SciELO - Scientific Electronic Library Online

 
vol.60 issue1Duwweltjies en verantwoordelikheid author indexsubject indexarticles search
Home Pagealphabetic serial listing  

Services on Demand

Journal

Article

Indicators

    Related links

    • On index processCited by Google
    • On index processSimilars in Google

    Share


    Tydskrif vir Geesteswetenskappe

    On-line version ISSN 2224-7912Print version ISSN 0041-4751

    Tydskr. geesteswet. vol.60 n.1 Pretoria Mar. 2020

     

    VARIA

     

    Schimmig, heftig, verpletterend. De Afrikaanse literatuur in Nederland in 2019

     

     

    Gaat het dezer dagen hier in Nederland over Zuid-Afrika, dan hoor je twee verhalen. Kranten schrijven over de ellende die president Zuma heeft achtergelaten, over stroomuitval, de ondergang van de vliegmaatschappij, over corruptie en geweld. Maar een reis naar Zuid-Afrika blijft evengoed aanlokkelijk. Na terugkeer vertellen vakantiegangers over hun ontdekking van dat prachtige land en over de wilde dieren in het Krugerpark. Nederlanders met last van vliegschaamte stappen daar voor Zuid-Afrika gauw overheen. En voor de Zuid-Afrikanen die hun brood en biltong verdienen in het toerisme, valt maar te hopen dat het zo blijft.

    Ook in je eigen woonplaats doe je soms ontdekkingen. In Leiden zijn op blinde muren gedichten in vele talen aangebracht, inmiddels meer dan honderd. Ik ontdekte in 2019 dat al die gedichten ook op het internet te vinden zijn, met een flink extraatje als toegift. Leiden heeft twee Afrikaanse muurgedichten, "Taalles" van Elisabeth Eybers en "Die kind" van Ingrid Jonker. Op muurgedichten.nl/nl/muurgedichten leest iemand ze voor in het Afrikaans en vind je de teksten in het Afrikaans, Engels en Nederlands. Daarbij uitleg over dichter, achtergrond en inhoud, allemaal gratis beschikbaar. En een fotootje van de Leidse muur met het gedicht.

    Maar gelukkig waren er in 2019 in Nederland ook weer levende Afrikaanse dichters op bezoek.

     

    KLETSRYM

    Dankzij Conny Braams Ik ben Hendrik Witbooi is het Nama-stamhoofd Witbooi in Nederland een beetje bekend geworden. Het kleine publiek dat zich op 10 januari had verzameld in het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam om te luisteren naar de rapper Hemelbesem, hoorde dat Hemelbesem, die zichzelf een "trotse Nama" noemt, eigenlijk Simon Witbooi heet en zelfs van de "Namibische Mandela" afstamt. Ik ben Hendrik Witbooi kreeg hij ten geschenke.

    Hemelbesem is kletsrymer of rymkletser, maar toonde zich, in gesprek met Ingrid Glorie, ook een geweldige verteller. Hij droeg voor uit zijn boek God praat Afrikaans, dat gaat over het Afrikaans maar ook over zijn familie en zijn levensloop, over zijn werk als acteur, schrijver, radiopresentator, evangelist, treinprediker en ambassadeur van het W.A.T. Kortom: over van alles. Zijn werk als predikant in de trein was voor hem de beste opleiding voor de rymklets. Waar hij ook spreekt, steeds doet hij dat het best ongeremd uit het hart. Zijn twee grote onderwerpen, het Afrikaans en het evangelie, kwamen bij elkaar toen hij zei: "Wat God ook is, Hij praat Afrikaans, maar dan mijn Afrikaans. Hij praat met mij zoals ik praat."

