SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.49 número3John Calvin's view of the human being: A Christian philosophical appraisalCalvin's step into public at the Disputation of Lausanne (October 1536) índice de autoresíndice de materiabúsqueda de artículos
Home Pagelista alfabética de revistas  

Servicios Personalizados

Articulo

Indicadores

Links relacionados

  • En proceso de indezaciónCitado por Google
  • En proceso de indezaciónSimilares en Google

Compartir


Tydskrif vir Geesteswetenskappe

versión On-line ISSN 2224-7912

Tydskr. geesteswet. vol.49 no.3 Pretoria  2009

 

Calvyn se etiek van die sosiaal-ekonomiese lewe

 

Calvin's ethics of socio-economic life

 

 

B Goudzwaard

Departement Ekonomie, Vrije Universiteit, Amsterdam, Nederland

 

 


OPSOMMING

Teen die agtergrond van die middeleeuse Rooms-Katolieke devaluering van hande-arbeid en in reaksie tot die statiese stande-gelaagdheid daarvan, het Calvyn 'n pleitrede gevoer vir 'n herwaardering van die koopmansstand en van die plek van die ekonomiese sektor van die samelewing binne 'n koninkryksperspektief daarop. Enersyds was daar talle misstande en bedenklike praktyke in swang in Italie en andersyds het die Roomse kerk nog 'n groot mag gehad oor die samelewing - met betrekking tot die ekonomiese sektor veral deur die instandhouding van die rente-verbod. Nie alleen het Calvyn die hiërargiese samelewingsbeskouing van die middeleeue ondergrawe nie, maar tegelyk ook nuwe moontlikhede geopen vir die opbloei van ekonomiese aktiwiteite met sy pleit vir die opheffing van die rente-verbod. In Genève het hy uit hoofde van sy bediening allerlei praktiese voorstelle gemaak, soos die verlening van gratis doktershulp aan armes; die prysvasstelling van brood, wyn en vleis; die reglementering van arbeidsduur; die verpligting om laerskool onderwys te volg; die geneeskundige behandeling van invalides en siekes; openbare werke en herskoling van werkloses; hulp aan verbygaande vreemdelinge; instituering van die diakonaat; en 'n verbod op bedelary omdat daarvoor in Genève geen rede meer bestaan het nie. Die prysvasstelling van brood, wyn en vleis dui op die noodsaaklike lewensbehoeftes in die tyd wat veroorsaak is deur die voortdurende styging van die pryse wat daartoe gelei het dat die mindergegoedes gebrek begin ly het (Calvyn het dus in 'n tyd van inflasie geleef).
Calvyn het die hele lewe op gelyke voet geplaas en elke beroep as 'n roeping gesien. Besondere aandag word gegee aan die beroemde Weber-tese, naamlik dat die kapitalisme 'n vrug van die Calvinisme is. Daar word aangetoon dat dit egter die Engelse puritanisme was wat hierdie faam moet ontvang - gepaardgaande met wat Weber 'n "binne-wêreldse asketisme" genoem het: die werkers het hul hard-verdiende geld gespaar (opgepot) en dus in die wêreld as vreemdelinge geleef. Aan die einde is 'n "Postscript" (2009) bygevoeg waarin 'n aantal ooreenkomste en analogieë tussen Canvyn se tyd en ons huidige situasie belig word, terwyl vasgehou word aan die onderliggende duursame betekenis van Calvyn se nalatenskap ook vir ons situasie van vandag.

