SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.49 issue2Polish accounts of South Africa in the beginning of the 20th century: An Aesopian undercoverPoems author indexsubject indexarticles search
Home Pagealphabetic serial listing  

Tydskrif vir Geesteswetenskappe

On-line version ISSN 2224-7912

Tydskr. geesteswet. vol.49 n.2 Pretoria  2009

 

"Liever een maagd dan een weduwe": Twee Latijnse erotische gedichten op naam van Anna Maria van Schurman (1607-1678)

 

"Rather a virgin than a widow": Two Latin erotic poems attributed to Anna Maria van Schurman (1607-1678)

 

 

Pieta van Beek

Navorsingsgenoot Departement Ekklesiologie Universiteit van Stellenbosch, Geaffilieerd onderzoeker Onderzoeksinstituut Geschiedenis en Cultuur Universiteit Utrecht

 

 


OPSOMMING

Uit recente publicaties als Women Writing Latin (2002), Women Latin Poets (2005), komt naar voren dat een beduidend aantal vrouwen sinds de Romeinse tijd in het Latijn geschreven heeft. Tot die groep behoort ook Anna Maria van Schurman (1607-1678), de eerste studente in Europa en meest geleerde vrouw van haar tijd. In dit artikel wil ik stilstaan bij twee erotische gedichten in het Latijn die volgens mij niet, maar volgens de conservator van de UB van de Universiteit van Amsterdam wel op haar naam kunnen blijven staan. De gedichten moeten zelfs terug naar de Koninklijke Bibliotheek waar ze thuishoren. In de bijlage geef ik een eerste vertaling van deze gedichten.

Trefwoorde: Latijnse vrouedigters; geleerde vroue; Anna Maria van Schurman; sewentiende eeu; erotiese poësie; liefdespoësie; Neo-Latyn; Nederlandse geskiedenis; eerste vroulike student; Voetius


ABSTRACT

Recent, fascinating publications such as Women Writing Latin (2002) and Women Latin Poets (2005) show us that a significant number of women have written in Latin since the Roman Empire up till now.
Anna Maria van Schurman (1607-1678), the first female student in Europe and the most learned woman of her time, was one of them. Born in Cologne, she lived most of her long life behind the Domcathedral in Utrecht, Holland, where she became known for her knowledge of at least fourteen languages (German, Dutch, English, French, Latin, Greek, Italian, Hebrew, Aramaic, Arabic, Syriac, Samaritan, Persian and Ethiopic). She even composed a grammar for Ethiopic. Van Schurman was a multi-talented woman. She was an artist, wrote poetry and corresponded with many learned men and women of the European Res Publica Litteraria (the Republic of Letters), for example from England and Ireland: Simonds D' Ewes, James Harrington, Bathsua Makin, John Owen, Elisabeth Stuart, Queen Henrietta Maria, Samuel Collins, Samuel Rutherford, Dorothy Moore, John Dury, William Penn, Utricia Swann-Ogle and Archibald Hamilton. Part of herwork in Latin, Greek, Hebrew and French was published as the Opuscula Hebraea Graeca Latina et Gallica, prosaica et metrica, a book that was reprinted several times and can still be found in most of the European Libraries. It contains also her Dissertatio De Ingenii Muliebris ad Doctrinam et meliores Litteras aptitudine, translated into English as The Learned Maid. Thousands of people visited her, among these queens, such as Christina van Sweden and Maria de Gonzages of Poland included. Later in life she left the academy, city and church of Utrecht, joined the radical wandering protestant group of the Labadists and condemned her "worldly" learning. As a defence she wrote a learned autobiography in Latin, the Eukleria
In this article I will concentrate on her Latin poems. It was after all a Latin poem written on invitation ofprofessor Voetius that in the end gave her admission to the university. I have been able to trace more than 60 Latin poems, most of them unpublished. In the corpus two rather erotic poems stand out. These poems are in the possession of the University Library of the University of Amsterdam and are titled "Ad Janum Meierum, Nuptias Danicas spectantem, Amatorem regi similem esse" ("For Janus Meijer, who was a spectator at the Danish wedding, that a lover is similar to a king") and " Ad Ioannem Fridericum Gronovium. Virgines Viduis Praeferendas esse" ("For Johannes Fredericus Gronovius, that virgins should be preferred above widows"). I will argue that they are fremdkörper in her oeuvre, considering the facts that the poems are not in her handwriting or style, that women were not allowed to write love and erotic poetry at all, and that she herself was bound by a promise to her father on his deathbed, to celebrate celibacy her whole life. However, the most important fact I discovered was that Vincent Fabricius from Hamburg was the author. He had the poems published in Leyden in 1638. Not only the authorship of the poems but also their location at the University Library of Amsterdam should be corrected. They should be given back to the Royal Library in The Hague where they belong as number 58 of manuscript KB 133 B 8. How they got in Amsterdam is not known yet. In the attachment of this article I will provide a translation of both poems.