    Hemelbesem was de Zuid-Afrikaanse vertegenwoordiger op het Winternachten-festival in Den Haag, deels uitgezonden op Radio 1 en op https://www.nporadio1.nl nog altijd te beluisteren. Ik sprak hem bij de afsluiting op 20 januari. Hij was her en der opgetreden. Niet alleen in het Theater aan het Spui, het centrum van de Winternachten, maar ook in de Haagse poptempel Het Paard, waar hij in de voetsporen was getreden van Mick Jagger en Prince. En in de bibliotheek van de Schildersbuurt, een van de armste wijken van Nederland, met 90 % allochtone inwoners. Daar was het publiek onder aanvoering van een zeventig-plusser met Hemelbesem mee gaan rappen. Na alle voorstellingen was hij nog niet moe: "Moe? Nee, ik doe het met het hart."

    Zijn collega-rapper Lee-Ursus Alexander deed mee aan het jaarlijks in de zomer rondreizende zomerse theaterfestival "De Parade", soms aangeduid als: cultuur in circustenten. In NRC Handelsblad (13 augustus) karakteriseerde Kester Freriks de voorstelling "Ons perspectief' als het "meest gedurfde" onderdeel van de hele Parade. Op het podium stond Brother Till, dat zijn twee Nederlandse broers Van Til en de Zuid-Afrikaan Lee-Ursus. Freriks scheef over diens "gedreven stijl" en ging verder: "in een visuele entourage vol bewegende beelden in tinten oker zing-zegt Lee-Ursus zijn teksten over onrecht en uitsluiting." In de Volkskrant sprak Herien Wensink over een "fascinerende verkenning van de verschillen tussen zwart en wit, met hoekige, filosofische rapteksten met Drentse tongval, gelardeerd met Afrikaanse rymklets" (11 augustus). De Parade is opgebouwd in Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Amsterdam, maar "Ons perspectief' is ook elders uitgevoerd, bijvoorbeeld op 1 september op een festival bij Nijmegen.

     

    ANTJIE KROG

    Het Nederlands Letterenfonds bevordert de literatuur in opdracht van de regering en nodigt daarom jaarlijks een buitenlandse auteur uit in Amsterdam. Die mag inspiratie opdoen, hard aan eigen werk gaan of het land intrekken voor boekpresentaties, vraaggesprekken, voordrachten of lezingen. De gastschrijver van 2019 was Antjie Krog. Zij is in Nederland een van de bekendste Afrikaanse schrijvers en een veelgevraagd spreker. Zij toonde zich als gastschrijver dan ook erg actief, met uiteenlopende presentaties in het Engels, Afrikaans en Nederlands.

    Op 23 januari gaf zij in de OBA (Openbare Bibliotheek Amsterdam) een Engelse lezing over schrijvers in oorspronkelijk Zuid-Afrikaanse talen zoals het Xhosa en het Zoeloe. Op 3 februari trad zij met Tom Lanoye op bij het grootste Nederlandse poëziefestival, Poetry International in Rotterdam. Een dag later ging zij in Groningen in gesprek met Margriet van der Waal, hoogleraar Afrikaans aan de Universiteit van Amsterdam maar ook verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Voor 6 februari had een boekwinkel in Zutphen een avond met Krog georganiseerd die bij de aankondiging al was uitverkocht.

    Op 15 februari besprak zij in de Centrale Bibliotheek van Den Haag over poëzie en kolonialisme. Krog noemde poëzie een bijzonder geschikt middel om iets te zeggen over het kolonialisme of de apartheid. Maar altijd, ook bij deze onderwerpen, loopt de dichter het gevaar om het slachtoffer te worden van de nieuwe media. Daar krijg je met behaagzieke poëzie meteen applaus en dat is verleidelijk. Je vergeet dan dat belangrijke poëzie, de poëzie waar het werkelijk om gaat, altijd: "het onzegbare probeert te zeggen." Kunst moet gevaarlijk zijn. Krog overwoog: als ik een bundel schreef waarin ik me voorstelde dat ik zwart was, zou die bundel vast worden afgekraakt. Moet ik er daarom van afzien? Misschien, maar aan de andere kant kan alleen de kunst de mensen veranderen.