Trefwoorde: Calvinisme, billikheid, kapitalisme, Puritanisme, renteverbod, Koninkryk


ABSTRACT

Against the background of the medieval Roman Catholic depreciation of manual labour and the flourishing of trade and commerce this article portrays the contrast between the traditional static medieval hierarchical understanding of society and the approach of Calvin. The said depreciation of manual labour is aptly captured in a medieval legend where we learn of a person who found demons in every nook and cranny in a monastery, but surprisingly only one demon was found on a tower in the marketplace. When the person mentioned was surprised, a cleric responded by explaining that there is a greater need for demons in a monastery because many are needed to seduce the monks. At the marketplace however, one is more than sufficient, because everyone there is already a devil! This legend shows clearly how the medieval tradition devaluated the mercantile estate. This under-evaluation took its stance alongside a new appreciation of the self-esteem of human beings. However, the latter was accompanied by an increasing anarchy and immorality which indeed made Christians hesitant to participate in the horrible practices of this domain of life. By avoiding being a merchant one is not threatened by temptations. Add to this that the medieval view of society as an organic whole, where every sector of life had its well-assigned and properly integrated place, did not really contribute to the development of a constructive and dynamic economic life. The estate of merchants was kept in place by the doctrine of the "fair price." The system of guilds also did not allow for fair competition. However, breaking through this static establishment soon generated a cold and calculated rationalistic attitude towards life where even personal affairs were treated in economic terms - such as where a difference of opinion between two merchants led to an inscription that that person's life is owed, followed by a subsequent credit inscription: "Debt paid."
When Calvin wrote his Institution the point of gravity of trade and commerce shifted to the Netherlands (Antwerpen), although the Roman Catholic church still held an enormous power, particularly evinced in the maintenance of the prohibition of interest. A very useful study in this regard is found in the work of A. Biéler, La penseé économique et sociale de Calvin (Die ekonomiese en sosiale denke van Calvyn). The title of this work is somewhat pretentious because Calvin largely entered into a discussion of social-economic issues as part of the advice he gave to believers. This included directives such as the regulation of the duration of work, making primary school education compulsory, the medical treatment of invalids and ill people, public works and the re-training of unemployed people, aid to strangers who pass by, a prohibition to begging because in the Geneve of the time this was no longer necessary. Interestingly Calvin also made a plea for a fixed price for bread, wine and meat (the necessary means of life at the time).
As extensively shown by Bohatec Calvin constantly advocated the idea of what is just and fair. It was supported by his new, non-hierarchical, view of society and his conviction that all of life ought to open up to the service of God. This view transcended the medieval prohibition on interest, and broadened the scope of God's kingdom to encompass all of life - where the execution of every walk of life became a calling equal in importance and dignity to every other calling in life. Particular attention is given to the famous Weber thesis that capitalism is the outcome of Calvinism. At the end a 2009 "Postscript" is added in which a number of similarities and analogies between the era of Calvin and our own contemporary situation are highlighted, while holding on to the basic positive perspective initially advanced in the substantive article.

Key words: Calvinism, equity, capitalism, Puritanism, interest ban, Kingdom


 

Full text available only in PDF format.

 

 

BIBLIOGRAFIE

Biéler, A. 1959. La penseé economique et sociale de Calvin. Préf. de Antony Babel. Genève: Librairie de l'Université, Georg.         [ Links ]

Bohatec, J. 1934. Calvin und das Recht. Feudlingen: Verlag Hermann Bohlaus.         [ Links ]

Bohatec, J. 1961. Calvins Lehre von Staat und Kirche mit besonderer Berücksichtigung des Organismusgedankens. Aalen: Scientia.         [ Links ]

Bouwman, P.J. 1938. Van Renaissance tot Wereldoorlog, een cultuursociologische studie. Amsterdam: Paris (1974 uitgawe, Groningen: Tjeenk Willink).         [ Links ]

De Zwart, W. (Vertaler met 'n Inleiding) 1938. Calvijn in het licht zijner brieven: honderd brieven van den reformator. Kampen: Kok.         [ Links ]

Doumergue, E. 1921. Le Caractère de Calvin. Paris : Editions de Foi et Vie (in Nederlands vertaal deur Helena C. Pos onder die titel: Calvijn als mens en hervormer. Amsterdam: Ten Have,         [ Links ] [1931]).