Key concepts: Anna Maria van Schurman; seventeenth century; Dutch history; first female student; learned women; women Latin poets; Voetius; erotic poetry; love poetry; Neo-Latin


 

Full text available only in PDF format.

 

 

GERAADPLEEGDE LITERATUUR

Bibliothecae Te Wateranae. Pars Alterae sive Catalogus. 1823. Leiden: Luchtmans.

Catalogue of the Manuscript Library of the late Dawson Turner. 1859. London: Puttick & Simpson.

Churchill, L.J., Brown, Ph, R & Jeffrey, J.E (eds). 2002. Women writing Latin. In 3 volumes. New York: Routledge.

Douma, A.M.H. 1924. Anna Maria van Schurman en de studie der vrouw. Amsterdam: s.n.

Fabricius, V. 1638. Poemata. Editio Secunda. Amsterdam: Joannus Iansonnius.

Heesakkers, C. 1995. 'De Nederlandse muze in Latijnse gewaad': de bestudering van de Neolatijnse poëzie uit de Noordelijke Nederlanden. In: Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde 111: 142-162.

Schenkeveld-van der Dussen, M.A. 1995. 'Liefdestalen van vrouwelijke auteurs' Literatuur 12:. 335-340.

Schotel, G.D.J. 1853. Anna Maria van Schurman. 's-Hertogenbosch: Muller.

Van Beek, P. 2003. 'Pallas Ultrajectina, bis quinta Dearum' Anna Maria van Schurman en haar Neolatijnse dichtkunst. In: J.Bloemendal (red.), De Utrechtse Parnas: Utrechtse Neo-Latijnse dichters uit de zestiende en zeventiende eeuw. Amersfoort: Florivallis, pp. 45-67.

Van Beek, P. 2004. De eerste studente: Anna Maria van Schurman (1636). Utrecht: Matrijs.

Van Schurman, A.M. 1673. Eukleria seu melioris partis electio. Altona ad Albim: Van der Meulen.

Van Schurman, A.M. 1684. Eucleria of uitkiezing van het beste deel. Amsterdam: Van Velde.

Van Schurman, A.M. 1652. Opuscula Hebraea Graeca Latina et Gallica, prosaica et metrica. Utecht: Van Waesberge.

Skafte Jensen, M. 2004. Eine humanistische Dichterfreundschaft des siebzehnten Jahrhunderts. In: M. Pade, K. Skovgaard-Petersen & P. Zeeberg (eds). Friendship and Poetry: studies in Danish Neo-Latin Literature. Copenhagen: University of Copenhagen- Musem Tusculanum Press.

Stevenson, J. 2005. Women Latin Poets. Oxford: Oxford University Press.

Stouten, J. 1984. Verlichting in de letteren. Leiden: Martinus Nijhoff.

Van der Stighelen, K. 1987.Anna Maria van Schurman of 'Hoe hooge dat een maeght kan in de konsten stijgen'. Leuven: Universitaire Pers.

Verslag over den toestand der Koninklijke Bibliotheek in het jaar 1896. 1897, 's-Gravenhage: Algemeene Landsdrukkerij.

Vinnius, A. 1652. Oratio recitata in exequiis amplissimi viri D. Bernardi Schotani. Leiden: Leffen.

Ad Johannem Fridericum Gronovium Virgines Viduis Praeferendas esse.

 

 

Ad Johannem Fridericum Gronovium Virgines viduis preferendas esse.

Si Venerem Musis conjungis, docte Gronovi, Jngenio dederis altera vela tuo.

Decerpsit primam Phoebus Peneïde laurum: Carminaque authori conciliavit Amor

Si placet exemplum, lepidos admitte calores. Mixtaque blanditiis basia disce pati.

Haec tamen intactae qui sumit ab ore puellae.

Quod satis est, didicit, ingenioque valet.