    Een ouder dilemma had zij intussen opgelost: vroeger verlangde Krog naar een pil om zwart te worden, maar nu niet meer. Krog zou zo 'n medicijn niet meer innemen, want zij wil haar verantwoordelijkheid als wit vrou nemen en weet dat zij, ondanks haar opgaan in de "zwarte" poëzie, nu eenmaal wortelt in een "witte" traditie.

    Krogs gesprekspartner was John Jansen van Galen, poëzieliefhebber en een ervaren journalist die veel afweet van de Nederlandse koloniale geschiedenis. Ook Ellen Deckwitz deed mee, een bekroonde dichteres die zich steeds meer richt op de (Nederlands-)Indische kanten van haar familiegeschiedenis. Natuurlijk droegen Krog en Deckwitz poëzie voor, eerst afzonderlijk en ten slotte als duo, en dat vormde een speels hoogtepunt.

    Op 18 februari rondde Krog haar gastschrijverschap af in een breed programma over de thema's woede en vergeving, gepresenteerd door Mirthe Frese, in de oude Stadsschouwburg in Amsterdam, tegenwoordig Internationaal Theater Amsterdam. Acteurs van de Toneelgroep Amsterdam (ook al ITA) brachten fragmenten uit Krogs Begging to be black. Er waren lezingen van Krog en van mr. Gerard Spong, een bekende Surinaams-Nederlandse advocaat die ondanks zijn voorkeur voor ophefmakende zaken toch in aanzien staat. Krog bepleitte geen woede en geen verzoening, maar drukte voor veel woede in Zuid-Afrika wel begrip uit. Zij hamerde op de noodzaak van vergoeding, in Zuid-Afrika én door de vroegere moederlanden. Zoals ook eerder voorspelde zij voor het rijke westen een toekomst met verdergaande immigratie en ongelijkheid, vol van problemen die Zuid-Afrika nu al heeft. Spong beklemtoonde voor alle vraagstukken het belang van wet en recht.

     

    MARGRIET VAN DER WAAL

    Zij deed op 8 september mee aan "Zuid-Afrika, land van vele talen", een zondagmiddag over Zuid-Afrikaanse poëzie in De Nieuwe Liefde, Amsterdam, gepresenteerd door Mirjam van Hengel. Het publiek hoorde gedichten van Eybers, Jonker, Breytenbach, Kamfer, Pieter Odendaal en Jolyn Phillips, maar ook poëzie in andere talen van Zuid-Afrika.

    Op de 27ste vertelde Van der Waal de vrienden van het Zuid-Afrikahuis over haar werk als hoogleraar "Zuid-Afrikaanse letterkunde, cultuur en geschiedenis" onder de van Adam Small geleende titel: "Kô laat ons sing" en met als kern van haar betoog: meerstemmigheid. De leerstoel beslaat niet alleen de hogere maar ook de populaire cultuur, te vinden op podia, in cafés en op de sociale media. Zoals bekend heeft de rymklets haar volle aandacht, als voorbeeld van betekenisvolle niet-standaardvariatie binnen het Afrikaans. Ook de niet-Europese elementen wil zij op de voorgrond zetten. En wij weten: Van der Waal bekijkt letterkunde, cultuur en geschiedenis altijd in maatschappelijk en politiek verband.

     

    WEEK VAN DE AFRIKAANSE ROMAN

    In dezelfde Haagse Centrale Bibliotheek waar Krog had gesproken, begon op 20 september de "Week van de Afrikaanse roman", met als bezoekende schrijvers Karin Brynard, Valda Jansen, Pieter Odendaal, Riana Scheepers en Eben Venter. Een sterke groep, al was het jammer dat er van geen van hen een nieuwe Nederlandse vertaling in de boekwinkel lag. De muziek kwam van de traditionele instrumenten van Frazer en Deniel Berry, met tekst van Adam Small. Een vertegenwoordigster van de Zuid-Afrikaanse ambassade deed een vriendelijk woordje in het Engels en Afrikaans en kreeg van Scheepers een bedankje in het Zoeloe.