Kraus, J.B. 1930. Scholastik, Puritanismus und Kapitalismus. München: Duncker & Humblot.         [ Links ]

Tawney, R.H. 1926. Religion and the rise of capitalism; a historical study. (Ook in 'n Nederlandse vertaling beskikbaar in die Aulareeks onder die titel: De Sociologie van de Renaissance.         [ Links ])

Troeltsch, E. 1912. Die Soziallehren der christlichen Kirchen und Gruppen. Gesammelte Schriften.         [ Links ]

Van Gunsterer, W.F. 1934. Kalvinismus und Kapitalismus, Amsterdam: Noord-Hollandsche Uitgeversmij.         [ Links ]

Weber, M. 1905. Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus. In: Gesammelte Aufscitze zur Religionssoziologie; Nuut uitegee deur Johannes Winkelmann, München: Siebenstern Taschenbuch, 1969.         [ Links ]

 

 

Naskrif - Bob Goudzwaard (2009)

Mij is om een naschrift gevraagd bij dit artikel dat ik bijna een halve eeuw geleden (in 1960) schreef. Het had betrekking op de gedachtenwereld van de reformator Johannes Calvijn, die vijf eeuwen geleden (1509) geboren werd. Een halve eeuw, vier eeuwen, wat doet het verloop van de tijd met ons, met onze manier van zien, lezen en beoordelen?

Dit in 1960 geschreven artikel poogde Calvijn's visie op het sociaal-economische leven te verstaan tegen de achtergrond van zijn eigen tijd. Het was een tijd waarin zich enerzijds onder de invloed van de Renaissance een zeer losse moraal over het zakendoen ontwikkelde, en anderzijds de Rooms-Kaholieke kerk zich met al haar scholastieke vernuft poogde het voor haar verlopende tijd te keren door een voortdurende aanpassing van haar morele regels inzake prijs, winst en interest. Het artikel positioneerde Calvijn dan ook tussen deze twee polen in. En poogde recht te doen aan zijn baanbrekende opvatting, waarbij hij aan de ene kant, in onderscheid van de Scholastiek, aan het in Christus geheiligde economische leven het recht op een eigen dynamische ontwikkeling toekent, maar aan de andere kant in onderscheid van de Renaissance een intrinsieke binding veronderstelt van het economisch bedrijf aan normen van recht en billijkheid.

Nu, bijna vijftig jaren later, denk ik nog steeds dat deze kenschets principieel juist was, en ook nog steeds raakt aan de kern van Calvijns door-en-door Bijbels gefundeerde visie op het sociaal-economisch leven van zijn tijd. Maar wel rijst de vraag naar de betekenis voor toen en nu, en wel in het kader van een intussen sterk veranderde werkelijkheid.

Een halve eeuw geleden was een term als globalisering nog volslagen onbekend; stond de mogelijkheid van een bedreigd levensmilieu voor mens en dier, laat staan de problematiek van een veranderend klimaat, nog in geen enkel opzicht op de politieke en maatschappelijke agenda, en dacht men ook wereldwijde economische en financiele crises voorgoed te hebben beteugeld. Is het mogelijk Calvijn's ethiek ook nu nog steeds in hoge mate actueel te achten, of komt hij op de welwillende een-en-twintigste eeuwse lezer toch terecht in toenemende mate als verouderd over?

Het antwoord laat zich niet zo eenvoudig formuleren. Het zal ook van persoon tot persoon verschillen. Maar wat mij persoonlijk opviel bij het herlezen van Bieler's standaardwerk over het sociaal-economisch denken van Calvijn, hoe sterk nu ook geheel andere passages uit Calvijns preken en commentaren als raak en tot nadenkend stemmend opvallen; passages die de auteur van het artikel uit 1960 kennelijk nauwelijks wisten te boeien. Enkele voorbeelden kunnen dit verduidelijken.

