateur in die kantoor van die appelplaas werk. Frieda swel van trots as sy oor haar naasoudste dogter praat: "Om te dink, Lucy kan dieselfde werk as witmense doen" (p.34). Dis Lucy wat Lilly aanspoor om die pa van Storm te dagvaar vir onderhoud. Tot op daardie stadium het Lilly reg gekom deur self vir haar kind te sorg, maar met Lucy se hulp slaag sy daarin dat Ben sy verantwoordelikhede nakom (p.118).

Dis ook Lucy wat die idee van die shelter vir die haweloses by Lilly plant: Hoe kan ons weet daar is mense wat swaarkry, en self niks daaraan doen nie, vra sy (p.110). Uiteindelik sou Lilly danksy die dryfkrag van haar jonger suster tot die besef kom dat sy dinge kan verander as sy wil. Sy besef sy het keuses, sy hoef nie 'n slagoffer soos haar ma te wees nie (p.122). Sy raak 'n leier in die gemeenskap, maak 'n verskil aan hawelose kinders se lewes, en ontmoet in die proses haar nuwe lewensmaat, die pastoor Robert saam met wie sy die projekte vir die haweloses aanpak. Lilly se lewe kry nuwe betekenis.

Ironies is dit egter een van Lilly se hawelose tieners in die shelter, Garth, wat sorg dat die familie finaal hul lewe verander. 'n Skoot uit sy onwettige vuurwapen is vir die ontydige dood van die beminlike en kleurryke oom Charles verantwoordelik, 'n man wat met met sy netjiese witpak net oortref word deur die statige Antie Mina by wie hy al baie lank vlerksleep (p.31). Maar die leser vind eers na oom Charles se dood uit dat Antie Mina wel lief was vir hom. Eers toe sy besluit om Charles se nagedagtenis te laat rus, kon Antie Mina weer slaap (p.217).

Maar Lucy stop nie daar nie: Haar ma se passiewe aanvaarding van alles wat met haar gebeur en haar alewige bereidwilligheid om te vergewe en te vergeet en op die Here te vertrou, maak haar mal en sy maak dit duidelik sodat Frieda MOET luister (p.125). Uiteindelik kom Frieda tot inkeer: Sy kom uiteindelik tot die besef dat die kerk en die Here haar nie gaan help nie. Sy sal self moet leer wat sy nodig het. Want solank sy kan onthou, het sy eerste aan haar kinders en haar man se behoeftes gedink. Vir die eerste keer dink sy aan haarself: "Ek is ook 'n mens, ek het ook behoeftes." Dan neem sy die besluit wat sy lankal moes: Sy vra haar man om die huis te verlaat sodat sy haar eie lewe agtermekaar kan kry (p.132).

Sy, die kerksuster en leier van die gebedskring kom in verset teen die kerk: "Ek dink soms die kerk het onnodige reëls wat ek seker is God nooit bedoel het om ons mee op te saal nie" (p.153). Dit het oom Charles se dood geverg om John terug in die huis te kry. Frieda en John besef dat die lewe kort en kosbaar is, en deur mekaar af te takel sal niemand baat nie. "Daai kosbare tydjie wat jy om balans baklei is juis die tyd wat jou lewe ryk maak" (p.201).

Die verhaal spreek van eerlikheid deurdat dit gaan om "troos" en die reis na "heelmaking", nie maar 'n inruiling van die ou stryde vir nuwe uitdagings nie. Die seerkry, die seermaak, die drankmisbruik, die mishandeling, die verkragting, die moord, die armoede, die geskinder en verskeie ander neerdrukkende aspekte wat in die boek onder die soeklig gestel word, word nie weggeskryf of "mooigemaak" of verruil nie; inteendeel. Dit is juis die eerlike blik op hierdie kwessies, die worsteling daarmee, die optrede daarteen, wat troos bring vir diegene wat gebroke gelaat is deur een of meer van hierdie kwessies in hulle lewens.

Frieda en haar dogters betree 'n nuwe fase, 'n nuwe ritueel: Saans gaan hulle stap; want die veld begin weer groen raak na die winter, en orals steek die fynbos gekleurde knoppies en lopertjies uit en die sewejaartjes staan in wit plate die veld vol (p.222). En saam met die blomme groei ook die hoop en die troos vir die Daniels-familie in Sonneblomstraat.

 

Michael le Cordeur
Departement Afrikaansonderwys
Universiteit van Stellenbosch