    Presentator en interviewer was Abdelkader Benali, een bekende Marokkaans-Nederlandse schrijver van migrantenliteratuur en een veelzijdig televisiemaker. Zijn televisieserie over voetbal in Afrika kreeg neerslag in het boek De weg naar Kaapstad (2010). Uit zijn diepe verbazing over Scheepers' talenkennis kon men opmaken dat hij van zijn gesprekspartners bar weinig afwist, maar hij wist zich te redden door zijn oprechte belangstelling.

    Brynard en Scheepers spraken over de cultuur van de Bosjesmannen, waarbij Brynard memoreerde hoe menigeen in de Kalahari voorkeur uitspreekt voor de oude benaming "Boesman" boven het moderne eufemisme "San". Dat zou in feite "bezitsloze" of zelfs "dief betekenen en wordt soms als scheldwoord gevoeld. Jansen gaf een toelichting bij haar leuze: "de apartheid is mijn boerenoorlog". Zoals andere Afrikaanse schrijvers niet loskomen van thema's uit de Anglo-Boerenoorlog, zo worden haar leven en werk blijvend bepaald door de apartheid. Benali praatte ook met Odendaal en Venter. Na elk gesprekje lazen de schrijvers iets voor. De Week trok in wisselende schrijversopstelling nog meer dan een week verder, langs Culemborg, Groningen en Soest en reikte ook tot België. Voornaamste plaats van handeling was Amsterdam.

     

    KORRELTJIE KANTEL

    De Afrikaanse troubadour Luna Paige kwam vanuit Vlaanderen Nederland binnen voor een zestal uitvoeringen van "Korreltjie Kantel", muziek en theater geïnspireerd op de verhouding van Ingrid Jonker en André P. Brink. Wessel Pretorius en Christine Truter speelden Brink en Jonker; Paige zelf, Nick Turner en Jamie Jupiter musiceerden op basis van gedichten van Jonker. Op de eerste avond, 19 oktober in Sijthoff Cultuur in Leiden, was het publiek verrast, onder de indruk, enthousiast en dankbaar. K.K. was ook in Delft (Rietveld-theater), Amsterdam (Zuid-Afrikahuis en De Nieuwe Liefde), Bemmel (Theaterkerk) en Utrecht (Kikker).

     

    MOTHER

    Bij de boekenoogst springt dit keer geen vertaling het meest naar voren, maar My mother 's mother 's mother, met de ondertitel: South African women's writing from 17th-century Dutch to contemporary Afrikaans van Pieta van Beek en Annemarie van Niekerk. Het is uniek: een indrukwekkende bloemlezing met vele tientallen Zuid-Afrikaanse Nederlands- en Afrikaanstalige schrijfsters door de eeuwen heen, met uitvoerige inleiding en cultuurhistorische situering. Een grote verdienste van Van Beek en Van Niekerk is dat zij interessante teksten brengen van tamelijk tot zelfs volstrekt onbekende vrouwen.

    Wel is het jammer dat het Engels de hoofdtaal is, al had Hans Ester geen ongelijk toen hij snedig opmerkte: "De Engelstalige wereld kan hier veel van opsteken." Gelukkig is behalve de Engelse vertalingen ook steeds het oorspronkelijke Nederlands of Afrikaans afgedrukt, maar die verdubbeling maakt het boek onnodig dik, zwaar en duur (Leiden U.P. 69,50). Mag ik een wens doen? Een mooie, slanke editie in de taal van de schrijfsters en de samenstelsters.