Een preek over 1 Korinthe 11:11, die over de verbondenheid tussen mensen gaat (Bieler, p 235), treft de lezer van vandaag hoe Calvijn daar op een bijna ontroerende manier beschrijft hoe de kleine kinderen van zijn tijd met elkaar omgaan. Als ze samen eten of een partijtje hebben, zo zegt Calvijn, dan laat ieder kind spontaan anderen delen in wat zij of hij heeft meegebracht. Zelfs de meest norse onder hen verbergt dan niet, houdt dan niet voor hemzelf, wat hij bij zich heeft. Hoe komt dat nu, zo vraagt deze Geneefse predikant zich af. De een, zo stelt hij, ziet het als een kwestie van instinct, de ander ziet het als louter kinderspel. Maar Calvijn houdt het er op, dat God Zelf ze zo geschapen heeft, omdat mensen nu eenmaal van nature door Hem op elkaar betrokken en daarom met elkaar verbonden zijn: "Dieu a créé le genre humain á telle condition, que nous soyons alliés ensembles".

Een prachtig voorbeeld is dit van Calvijns visie op de menselijke solidariteit in een als levend organisme functionerende samenleving. Het is die diepgewortelde gesteldheid die het ook mogelijk maakt in het economisch verkeer tussen mensen op de normen van recht en billijkheid een rechtstreeks beroep te doen. Maar waarom valt zo 'n passage mijzelf als een-en-twintigste lezer nu zo sterk op, in ieder geval meer als vijftig jaar geleden? Dat kan en moet wel iets te maken hebben met de in de tussentijd doorgaande erosie van de menselijke solidariteit in het algemeen, en van de solidariteit in de sociaal-economische omgang tussen mensen in het bijzonder. Misschien, zo komt zelfs nu de gedachte op, kon Calvijn in zijn tijd gemakkelijker terugvallen op die natuurlijke intermenselijke solidariteit als wij in onze tijd dat kunnen, en daardoor ook eerder dan wij afzien van een corrigerend en regulerend overheidshandelen. Of is het veeleer zo, dat wij het sterke verloop van het solidariteitsdbesef in de moderne samenleving, het ieder voor zich, te gemakkelijk als vanzelfsprekend zijn gaan aanvaarden?

Een tweede voorbeeld. In een preek over Mattheus 4: 8-11, een passage die gaat over de verzoeking van Jezus in de woestijn, haalt Calvijn scherp uit naar degenen die zich ook in geldelijk opzicht steeds ten koste van de armen willen verrijken. In feite bewijzen ze daarmee namelijk aan de duivel eer. Natuurlijk, uit hun eigen mond zul je dat nooit horen, maar als je op hun daden en hun intenties let, wordt onloochenbaar duidelijk dat God voor hen niets, en de Satan voor hen alles betekent ("Dieu ne leur est rien, et Satan leur est tout"; Bieler p 318). Dat is nogal wat! Biéler's commentaar verwijst in dat verband naar de tyrannie, die het geld - als Mammon - op de menselijke samenleving kan uitoefenen en de mensen tot slaven maakt.

Met de financiele crisis van het moment (2009) in gedachten, waarin weer openlijk op staaltjes van hebzucht wordt gewezen, blijken dit woorden met een onvermoede actualiteit. Maar ook hier is het vooral de kennis en de blikrichting van nu, die deze woorden voor ons doet oplichten. Want natuurlijk had Calvijn, toen hij aan de economische leven van zijn tijd een eigen dynamiek toekende, niet de moderne op zichzelfgestelde dynamiek van de hedendaagse financiele markten voor ogen. Eerder zou hij er de trekken van het losgeslagen zakendoen van de Renaissance er in hebben gekend. Daarom roept zijn hier geciteerde preek eerder de vraag op, of de hedendaagse christenheid het vaak niet veel te gemakkelijk op een stilzwijgend accoordje met deze tyrranieke afgod gooit.