Magnum virginitas praetium complexibus addit,

10 Et rudis, et nunquam sollicitatus amor.

Cum pudor invitat, gestitque modestia vinci;

Atque aliquid grata non sine lite licet.

Jn vidua nihil est quod ames passaque maritum;

Omnia praeripuit gaudia primus amor.

Nec tam fida tibi, nec tam pudibunda, Gronovi.

Oscula, nec tanta simplicitate dabit.

Jnterdum repetet, nimiumque audebit in illis Delitias timide quae facit, illa facit.

Sive animo taedas agitas; innupta petenda est.

20 Nec tuus ad viduas abjiciendus amor.

Aan Johannes Frederik Gronovius,dat maagden boven weduwen gaan

Als jij Venus verbindt met de Muzen, geleerde Gronovius, zal jij een nieuwe dimensie (lett. nieuwe zeilen) aan jouw talent geven.

Apollo plukte de eerste lauwerkrans van Daphne, dochter van de riviergod Peneus: Amor verbond zo dichtkunst met een succesvolle auteur.

Als dit voorbeeld jou bevalt, laat dit heerlijke vuur dan injou toe, en leer om dat zoete mengsel van kussen en lieve woordjes te ondergaan.

Hij echter die deze ontvangt van de mond van een onaangeraakt meisje, leert zo hoe het moet zijn en doet de beste keus.

Maagdelijkheid voegt veel toe aan omhel-zingen, zo ook onbeproefde liefde die nog nooit opgewekt was.

Wanneer schaamtegevoel uitdaagt en kuisheid smeekt om overwonnen te worden, en iets toegelaten wordt met lieftallige tegensparteling.

In een weduwe die al eerdere echtgenoten gekend heeft is niets om van te houden; die eerste liefde heeft alle vreugde reeds eerder geplukt.

Zij zal jou niet zulke oprechte noch zulke schuchtere kussen geven, Gronovius, en ook niet met zo'n grote naïviteit.

Ondertussen zal zij maar herhalen en zal zij hierin te ver gaan.Slechts die vrouw die schuchter haar gunsten geeft, geeft op de juiste wijze.

Als jij een huwelijk overweegt, zoek dan een vrouw die nog nooit getrouwd was. Vergooi jouw liefde niet aan weduwen.

Mane novo, tenero madidas de rore viator Carpit, et arentes praeterit ungue rosas.

Suavius in nitidis, Frederice, natabitur undis, Vitreus, illimes cum vehit amnis aquas.

Pocula delectant animos splendente Lyaeo1; Diffunditque recens dulcius urna merum.

Nemo cibum poscit quem proelibaverat alter, Pomaque de nitida sumere lance juvat.

Jlle torus veteris praefert vestigia flammae, 30 Et jam non primo lectus amore calet.

Oscula si dederit: prius his meliora dabantur: Molle latus jungit, junxerat ante latus.

Blanditias loquitur, non te tamen illa, magistro: Utitur ingenio quo prius usa fuit.

35 Colla manusque illas quidam possederat ante Jamque aliquä cervix livida forte notä est.

Ante manum didicere pati, tangique papillae; Quodque agis, ah alius dulce peregit opus!

Talia cum subeunt animum, sentitque videtque, 40 Et sapit, ah miser est si quis amare potest!

Saepe etiam proles veteres testatur amores: Et dolor ante oculos itque reditque tuos.

Iemand die 's ochtends vroeg een reis onder-neemt plukt rozen die nog nat zijn van de dauw, en gaat voorbij aan die uitgedroogd zijn.

Het is aangenamer, Fredericus, om in helder water te zwemmen, waar een klare stroom water zonder modder voert.

Een goed glas met fonkelnieuwe wijn is een vreugde voor de ziel, en een nieuwe kruik schenkt zoetere wijn.

Niemand wil eten waar een ander reeds aan geproefd heeft, maar het doet plezier om vruchten van een schone schaal te eten.

Dat bed van haar wijst de sporen van het oude vuur en het krijgt niet meer de warmte die een eerste liefde eraan geeft.

Als zij jou zoent: in het verleden gaf zij meer vurige: als zij haar zachte lichaam tegen jou vleit; vroeger had zij dat al bij een ander gedaan.

Zij fluistert zoete woordjes, niet echter die jij haar geleerd hebt: zij gebruikt daarbij haar vroegere ervaring.

Een ander heeft reeds eerder die hals en handen van haar bezeten en dat blanke nekje draagt wellicht nog de merken van een andere.