    Na een blijmoedige presentatie bij Spui 25 in Amsterdam (12 juni) met Antjie Krog en Tom Lanoye kreeg het boek in de pers een warm onthaal. Peter Kaldheim noemde "alleen al de ontwikkeling van de taal" fascinerend en vatte samen: "een koloniale wereld opent zich in dit boek." Ronelda S. Kamfer kreeg van hem speciale lof (Trouw 14 september). In de Volkskrant schreef een enthousiaste Persis Bekkering over "een van die zeldzaam spannende anthologieën" die je "van voor tot eind wilt binge-lezen" (20 september). Hans Ester preciseerde dat het hier gaat om: "literatuurgeschiedenis én bloemlezing" en betreurde dat veel schrijfsters hadden moeten afvallen. Hem boeiden vooral "de beschrijvingen van het leven uit de Hollandse tijd" (Zuid-Afrika Spectrum november). Desgevraagd schoof Pieta van Beek zelf, in het Reformatorisch Dagblad van 14 juni in gesprek met Mirjam Roukema, een onbekende naar voren als de schrijfster die er voor haar uitspringt: Petronella Camijn (1787-1868).

     

    ZUID-AFRIKAHUIS EN ZÜID-AFRIKA SPECTRUM

    Voor de Afrikaanse literatuur in Nederland bracht 2019 ook minder goed nieuws. Het Zuid-Afrikahuis in Amsterdam, vanouds centrum van activiteiten en leverancier van onmisbare voorzieningen, kende een moeilijk jaar met groot personeelsverloop. Hopelijk zullen de gevolgen op langere termijn meevallen, maar het geeft te denken dat ook het gewaardeerde Zuid-Afrika Spectrum gaat verdwijnen en wordt vervangen door een digitale publicatie. Als enige blad hield het Spectrum voor de Nederlandse lezer ook de onvertaalde Afrikaanse literatuur bij, dankzij vooral Hans Ester.

    Zo schreef hij in 2019 in nummer 1 naar aanleiding van Slot van die dag van Karel Schoeman een bespreking die uitgroeide tot een klein essay over Schoemans levenshouding. In 2 maakte hij duidelijk dat Cecile Cilliers in Nederland ten onrechte onbekend is. "Vervreemding tussen mensen en verkilling van wat ooit warm en hartstochtelijk was", noemde hij een van de belangrijke thema's die Cilliers in Die ou vrou en die priester en ander verhale, niet zonder haar kenmerkende humor aan de orde heeft gesteld. In 4 prees hij de dichtbundel Doodmenslik. waar Willie van der Merwe "zijn vragen naar de aanwezigheid van God in het leven" weet te verbinden "met vergankelijkheid en dood." Dat ook Van der Merwe over Nederland dicht, bracht Ester tot een vergelijking met Eybers. Zij hield Nederland op afstand, maar helemaal anders dan zij haalt Van der Merwe "natuur en landschap van Nederland, in het bijzonder de Waddeneilanden" zijn poëzie binnen, inclusief het beeld van "het grijze land met zijn vreeswekkende grijze Noordzee."

    In Spectrum stonden dit jaar interviews met Valda Jansen, Odendaal en Scheepers en het blad deed nog veel meer voor de Afrikaanse literatuur. Gaat dit verdwijnen? Wie weet ben ik teveel een zwartkijker, leidt de digitale toekomst zelfs tot een uitbreiding en krijgt ook het Zuid-Afrikahuis weer de wind in de zeilen.

     

    VERTALINGEN

    In de boekwinkel lagen dit jaar acht nieuwe vertalingen uit het Afrikaans. Daarbij kwamen nog één nieuwe editie en één herdruk, allebei van Irma Joubert. Tolbos kreeg een grote-letteruitgave. Het spoor van de liefde haalde de achtste druk (Ver wink die Suiderkruis, vert. Dorienke de Vries, Mozaïek 12,50).