Een laatste voorbeeld. In een commentaar op Jesaja 5:8, "Wee degenen die zich huis na huis toe-eigenen, die akker na akker samenvoegen", komt Calvijn tot een vlammende tirade ten aanzien van degenen die nooit genoeg hebben, omdat zij altijd op jacht zijn naar meer geld en goed. Zij zullen het geluk niet zien, want dat is verbonden met "gematigdheid ", met content-zijn (contentement). In een preek over Deuteronomium 24:19v, waarin de Thora het de schuldeiser verbiedt het huis van zijn schuldenaar binnen te dringen, komt dat thema terug: "Wilt U gelukkig zijn, content zijn, tevredenheid bezitten? Wendt U dan tot God, onderken wanneer Hij U zegent, en U zult genoeg (suffisance) ondervinden in wat U nodig hebt en waarin Hij u onderhoudt"(Biéler, 1959:245).

Calvijn is bekend om zijn terughoudendheid ten aanzien van directe overheidsinterventie in het sociaal-economisch leven. Maar hij ziet geen enkele belemmering voor het uitvaardigen van wetten die de overdaad onder de mensen tegen gaan: "Ongetwijfeld mag de magistratuur wetten uitvaardigen tegen overtollige uitgaven (dépenses superflues), en zonder onderscheid excessen beteugelen" (Biéler 384, in een preek over 1 Tim 2:9 over de waardigheid en soberheid die mensen past). Woorden die we wellicht nu als een inbreuk op onze privacy zouden beschouwen! Maar ze bezitten tegelijkertijd een boeiende hedendaagse actualiteit. We leven immers in een tijd waarin de wereldeconomie en de wereldecologie dreigen stuk te lopen op het op een te grote voet leven van met name de rijke landen. Maar ook hier is dat besef van actualiteit natuurlijk mede bepaald door de kennis die we vandaag hebben, en de zorgen die we nu met ons meedragen.

Maar is dat ernstig, is dat een bezwaar? Ik denk van niet. Eerder ben ik geneigd dat in Calvijn's voordeel uit te leggen. Kennelijk is hier van doorslaggevende betekenis, dat Calvijn in al zijn preken en commentaren zo dicht mogelijk wilde uitkomen bij de eigenlijke bedoeling van de door hem besproken Bijbelse woorden. Het is die omstandigheid die die wonderbaarlijke actualiteit van zijn preken en commentaren als het ware spontaan te voorschijn roept. Het is kennelijk de actualiteit van het levende Woord van God zelf die ons hier aangrijpt.

 

 