Al eerder hebben haar borsten geleerd om een hand daar toe te laten en om bevoeld te wordenwat jij ook al doet, ach, een ander heeft dat zoete spel al eerder gespeeld!

Wanneer men deze dingen bedenkt en voelt en ziet en weet, beklagenswaardig is dan hij die nog de liefde kan bedrijven!

Dikwijls ook zijn kinderen getuigenis van die oude liefde:en die pijn gaat voortdurend heen en weer voor jouw ogen.

Primaque formosi florem Lucina peremit Corporis, et languet qui fuit ante vigor.

Qui sapit, intonsis sibi pascua quaerit in agris: Qui sapit intactis fontibus ora lavat.

Gaudia de tenerä rapies sincera puellä; Quod metuit grato cogit amare metu.

Ad blandae nomen Veneris tremuisse modeste Cernitur, et totis erubuisse genis.

Mox ubi succubuit precibus, vincique necesse est, Ah dulces lachrymas mittit in ora pudor.

Sentit, et ore suo pretiosum haurire liquorem Gaudet, et hoc fidei pignus amator habet.

Mens abit, et moritur quoties audacia sensim Crescit, et amplexu praevenit ipsa suo.

Non ea morosa est, non imperiosa, nec audax, Obsequium satis est exhibuisse viro.

Mox sobolem casta tollens de matre maritus 60 Hic etiam vultus invenit ipse suos.

Die eerste geboorte heeft de bloem van haar prachtige lichaam verwijderd en de bloei die er was doen verwelken.

Een wijs man zoekt zijn weiding in ongemaaide velden: een wijze drinkt van een onberoerde bron.

Echt genot zul jij bij een jong meisje grijpen; die dingen waarvoor zij bang was, zal zij geleidelijk met gretige angst leren beminnen.

Aanvankelijk zul jij zien dat zij beeft bij de loutere vermelding van de geneugten van Venus.

Maar spoedig wanneer zij bezweken is onder jouw smeekbeden, en het onvermijdelijk is dat zij toegeeft, ach, dan stuurt haar schaamtegevoel zoete tranen naar haar gezicht.

De minnaar ziet dit en met vreugde likt hij dit kostbare vocht en dit is voor hem het pand van haar overgave.

Het verstand blaast de aftocht, en werkt steeds trager naarmate de hartstocht geleidelijk toeneemt en zij zelf neemt de leiding in haar omhelzingen.

Zij is niet kleingeestig, noch heerszuchtig, noch brutaal. Het is voor haar voldoende om aan haar man onderdanig te zijn.

En wanneer de echtgenoot in de nabije toekomst zijn kind van de kuise moeder ontvangt, dan herkent hij daarin ook zijn eigen gezicht.

Ad Janum Meierum nuptias Danicas spectantem amatorem Regi similem esse

Ad Janum Meierum nuptias Danicas spectantem

Amatorem Regi similem esse

Dum quatit Arctoam taedis regalibus aulam Festaque Principibus gaudia condit Hymen

Te quoque laetitiam patriae sentire putamus Ante tuos positam, candide Jane, focos.

Cum tamen amplexus et Principis oscula cernis, Principis exemplo forsan amare potes.

Saepius alterius quidam spectaverat ignes: Spectanti tacitus venit in ossa calor.

Sed juvenes regum multo conspectius ardent. Materies flammae largior inde patet.

Vix superum rector fuerat manifestus amator: Intepuit subito quilibet igne Deus.

Jnde Venus precibus Gradivi2 cessit amantis, Et Clytoe Phoebo, Eucothoeque placent.

Et tibi nunc quaedam forsan regina vocatur, Et Dominum rursus te vocat illa suum.

Jllius amplexu sceptrum transcendis, et aulas, Et tibi regales credis habere manus.

Aan Janus Meier die de (koninklijke) bruiloft in Denemarken heeft bijgewoond dat een minnaar een koning gelijk is.

Terwijl de huwelijksgod Hymen in dat noordelijk paleis zijn fakkels zwaait en er vreugdevolle feesten voor vorsten bouwt, neem ik aan dat ook jij in dezelfde vreugde deelt van jouw vaderland die zich zo na aan jouw woning, afspeelt, mijn beste Janus.

Terwijl jij echter getuige bent van de omhel-zingen en kussen vanjouw vorst, zul jij wellicht zelf ook het vorstelijk voorbeeld volgen om te minnen.