    Nieuw zijn twee dichtbundels (allebei tweetalig!), twee misdaadverhalen en vier romans. Clinton V du Plessis beleefde zijn Nederlandse debuut met Het vijfde evangelie volgens Mickey bij De Kaneelfabriek in Udenhout ( 16,75). Naar aanleiding van de tachtigste verjaardag van Breyten Breytenbach bezorgde uitgeverij Podium de Nederlandse lezer een cadeau voor alle aanleidingen, onder de titel Allerliefste. Vijfentwintig liefdesgedichten, door Annemiek Recourt gekozen uit de Afrikaanse verzameluitgave Rooiborsduifvan Charl-Pierre Naudé (verschillende vertalers, 15).

    Bij de misdaadromans ging Deon Meyer voorop. In het begin van het jaar kregen de intekenaren op "de nieuwe Meyer" hun Prooi en begaven zij zich naar een rustig plekje om ervan te genieten. (Bruna, vert. Martine Vosmaer en Karina van Santen 21,99). In het Algemeen Dagblad en een hele serie kopbladen van die krant gaf genieter Peter Kuijt zijn indrukken onder de raadselachtige kop: "biltong met koriander"(18 mei).

    Hoe zouden andere Afrikaanse rillerskrywers tegen hun collega Meyer aankijken? Dankzij hem zijn Nederlandse uitgevers op zoek naar nieuwe Meyers en dat geeft hun nieuwe kansen. Volt, het misdaad-impressum van de Singel-uitgeverijen in Amsterdam, liet het oog vallen op Slagyster van Rudie van Rensburg, liet het vertalen door Jente Rhebergen, doopte het in het Nederlands Klem, prijs het op 20,99 en zette op het omslag: "voor de liefhebbers van Deon Meyer." Als ik Van Rensburg was, zou dat laatste me te ver gaan. Zou Volt nu meer verkopen? De kritiek gaat ermee op de loop, gaat Van Rensburg met Meyer vergelijken en komt tot de conclusie die bijvoorbeeld Arjen Ribbens trekt in NRC Handelsblad: Van Rensburg heeft een knap boek geschreven maar Meyer is net iets beter. "Zijn karakters overtuigen net iets meer ... Meyer schrijft ook een fractie beter en de weemoed in zijn roman is net iets verslavender" (5 juli). Gematigde lof voor Van Rensburg kwam er ook van Joop Liefaard. Hij had het over "een doorsnee thriller ... die je met plezier leest, maar ook weer gauw vergeten bent" (De Twentsche Courant van 27 juli en AD-kopbladen). Maar Sonja de Jong was ruimhartiger en prees Van Rensburg vanwege zijn "mooie hoofdpersoon" Kassie Kasselman. Over die man wil De Jong meer lezen (Leidsch Dagblad 16 juli).

    Dan de "gewone" romans. Wondertuin van Lien Botha kreeg een korte signalering van Margot Poll in NRC Handelsblad van 4 april. Poll stipte aan dat Botha een dochter van Pik B. is en wees op het "confronterende" idee van de collages voor elk hoofdstuk (vert. Robert Dorsman, Zirimiri 18,95).

    De christelijke uitgeverij Mozaïek hoopt op meer Zuid-Afrikaanse successen naast Irma Joubert. Nieuw in Nederland is Hester Kruger met Een nacht en daarna (vert. Gerda Lok-Bijzet, 19,99). Rob van der Veer schreef een nawoord en in het Reformatorisch Dagblad van 6 december koos de critica Willy Wouters dit boek uit als haar "cadeautip".