1 Met toestemming van die skrywer en die redaksie oorgeneem (en opgedateer) uit: Anti-Revolutionaire Staatkunde, 30:137-152, 1960. Prof Goudzwaard was hoogleraar in die Dept. Ekonomie in die Fakulteit Sosiale Wetenskappe, Vrije Universiteit, De Boelelaan 1105, Amsterdam, Nederland. Huisadres: Emmalaan 17, Oesgeest, Nederland. In die opdatering is die verwysings verander na die Verkorte Harvard Metode (die oorspronklike artikel het ook geen datum of plek van uitgawe van aangehaalde werke gehad nie).
2 Aangehaal deur J.B. Kraus, 1930:78.
3 Aangehaal deur Tawney, 1926:42.
4 Tans in Nederlandse vertaling verskyn in die Aulareeks onder die titel: De Sociologie van de Renaissance.
5 In sy boek: Calvins Lehre von Staat und Kirche (1961), Buch IV: Die einseinen Stlinde in dem Staatsorganismus. Verder van sy hand: Calvin und das Recht (1934) en verskillende artikels in Philosophia Reformata enAnti-Revolutionaire Staatkunde. Tot ons teleurstelling het Bohatec se naam nie voorgekom in die uitgcbreide literatuurlys van dr Biéler nie.
6 Calvyn se kommentaar op Lukas 10:30. Biéler, 1959:234. Hieruit blyk dit duidelik dat die gemeenskap tussen mense by Calvyn nie by die kerk ophou nie, soos soms wel gesuggereer word (onder andere deur Troeltsch en Kraus).
7 Troeltsch, 1912322. 7) Bohatec, 1961:635. Meier, ??:413, e.v.
8 Bohatec, Calvins Lehre von Staat und Kirche, p. 635. Meier, ??:413, e.v.
9 Troeltsch, 1912:89.
10 Troeltsch, 1912:93.
11 W. de Zwart, 1938:120, 130.
12 Biéler, 1959:404.
13 Biéler, 1959:235.
14 Biéler, 1959:327.
15 Aangehaal uit Bohatec, 1961:738.
16 Biéler, 1959:346.
17 "Uitdrukking van menslike solidariteit en teken van geestelike gemeenskap", Biéler, 1959: 414.
18 Bohatec, 1961:695.
19 Om die volgende redes ag Calvyn die Ou-Testamentiese renteverbod vir sy tyd nie van krag nie: 1) Die verbod het tot die politieke wette van die volk van Israel behoort, wat as sodanig in die nuwe bedeling nie meer geld nie. 2) Die tye het heeltemal verander. Die Bybel verstaan onder die woord "rente" dan ook iets anders as ons. Op die betreklik nuwe verskynsel van rente vir lenings met produktiewe doeleindes word daar nog nie gedoel nie. 3. Dit sou wettisties wees as hierdie verbod na die letter geneem word. Dit gaan in die Bybel slegs hierom dat reg en billikheid betrag sal moet word tussen skuldeiser en skuldenaar. As aan hierdie eis voldoen is, is renteneem na die gees van die wet toegestaan. (Calvyn se Kommentaar op Lev. 25, Ps. 15 en Esegiël 18. Biéler, 1959:453 e.v.).
20 Vgl. Bohatec. Calvins Lehre von Staat and Kirche. p. 699. 'n Mens mag uit die bostaande nie tot die konklusie kom dat die skolastici hulle nie oor die armes bekommer het nie. Die hulp aan die armes is van die grootste belang geag, maar die beskouing was dat dit primer tot uiting moet kom in die "gee van aalmoese". Die hulp het dus buite-om die ekonomiese kontrak wat slegs op gelykheid moes berus, plaasgevind. Aan die ander kant moet die weergawe van Calvyn se reël nie so opgevat word dat hy algehele gelykheid in materiële omstandighede tussen die verskillende stande en persone beoog het nie. Inteendeel: Calvyn sien daar geen kwaad in dat die rykes oorvloedig van hulle rykdom lewe nie (Biéler, 1959:320). Dit gaan hier om Calvyn, op die voetspoor van Aristoteles, se "analogiesc gelykheid" maar, wat gemeet word volgens kwaliteite en moontlikhede. Calvyn vat dit self soos volg saam: God wil dat daar 'n dusdanige analogie en gelykheid tussen ons sal wees, dat elkecn van die swakke sal laat toekom, vir sover sy vermoë reik, sodat een nie oorvloed sal hê, terwyl 'n ander gebrek ly nie. (Commentaar 2 Kor. 8:13, Biéler, 1959:349).
21 Biéler, 1959:467.
22 Biéler, 1959:281.
23 Biéler, 1959:322, 336.
24 Biéler, 1959:380.
25 Weber. 1905:92.
26 Calvyn, Brief aan die raad van Genève, in: S. de Swart, 1938:130.
27 Tawney, 1926:138.
28 P.J. Bouwman, 1938:45.
29 Vir 'n benadering wat van die van ons afwyk, lees: W.F. van Gunsterer, 1934.
30 Weber, 1905:33 e.v.
31 Weber,1905:94, 105.
32 Weber, 1905:135.
33 Biéler, 1959:495.
34 Vgl. Tawney, 1926:21 e.v.
35 Van Gunsterer, 1934:207: "wirtschafts-historische betrachtet besteht denn auch eine griissere Kluft zwischen dem Puritaner des 17. Jahrhunderts und dem kalvinisten aus der Zeit Kalvins als zwischen diesem Puritaner und dem ökonomischen Individualisten des 18. Jahrhunderts".
36 J.B. Kraus, s.j. 1930:208.
37 E. Doumergue, Le Caractère de Calvin, in Nederlands vertaal onder die titel: Calvijn als mens en hervormer, p. 149.