Nogal dikwijls gebeurt het dat iemand het liefdesvuur in een ander waargenomen heeft, en dat dan datzelfde vuur heimelijk in zijn eigen gestel binnen dringt.

Het liefdesvuur van prinsen brandt veel meer in het openbaar. Bij hen zijn de vlammen duidelijker te zien.

Nauwelijks was de koning der goden (Jupiter) in verliefde staat gezien of in alle andere goden ontvlamde het liefdesvuur.

Daarom gaf Venus toe aan de smeekbeden van de verliefde Mars en werden Clythoe en (L) Eucothoe (achtereenvolgens) door Apollo veroverd.

Ook door jou wordt nu wellicht een vrouwtje koningin genoemd en noemt zij jou op haar beurt haar Heer.

In haar omarming stijg jij uit boven scepter en paleis, enjij denkt jouw handen (zo rijk) als die van een koning.

Nec minus est formosa nec incivilis habetur: Basia nec quicquam rusticitatis habent.

Vt Princeps opibus superet, vel origine cunctos: Qui sapiant oculos an tamen unus habet?

Cedimus obsequio: nunquam cedemus amore, Hac quoque nos reges conditione sumus.

Qui superos coelo detraxit, Jane, Jovem3 que Aequat amatores regibus ille puer.

Deseruit regnumque Paris, regemque parentem: Deserti pretium, causaque Nympha fuit.

Pegasis4 Oenone quoties impleverat ulnas, Ex animo Priamus5 totaque Troya fuit.

Jmposita quoties contingeret ubera dextra, Iste locus regnum est, dixit, et aula mihi.

Nec me deficiet nostram jactare Merillam Principe digna viro maluit esse mea.

Est mihi sectus humus6 purisque liquoribus udus Hortulus; hunc mecum possidet illa tamen.

Areolas horti quoties numeramus, et herbas, Tot populos regni credimus esse mei.

Illa legit violas, vel decutit arbore poma. 40 Laetaque de quavis gente tributa petit.

Zij is niet minder mooi en doet niet voor adel onder en ook hebben haar kussen niets primitiefs.

Laat een vorst in rijkdom en afkomst allen overtreffen: hij is toch zeker niet de enige met ogen om te zien?

Wij wijken voor hem als onderdanen: maar toch nooit in de liefde. In dat opzicht zijn ook wij koningen.

Dat knaapje (Cupido) dat goden en de oppergod Juppiter er toe bracht om de hemel te verlaten, maakt minnaars gelijk aan goden.

Paris liet zijn rijk en zijn koninklijke vader achter zich: de beloning en de oorzaak van deze desertie was een nymf.

Telkens wanneer de bronnymf Oenone zich in zijn armen vleide verdween Priamus en heel Troje uit zijn gedachten.

Telkens wanneer hij met zijn rechterhand haar borsten vastpakte zei hij: deze plek is mijn koninkrijk en mijn paleis.

En ik zal er nooit genoeg van krijgen om te pochen met mijn Merilla, hoewel een koning waardig wilde ze liever van mij zijn.

Ik bezit een stukje grond en een tuintje bevloeid met helder water; zij en ik echter bezitten dit samen.

Telkens wanneer wij de stukjes grond en de planten tellen, is het voor ons alsof zij even zoveel volken zijn waarover ik heers.

Zij plukt viooltjes, of vruchten van een boom: het is alsof zij vrijwillige tributen inzamelt van haar onderdanen.

Jnterea carmen mihi provenit inter odores, Jmperii census dicitur iste mei.

Non diadema tamen, non sceptrum defuit unquam, Jmplent serta caput, mystea virga manum.

Omnia pro regno nisi quod nec sica timetur; Cura quiescentes nec sedet ante fores.

Invidet et nemo: nisi quod fortassis amamur, Peneque plus justa parte Merilla favet.

Tutus ab insidiis: nisi cum blandissima virgo Versibus intento basia pauca rapit:

Nec terit ambitio limen: sed candor, et ille Jngenuus putae simplicitatis amor.

Haec inter teneram complexus, Jane, Merillam Principe dedignor quolibet esse minor.

Tussen al de geuren schrijf ik gedichten, deze zijn dan voor mij als de beschrijving van mijn rijk.

Nooit heeft het mij ontbroken aan een diadeem of een scepter, op mijn hoofd is een bloemenkrans, in mijn hand een staf. Alles is als in een koninkrijk, behalve dat ik niet hoef te vrezen voor de dolk van een sluipmoordenaar; geen zorgen belegeren onze vreedzame deur.