    Manuzio in Kampen gaf als vijfde boek van Karel Schoeman De hemeltuin uit (vert. Rob van der Veer 19,99). Willy Wouters was al eerder, dankzij de vertaling van Hierdie lewe, voor Schoeman gewonnen. Doordat zij de vertalingen leest, werd de (in feite oudere) Hemeltuin voor haar nieuw. Vanuit dat perspectief gaf zij een vergelijking: "De hemeltuin is een vlakker boek dan Dit leven, maar bevat veel denkstof. Ons luxe leven ... doet aan het Engeland van 1937 denken. Ik denk dat Schoeman een basisprincipe aanraakt: blijven wij aan de kant staan en accepteren we het onmogelijke? Trekken we ons terug in onze bloementuinen? Of nemen we de opdracht op ons om het slechte te bestrijden en het goede te bevorderen?" (Reformatorisch Dagblad 25 oktober). Gert-Jan Schaap noemde De hemeltuin een "knap gecomponeerde psychologische roman - met een heel sterk einde". De vergelijking die Wouters maakte, verloopt bij Schaap anders: "toegankelijker geschreven dan eerder vertaalde boeken van Schoemans hand, die soms toch wat taai zijn" (EO Visie 9 januari 2020).

    Zoals elk jaar gaf de christelijke pers nog de meeste aandacht aan de Afrikaanse schrijvers, maar veel ruimte kregen de vertalingen dit jaar niet. Van de vier romanciers kreeg P.G. du Plessis de grootste waardering. Manuzio, die blijkbaar geen last heeft van de onder uitgevers heersende angst voor postume debuten, kwam met Feest van de ongenoden (vert. Riet de Jong en Bert Aquarius, 24,99). Het kreeg een enthousiaste aanbeveling van Lidewijde Paris, in het populaire radioprogramma "Nieuwsweekend", op 3 augustus om 10.40. U kunt het via https://www.nporadio1.nl/nieuwsweekend beluisteren. Vergeet niet terug te gaan naar 2019.

    Op de christelijke recensiesite "Boekenmening" gaf Antoinette Schram de schrijver een groot compliment, omdat Du Plessis goede beschrijvingen gaf maar zijn verhaal desondanks "tegelijk schimmig" wist te houden. Zelfs kwam zij met de kwalificatie "verpletterend", omdat Du Plessis haar liet zien "hoe de personages door de oorlog veranderen en hoe de oorlog de kijk op mensen verandert. Hoe het leed in de oorlog het geloof in God ondermijnt." Zij vatte haar oordeel samen in de afsluiting: "tussen de regels door komt het verhaal indringend binnen." Ik heb het gezien op: https://boekenmening.net/feest-van-de-ongenoden/

    Het Nederlands Dagblad vermeldde netjes de voorgeschiedenis van de roman als televisieserie en publiceerde een persoonlijke, uitgesproken positieve reactie van Linda Stelma (29 mei). Du Plessis schreef volgens haar zo "dat de geuren, geluiden en vergezichten van de pagina's afspatten." Zij noemde het boek zo "heftig" dat ze het af en toe even moest wegleggen. Bij Du Plessis vond zij een reeks grote thema's van de Boerenoorlog terug, met "waarheid en leugen" misschien als voornaamste. "Want zowel de Britten als de Boeren waren ervan overtuigd dat God met hen was."

    Uitgever Manuzio toonde bij dit boek oog voor de vernieuwing van de lezersmarkt, waar leesclubs steeds belangrijker worden. Op aldomanuzio.nl biedt hij namelijk "leesclubvragen" aan, die bedoeld zijn als handreiking aan leesclubs en natuurlijk ook als reclame. Die vragen lijken mij belangrijk voor de bestudering van de "receptie" van de Afrikaanse literatuur in Nederland, maar daaraan zal de uitgever niet meteen gedacht hebben. Hij weet: één lezer is mooi, één leesclub is beter, maar Nederland kent tegenwoordig ook ketens van onderling verbonden leesclubs, en die schaffen soms zomaar honderden exemplaren van een boek aan. Als Manuzio en collega's hun Afrikaanse romans daar kunnen slijten, komen er ook weer meer vertalingen.

    Eep Francken

    Universiteit Leiden, Noordwes-Universiteit

    E-pos: a.a.p.francken@hum.leidenuniv.nl