 

 

Bob Goudzwaard studeer na sy skoolloopbaan ekonomie aan die Erasmus Universiteit te Rotterdam, waar hy in 1959 die Meestersgraad behaal. Vanaf 1959 tot 1966 ageer hy as wetenskaplike medewerker by die Dr. Abraham Kuyper Stigting in Den Haag en vanaf 1967 tot 1971 word hy as verteenwoordiger van die Antirevolusionêre Party lid van die Nederlandse Parlement (Tweede Kamer). Intussen behaal hy in 1970 die doktors-graad in Ekonomie en Ekonomiese Politiek aan die Vrije Universiteit van Amsterdam. Vanaf 1971 tot 1999 is hy professor in Ekonomie en Ekonomiese Politiek aan die Sociale Fakulteit van die Vrije Universiteit van Amsterdam. Vir die dekade van 1973 tot 1983 is hy Rektor van die opleiding-sentrum van die Christelike Arbeidsvereniging (CNV) in Nederland en in 1976 word hy die eerste Voorsitter van die programkomitee van die Christelik Demokratiese Aksie (CDA). In 1979 word hy vereer met die Rektor Dhanis Leerstoel aan die Belgiese Universiteit van Antwerpen. Tussen 1981 en 1991 dien hy as voorsitter van die Nederlandse Interkerklike Hulpverlening (ICCO). In 1988 word hy genomineer as professor in Kultuurfilosofie in die Filosofie Fakulteit van die Vrije Universiteit van Amsterdam. Vanaf 1996 tot 2001 tree hy op as voorsitter van die Europese Ekumeniese Kommissie vir Ontwikkeling (EECOD). Sedert 2002 is hy 'n Adviseur vir die Departement van Reg, Vrede en Skepping van die Wêreldraad van Kerke (Genève). Bob Goudzwaard is 'n "Fellow of the Institute of Christian Studies" in Toronto, en 'n "Knight in the order of the Dutch Lion". 'n Volledige opgawe van sy artikels, boeke asook 'n "annotated Bibliography" is by die volgende WEB adres beskikbaar: http://www. allofliferedeemed.co.uk/goudzwaard.htm.

After he left school Bob Goudzwaard studied Economics at the Erasmus University of Rotterdam, completing the Masters Degree in 1959. From 1959 to 1966 he served as Scientific collaborator of the dr Abraham Kuyper Foundation in the Hague and from 1967 until 1971 he was a Member of the Dutch Parliament (second chamber) - for the Anti-Revolutionary Party. In 1970 he received his doctoral degree in Economics from the Erasmus University. He was professor of Economics and Economic Policy in the Social Faculty of the Free University in Amsterdam from 1973 up to 1999. For the decade of 1973-1983 he acted as Rector of the Training Centre of the Christian Labour Union (CNV) in the Netherlands. In 1976 he became the Chair of the first program-committee of the Christian Democratic Party (CDA). In 1979 he was honoured with the Rector Dhanis Chair of the University of Antwerp, Belgium. Another decade (1981-1991) saw him as Chairperson of the Dutch Christian Inter Church Aid (ICCO). He was nominated as professor in Cultural Philosophy in the Faculty of Philosophy of the Free University of Amsterdam in 1988. He acted as Chairperson of the European Ecumenical Commission on Development (EECOD) from 1996 until 2001. Since 2002 he has been an Advisor of the Department on Justice, Peace and Creation of the World Council of Churches, Geneva. Bob Gouzwaard is a fellow of the Institute of Christian Studies in Toronto, and Knight in the order of the Dutch Lion. A complete list of his published articles, books as well as an annotated Bibliography is available at the following WEB site: http://www.allofliferedeemed.co.uk/ goudzwaard.htm.

Creative Commons License All the contents of this journal, except where otherwise noted, is licensed under a Creative Commons Attribution License