Niemand is afgunstig op ons: behalve misschien omdat wij van elkaar houden, en Merilla's liefde haast groter is dan ik verdien.

Veilig ben ik ook van berovingen: behalve dat dit liefelijke meisje (Merilla) mij kleine kusjes steelt terwijl ik aan het dichten ben.

Eerzucht komt bij ons het huis niet binnen: maar oprechtheid en die edele liefde voor pure eenvoud.

Met dit alles, en met mijn tedere Merilla in mijn armen, Janus, weiger ik om te geloven dat ik de mindere ben van welke koning dan ook.

 

 

1 Lyaeus: bijnaam van de wijngod Bacchus.
2 Gradivus: bijnaam van de oorlogsgod Mars.
3 Jovem: Jupiter, de oppergod.
4 Pegasis: bijnaam van Oenone, een nimf met wie Paris getrouwd was.
5 Priamus: koning van Troje, vader van vijftig kinderen, onder andere van Priamus.
6 In het handschrift staat abusievelijk humum.

 

 

Pieta van Beek het haar graad in die Nederlandse taal- en letterkunde behaal aan die Universiteit van Utrecht (Drs.litt, 1987). Daarna studeer sy by die Universiteit van Stellenbosch Klassieke Tale en promoveer (D.litt, 1997) op Klein werk: de Opuscula Hebraea Graeca Latina et Gallica, prosaica et metrica van Anna Maria van Schurman (1607-1678), sien ook http://www.dbnl.org/tekst/beek017klei01). Sy studeer verder en kry in 2004 haar MA cum laude in Nabye Oosterse Studies by die Universiteit van Stellenbosch. Sy publiseer verskeie artikels en boeke oor Anna Maria van Schurman, byvoorbeeld De Eerste Studente: Anna Maria van Schurman (1636), Utrecht, 2004/2007 wat sy op uitnodiging van die Rektor Magnificus van die Universiteit Utrecht geskryf het. Maar ook die vergete Suid-Afrikaanse vroueskrywers soos Maria Murray Neethling kry haar aandag, sien www. academic.sun.ac.za/afrnd/tna/vanbeek00.html. Saam met Dineke Ehlers publiseer sy Oranje boven: Nederlands voor Zuid-Afrika (Pretoria: Protea Boekhuis, 2004/2007). Van Beek het verskillende pryse en internasionale toekennings ontvang en is 'n lid van die Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en van die Suid Afri-kaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns. Sy het Grieks, Latyn en Nederlands gedoseer. Op hierdie moment kombineer sy ondersoek vir die Universiteit Utrecht en die Universiteit van Stellenbosch met die klasgee van klassieke tale op 'n katolieke hoërskool in Zeist. (Sien ook http://www.stellenboschwriters.com/vbeekp.html)

Pieta van Beek completed her studies in Dutch literature at Utrecht University (Drs. Litt, 1987), then studied Classics at Stellenbosch University (D. litt, 1997, Klein werk: de Opuscula Hebraea Graeca Latina et Gallica, prosaica et metrica van Anna Maria van Schurman (1607-1678) www.dbnl.org/tekst/beek017klei01) and Near Ancient Studies (MA cum laude, 2004)
She published books and articles on Anna Maria van Schurman, e.g. De Eerste Studente: Anna Maria van Schurman (1636 (2004/ 2007) (by invitation of the Rector Magnificus of Utrecht University). She also writes about South African Dutch Women writers (see e.g. Maria Murray Neethling (1831-1912), een vergeten vrouwen schrijver uit Zuid-Afrika ) www.academic.sun. ac.za/afrnd/tna/vanbeek00.html. Together with Dineke Ehlers she wrote Oranje boven: Nederlands voor Zuid-Afrika (Pretoria: Protea Boekhuis, 2004/2007).Van Beek received several prizes and international awards and is a member of the Maatschappij der Nederlandse Letterkunde and of the Suid Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns. She has lectured in Greek, Latin and Dutch and was involved in women's issues. Currently she is combining research for the Utrecht University and the University of Stellenbosch with teaching Classics at a catholic highschool in Zeist (see also http://www.stellenboschwriters.com/vbeekp.html)

Creative Commons License All the contents of this journal, except where otherwise noted, is licensed under a Creative Commons Attribution License